Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BV6947

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
27-02-2012
Zaaknummer
326834 CV-EXPL 11-6465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslag. Executant betwist de juistheid van de verklaring van derde-beslagene. Wat mag van de derde-beslagene onder de gegeven omstandigheden worden verwacht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Assen

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 326834 \ CV EXPL 11-6465

vonnis van de kantonrechter van 21 februari 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap Vrindenboom B.V.,

die woonplaats kiest in Groningen,

opposant,

gemachtigde: mr. B.M.B. Gruppen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Persoonality Payrolling B.V.,

die woonplaats kiest in Zwolle,

geopposeerde,

gemachtigde: Tijhuis & Partners.

Partijen worden hierna Vrindenboom en Persoonality Payrolling genoemd.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding van 14 juni 2011;

- het verstekvonnis van 5 juli 2011;

- de dagvaarding in oppositie van 22 september 2011;

- de conclusie van antwoord in oppositie van 29 november 2011, tevens akte voorwaardelijke wijziging van eis;

- de conclusie van repliek in oppositie van 31 januari 2012;

Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag het vonnis wordt uitgesproken.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

Persoonality Payrolling heeft onder Vrindenboom executoriaal derden-beslag gelegd om tot incasso te komen van haar vordering op een werknemer van Vrindenboom.

Vrindenboom heeft, ondanks herhaald verzoek en sommatie, niet tijdig als derde-beslagene de in art. 476a lid 1 Rv bedoelde derden-verklaring gegeven.

Op de voet van wat art. 476a lid 1 Rv bepaalt, heeft Persoonality Payrolling Vrindenboom gedagvaard en veroordeling van Vrindenboom gevorderd tot betaling van haar vordering op de werknemer van Vrindenboom, vermeerderd met rente en kosten.

Tegen Vrindenboom is verstek verleend en op 5 juli 2011 heeft de kantonrechter tegen Vrindenboom een verstekvonnis gewezen.

De vordering en het verweer

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten vordert Vrindenboom in oppositie, verkort weergegeven, dat de kantonrechter haar ontheft van de in het verstekvonnis gegeven veroordeling en dat de kantonrechter de vorderingen van Persoonality Payrolling afwijst en haar een termijn geeft waarbinnen Vrindenboom alsnog de derden-verklaring kan afleggen, een en ander met veroordeling van Persoonality Payrolling in de kosten van deze procedure. Daartoe stelt Vrindenboom, samengevat weergegeven, dat haar veroordeling op een misverstand berust. Vrindenboom wil alsnog in de gelegenheid worden gesteld een verklaring af te leggen.

Persoonality Payrolling concludeert tot bekrachtiging van het verstekvonnis en veroordeling van Vrindenboom in de kosten van deze procedure. Voor zover de kantonrechter oordeelt dat Vrindenboom een verklaring heeft afgelegd, wijzigt Persoonality Payrolling haar eis en vordert zij veroordeling van Persoonality Payrolling tot het afleggen van een juiste gerechtelijke verklaring en tot betaling van hetgeen door de rechter aan Persoonality Payrolling zal blijken toe te komen.

De beoordeling

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om het volgende. Persoonality zoekt verhaal op een debiteur en legt daartoe executoriaal derden-beslag onder Vrindenboom de werkgeefster van haar debiteur. Vrindenboom legt ondanks herhaald verzoek en sommatie geen derden-verklaring af. Daarop dagvaardt Persoonality Payrolling Vrindenboom. Vrindenboom wordt bij verstek veroordeeld tot, kort gezegd, betaling van wat de debiteur van Persoonality Payrolling aan laatstgenoemde schuldig is. In het tegen die veroordeling gerichte verzet wil Vrindenboom het daarheen leiden dat haar een termijn wordt gegeven om alsnog een verklaring af te leggen. Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de kantonrechter als volgt.

De kantonrechter stelt vast dat zonder nadere toelichting die Vrindenboom niet geeft, niet valt in te zien wat zij beoogt met de door haar gevorderde termijn. Vrindenboom brengt immers bij akte alsnog een derden-verklaring in het geding die zij onderbouwt met salarisspecificaties, een berekening van het vrij te laten bedrag en correspondentie die is gevoerd met andere (potentiële) beslagleggers.

Persoonality Payrolling heeft bij antwoord in oppositie de juistheid van de verklaring van Vrindenboom gemotiveerd betwist en zij heeft met het oog daarop haar eis gewijzigd, in die zin dat zij op de voet van wat art. 477a lid 2 Rv bepaalt, vordert dat Vrindenboom een juiste gerechtelijke verklaring doet en wordt veroordeeld tot betaling van hetgeen door de rechter aan Persoonality Payrolling zal blijken toe te komen.

Onder deze omstandigheden lag het op de weg van Vrindenboom om in deze procedure terug te komen op haar verklaring door deze aan te vullen of te wijzigen en/of deze met bewijsmiddelen te onderbouwen. Dat heeft Vrindenboom nagelaten. In plaats daarvan stelt Vrindenboom dat zij "naar eer en geweten aan de hand van de bij haar bekende feiten en omstandigheden, gesteund door informatie aangeleverd door de GKB Assen" een derden-verklaring heeft opgesteld en in het geding heeft gebracht. Dat kan niet volstaan gelet op de uitvoerige en concreet gemaakte betwisting. Die betwisting noopt tot een concrete reactie van Vrindenboom ten aanzien van het opgegeven salaris, de beslagvrije voet, de eventuele andere beslagen die ten laste van de werknemer zijn gelegd en de (betwiste) inhouding en afdracht ten gunste van een andere beslaglegger. De kantonrechter oordeelt daarom dat Vrindenboom haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd.

Een en ander leidt tot de volgende slotsom. De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat er geen termen zijn om op de voet van art. 476a lid 1 BW Vrindenboom toe te laten alsnog een verklaring af te leggen. Vrindenboom heeft immers die verklaring alsnog gedaan. De gemotiveerde betwisting van die verklaring en de daarop door Vrindenboom in louter algemene termen vervatte reactie brengt met zich dat Vrindenboom haar verweer als onvoldoende gemotiveerd moet worden gepasseerd. De kantonrechter zal het verstekvonnis daarom bekrachtigen.

Vrindenboom zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de op de gebruikelijke wijze te begroten kosten van deze procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

bekrachtigt het vonnis waarvan verzet;

veroordeelt Vrindenboom in de kosten van de verzetprocedure, tot deze uitspraak aan de zijde van Persoonality Payrolling begroot op € 250,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2012.

typ/conc: 216/BRT

coll: