Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:2096

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
88733 - HA ZA 11-572
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 3:168 BW; gebruiksvergoeding; verzoekschrift of dagvaarding; handelskamer rechtbank niet bevoegd;

De rechtbank is van oordeel dat een geschil tussen de deelgenoten over een gebruiksvergoeding van een gemeenschappelijk woning als bedoeld in art. 3:168 BW door middel van een verzoekschrift bij de kantonrechter moet worden aangebracht. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2016/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

88733 / HA ZA 11-57216 mei 2012

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 88733 / HA ZA 11-572

Vonnis van 16 mei 2012

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats eiser 3] ,

eisers,

advocaat mr. H.J.K. Wulp te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Flipse te Assen.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 september 2011;

  • -

    de conclusie van antwoord van 2 november 2011;

  • -

    de conclusie van repliek 25 januari 2012;

  • -

    de conclusie van dupliek4 april 2012;

  • -

    de bij de stukken gevoegde producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.2.

Op [datum overlijden] 2006 overlijdt mevrouw [erflaatster] . Zij laat haar veertien kinderen na als haar erfgenamen.

2.3.

De nalatenschap van mevrouw [erflaatster] omvat een woning. Die woning heeft zij tot haar overlijden bewoond samen met één van haar kinderen, [gedaagde] , en diens gezin. [gedaagde] is ook na het overlijden van zijn moeder met zijn gezin in de woning blijven wonen.

2.4.

[gedaagde] heeft voor het gebruik van de door het overlijden van zijn moeder gemeenschappelijk geworden woning aan de andere erfgenamen geen vergoeding betaald.

3 Het geschil

3.1.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten vordert [eisers] , verkort weergegeven, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 36.845,00 vermeerderd met rente en kosten. [eisers] vordert verder dat de rechtbank bepaalt dat dit bedrag voor zoveel mogelijk wordt verrekend met het aan [gedaagde] toekomende erfdeel. Daartoe stelt [eisers] , samengevat weergegeven, dat [gedaagde] vanaf het overlijden van de moeder van partijen de door dat overlijden gemeenschappelijk geworden woning heeft bewoond met uitsluiting van de andere kinderen. [gedaagde] heeft voor dat gebruik geen vergoeding betaald. Volgens [eisers] is [gedaagde] daartoe wel gehouden omdat het genot van de gemeenschappelijke woning aan alle deelgenoten toekomt. De hoogte van de gebruiksvergoeding stelt [eisers] op een bedrag dat is gerelateerd aan een percentage van de getaxeerde waarde van de woning.

3.2.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] althans afwijzing van de vordering en veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. Daartoe voert [gedaagde] aan, samengevat weergegeven, dat hij geen vergoeding aan zijn moeder schuldig was omdat hij als een soort van huismeester optrad. Volgens [gedaagde] heeft hij de woning nooit met uitsluiting van de andere erfgenamen bewoond, omdat nooit een van de andere erfgenamen aanspraak heeft gemaakt op gebruik van de woning en hij ook nooit het gebruik van de woning heeft bedongen. [gedaagde] voert verder aan dat hij nooit is aangesproken tot betaling van een vergoeding en dat het eventuele recht op een vergoeding door rechtsverwerking niet meer bestaat. [gedaagde] grondt dat beroep op rechtsverwerking op de houding van [eisers] en de omstandigheid dat niet alle deelgenoten maar alleen de eisers in deze procedure aanspraak maken op een vergoeding. [gedaagde] voert tot zijn verweer verder aan dat hij vanaf oktober 2007 niet meer de woning heeft bewoond en dat hij zich altijd als een goed huisvader over de woning heeft ontfermd om verdere ontwaarding van de woning te voorkomen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om het volgende. Partijen zijn - samen met broers en zusters die geen partij zijn in deze procedure - erfgenamen en daardoor deelgenoten in een gemeenschap van nalatenschap die mede een woning omvat. [gedaagde] heeft met zijn gezin die woning bewoond, aanvankelijk samen met zijn gezin en zijn moeder.

Na het overlijden van zijn moeder is hij gedurende een bepaalde periode, partijen zijn het over de duur van die periode niet eens, in de woning blijven wonen. [eisers] stelt dat hij voor het gebruik van de woning gemaakt een vergoeding aan de overige deelgenoten schuldig is.

4.2.

Bij de beoordeling van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten, stelt de rechtbank het volgende voorop.

4.3.

Aan de erfgenamen als deelgenoten komt gezamenlijk het genot en het gebruik van gemeenschappelijke zaken toe. Dit uitgangspunt brengt met zich mee - zo blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak, zie hiervoor TM, Parl. Gesch. 3, p. 587 en bijvoorbeeld HR 22 december 2000, NJ 2001, 59 - dat wanneer een deelgenoot met uitsluiting gebruik maakt van een woning hij daarvoor aan de andere deelgenoten een vergoeding moet geven. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het er dan om of een deelgenoot feitelijk met uitsluiting van de andere deelgenoten een woning gebruikt. Die situatie heeft zich in deze zaak over een bepaalde periode voorgedaan. Dat betekent echter niet dat [gedaagde] zonder meer tot betaling van een vergoeding kan worden gedagvaard.

4.4.

Artikel 3:168 BW bepaalt dat deelgenoten onder meer het genot van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst kunnen regelen en voor zover een overeenkomst ontbreekt, de kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij een regeling kan treffen. Uit de wet en de wetsgeschiedenis volgt dat de kantonrechter bij het treffen van een regeling naar billijkheid rekening houdt zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Het is van belang daarbij te onderkennen dat de wetgever de kantonrechter de vrijheid heeft gegeven om al dan niet een regeling te geven.

4.5.

De rechtbank oordeelt voorshands dat zij niet bevoegd is om van het geschil over de gebruiksvergoeding kennis te nemen, dat een procedure die strekt te komen tot de vaststelling van een gebruiksvergoeding niet bij dagvaarding maar bij verzoekschrift had moeten worden ingeleid en zij stelt verder vast dat de tot zover door partijen over en weer betrokken stellingen niet goed aansluiten bij de eventueel door de kantonrechter te maken belangenafweging die, uitgaande van wat hieromtrent volgt uit de parlementaire geschiedenis, zie hiervoor MvA II. Parl. Gesch. 3, p. 584, neerkomt op een afweging van persoonlijk en algemene belangen.

4.6.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de bevoegdheid van de rechtbank en het processtuk waarmee deze procedure had moeten worden ingeleid en de mogelijke verwijzing naar en de verdere behandeling door de sector kanton van deze rechtbank. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

BESLISSING

De rechtbank

1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 juni 2012 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder rechtsoverweging 4.6.,

2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.(L.B.