Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU9975

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
19.830155-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Blijkens recente jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem dient het in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht omschreven criterium beperkt te worden uitgelegd. Voor een misdrijf als hier bedoeld, is vereist dat de dreigende uiting is voorafgegaan, vergezeld, of gevolgd door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde.

Voor de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een gemaximeerde dan wel een niet gemaximeerde TBS maatregel acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat voornoemde veroordeling van veroordeelde (wegens de poging tot doodslag op [naam van zijn ex-echtgenote]) in een te ver verwijderd verband (ook in tijd) staat tot onderhavig misdrijf waarvoor de TBS is opgelegd (de bedreiging van [slachtoffer]) om voornoemde poging tot doodslag aan te merken als aan die bedreiging voorafgaand niet-verbaal agressief handelen. De rechtbank laat daarbij tevens meewegen de omstandigheid dat de poging tot doodslag niet gericht was op de persoon tegen wie de bedreiging, blijkens de bewezenverklaring, gericht was. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling niet is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e eerste lid Wetboek van Strafrecht. Derhalve is ingevolge dezelfde wettelijke bepaling de duur van de opgelegde maatregel beperkt tot vier jaar. Nu de maatregel is ingegaan op 21 november 2005, is de termijn van vier jaar inmiddels verstreken en staat de wet de gevorderde verlenging niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19/830155-04

Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 24 november 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

verblijfplaats: [naam kliniek],

[adres kliniek],

veroor¬deelde.

1. Gang van zaken

Veroordeelde werd bij arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 8 augustus 2005 ter beschikking gesteld onder voorwaarden. De termijn van de terbeschikkingstelling is gaan lopen op 21 november 2005.

Bij beschikking van deze rechtbank van 04 november 2008 werd alsnog de verpleging van overheidswege bevolen.

De termijn van deze terbeschikkingstelling is laatstelijk verlengd met twee jaren bij beslissing van deze rechtbank van 19 november 2009.

Onder dagtekening van 19 oktober 2011 heeft de officier van justitie bij de rechtbank een vordering ingediend tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met een jaar.

Ter openbare zitting van de raadkamer op 10 november 2011 zijn gehoord:

- de veroordeelde [naam veroordeelde], bijgestaan door zijn raadsman mr. E.J. de Mare, advocaat te Groningen,

- de heer [naam behandelaar], hoofd behandeling en psychotherapeut, verbonden aan voormelde kliniek, en

- de officier van justitie, mr. G. Souër.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken met betrekking tot de terbeschikkingstelling, waaronder het verlengingsadvies van [de kliniek] van 23 september 2011, het psychiatrisch onderzoek d.d. 6 september 2011 van de deskundige M.R. Weeda, en het psychologisch onderzoek d.d. 17 oktober 2011 van de deskundige I. van Asselt, die allen adviseren de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met één jaar te verlengen.

De raadsman heeft ter zitting betoogd dat in onderhavige zaak sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling. Onder verwijzing en overlegging van de arresten van het gerechtshof Arnhem van 30 mei 2011 (LJN: BQ6616) en van 25 juli 2011 (LJN: BR3759) en de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2011 heeft de raadsman de beëindiging van de TBS-maatregel bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat zal worden toegewerkt naar een spoedige beëindiging van de maatregel.

De officier van justitie heeft op basis van dezelfde jurisprudentie geconcludeerd dat er geen sprake is van een gemaximeerde TBS.

2. Motivering

De rechtbank stelt vast dat de terbeschikkinggestelde bij arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 8 augustus 2005 is veroordeeld ter zake van belaging, strafbaar gesteld bij artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, en bedreiging, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, welke beide feiten de grond hebben gevormd voor de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Tevens stelt de rechtbank vast dat is voldaan aan de vereisten van artikel 37a, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, nu de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van misdrijven omschreven in de artikelen 285 en 285b van het Wetboek van Strafvordering en bij de terbeschikkinggestelde ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, waarbij de algemene veiligheid van personen en goederen toepassing van de TBS-maatregel eisten.

Ingevolge het bepaalde in artikel 359 lid 7, van het Wetboek van Strafvordering dient in de uitspraak onder opgave van redenen aangegeven te worden of de TBS-maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Nu in het arrest hier geen overweging aan is gewijd, zal de rechtbank zelf dienen te beoordelen of er sprake is van een gemaximeerde dan wel niet gemaximeerde TBS-maatregel.

Blijkens recente jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem dient het in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht omschreven criterium beperkt te worden uitgelegd. Voor een misdrijf als hier bedoeld, is vereist dat de dreigende uiting is voorafgegaan, vergezeld, of gevolgd door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde.

In de onderhavige zaak heeft het gerechtshof aan veroordeelde de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd, waarbij onder meer is bewezenverklaard dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Deze bedreiging bestond onder meer uit het, tegen veroordeeldes ex-echtgenote [naam ex-echtgenote], uiten van zijn (veroordeeldes) voornemen om [slachtoffer], de nieuwe vriend van [veroordeeldes ex-echtgenote], de keel door te snijden dan wel die [slachtoffer] dood te schieten. Het gerechtshof heeft zich niet uitgelaten over de vraag of sprake is van een geval als bedoeld in artikel 359 lid 7, van het Wetboek van Strafvordering, maar wel (bij de strafmotivering) in aanmerking genomen dat veroordeelde in 2001 is veroordeeld voor (een ernstig en soortgelijk delict te weten) een poging tot doodslag op [zijn ex-echtgenote]. Daaraan ontleent de officier van justitie dat sprake is van de in artikel 38e eerste lid bedoelde uitzondering.

Voor de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een gemaximeerde dan wel een niet gemaximeerde TBS maatregel acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat voornoemde veroordeling van veroordeelde (wegens de poging tot doodslag op [naam van zijn ex-echtgenote]) in een te ver verwijderd verband (ook in tijd) staat tot onderhavig misdrijf waarvoor de TBS is opgelegd (de bedreiging van [slachtoffer]) om voornoemde poging tot doodslag aan te merken als aan die bedreiging voorafgaand niet-verbaal agressief handelen. De rechtbank laat daarbij tevens meewegen de omstandigheid dat de poging tot doodslag niet gericht was op de persoon tegen wie de bedreiging, blijkens de bewezenverklaring, gericht was. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling niet is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e eerste lid Wetboek van Strafrecht. Derhalve is ingevolge dezelfde wettelijke bepaling de duur van de opgelegde maatregel beperkt tot vier jaar. Nu de maatregel is ingegaan op 21 november 2005, is de termijn van vier jaar inmiddels verstreken en staat de wet de gevorderde verlenging niet toe.

3. Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.

Gegeven door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mrs. P.J. Duinkerken en F. Sieders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van de raadkamer op donderdag 24 november 2011, zijnde mrs. Fuhler en Duinkerken buiten staat deze uitspraak binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.