Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU9972

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
19.605348-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt dat aan verdachte is tenlastegelegd dat hij met behulp van een webcam en/of het internet zijn ontblote penis heeft laten zien aan [slachtoffer] en/of zich ten overstaan van die [slachtoffer] heeft afgetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank vallen voornoemde handelingen onder de delictsomschrijving van artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht, nu door die handelwijze een afbeelding van de realiteit wordt weergegeven door middel van een technisch hulpmiddel. De bedoeling van de wetgever is geweest personen beneden de leeftijd van 16 jaar te beschermen tegen ongewenste beïnvloeding die het gevolg kan zijn van de confrontatie met dergelijke beelden. Uitgaande van de bedoeling van de wetgever, is een restrictieve uitleg van dit artikel (en de delictsbestanddelen afbeelding of voorwerp) naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand liggend.

De tenlastelegging houdt mede in dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] jonger was dan zestien jaar. De verdediging heeft op dit punt aangevoerd dat verdachte niet wist dat [slachtoffer] 13 jaar oud was. Verdachte heeft in dit kader verklaard dat hij contact met [slachtoffer] heeft gelegd op een 18+ (webcam-)site [naam website] en dat hij er vanuit ging dat zij dus ouder was dan 18 jaar. Verdachte verklaart dat [slachtoffer] wel heeft gezegd dat zij 13 jaar was maar dat hij dat niet geloofde omdat zij telkens een andere leeftijd noemde. Verdachte verklaart dat de leeftijd (van 13 jaar) van [slachtoffer] deel uitmaakte van een rollenspel dat hij met haar speelde. De raadsvrouwe refereert zich met betrekking tot de vraag of verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] jonger was dan zestien jaar aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte had kunnen weten dat het met de leeftijd van [slachtoffer] niet goed zat juist omdat zij telkens een andere leeftijd noemde en gelet op de inhoud van de in het proces-verbaal opgenomen chatgesprekken.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onder “weten dat” mede dient te worden begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat. Het bestanddeel “weten dat” is bedoeld als een omschrijving van opzet en onder opzet is het voorwaardelijk opzet begrepen.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte, nu [slachtoffer] tegen hem gezegd heeft dat zij toen 13 jaar was, daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] nog geen 16 jaar was, en dat dus heeft geweten in de betekenis van artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.605348-11

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 20 december 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 6 december 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. C.C.N. Brens-Cats, advocaat te Emmen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 24 januari 2010 tot en met 1 april 2010 te [plaats delict] en/of te [plaats delict], althans in Nederland en/of in Duitsland, (telkens) een afbeelding en/of een voorwerp waarvan de vertoning schadelijk was te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, (telkens) heeft verstrekt en/of aangeboden en/of vertoond aan

de minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1996, van wie verdachte (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was dan zestien jaar, hebbende verdachte (telkens) met behulp van een webcam en/of het internet zijn ontblote penis laten zien aan die [slachtoffer] en/of zich ten overstaan van die [slachtoffer] afgetrokken;

art 240a Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Wilbrink acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bijzondere bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt dat aan verdachte is tenlastegelegd dat hij met behulp van een webcam en/of het internet zijn ontblote penis heeft laten zien aan [slachtoffer] en/of zich ten overstaan van die [slachtoffer] heeft afgetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank vallen voornoemde handelingen onder de delictsomschrijving van artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht, nu door die handelwijze een afbeelding van de realiteit wordt weergegeven door middel van een technisch hulpmiddel. De bedoeling van de wetgever is geweest personen beneden de leeftijd van 16 jaar te beschermen tegen ongewenste beïnvloeding die het gevolg kan zijn van de confrontatie met dergelijke beelden. Uitgaande van de bedoeling van de wetgever, is een restrictieve uitleg van dit artikel (en de delictsbestanddelen afbeelding of voorwerp) naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand liggend.

De tenlastelegging houdt mede in dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] jonger was dan zestien jaar. De verdediging heeft op dit punt aangevoerd dat verdachte niet wist dat [slachtoffer] 13 jaar oud was. Verdachte heeft in dit kader verklaard dat hij contact met [slachtoffer] heeft gelegd op een 18+ (webcam-)site [naam website] en dat hij er vanuit ging dat zij dus ouder was dan 18 jaar. Verdachte verklaart dat [slachtoffer] wel heeft gezegd dat zij 13 jaar was maar dat hij dat niet geloofde omdat zij telkens een andere leeftijd noemde. Verdachte verklaart dat de leeftijd (van 13 jaar) van [slachtoffer] deel uitmaakte van een rollenspel dat hij met haar speelde. De raadsvrouwe refereert zich met betrekking tot de vraag of verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] jonger was dan zestien jaar aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte had kunnen weten dat het met de leeftijd van [slachtoffer] niet goed zat juist omdat zij telkens een andere leeftijd noemde en gelet op de inhoud van de in het proces-verbaal opgenomen chatgesprekken.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onder “weten dat” mede dient te worden begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat. Het bestanddeel “weten dat” is bedoeld als een omschrijving van opzet en onder opzet is het voorwaardelijk opzet begrepen.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte, nu [slachtoffer] tegen hem gezegd heeft dat zij toen 13 jaar was, daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] nog geen 16 jaar was, en dat dus heeft geweten in de betekenis van artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht.

Bewijsmotivering

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- de aangifte van [aangeefster] , moeder van het slachtoffer, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat zij heeft ontdekt dat haar dochter op het internet contact had met een volwassen man genaamd [naam verdachte] en dat deze contacten seksueel van aard waren. Zij heeft eind februari 2010 een mailbericht naar verdachte gestuurd dat hij onmiddellijk op moest houden met contact te zoeken met haar dochter. Verdachte heeft op dit bericht niet gereageerd en de contacten zijn daarna doorgegaan;

- het proces-verbaal inhoudende het onderzoek aan de laptop van [slachtoffer] , mede inhoudende de uitgeschreven chatlogs waaruit blijkt dat verdachte contact heeft met [slachtoffer] en dat hij seksuele handelingen verricht voor de webcam en dat hij weet dat [slachtoffer] jonger was dan 16 jaar ;

- de bekennende verklaring van verdachte dat hij chat- en email-contact heeft gehad met [slachtoffer], dat er werd gepraat over seks, dat zij haar borsten heeft laten zien via de webcam, dat hij met zijn penis heeft zitten spelen en zich heeft afgetrokken voor de webcam, dat het is begonnen na 24 januari 2010 en ongeveer 2 maanden heeft geduurd, dat zij ongeveer 1 a 2 keer per week webcamsex hadden en dat [slachtoffer] heeft gezegd dat zij 13 jaar was.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 24 januari 2010 tot en met 1 april 2010 te [plaats delict] en te [plaats delict], (telkens) een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk was te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, heeft vertoond aan de minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboorteplaats] 1996, van wie verdachte wist dat deze jonger was dan zestien jaar, hebbende verdachte met behulp van een webcam en het internet zijn ontblote penis laten zien aan die [slachtoffer] en zich ten overstaan van die [slachtoffer] afgetrokken.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

Een afbeelding, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, vertonen aan een minderjarige van wie de dader weet dat deze jonger is dan zestien jaar, strafbaar gesteld bij artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsvrouwe van de verdachte, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 14 november 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van een (niet soortgelijk) misdrijf is veroordeeld, alsmede het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies d.d. 24 november 2011.

Verdachte heeft via een webcamverbinding aan een jong meisje van 13 jaar zijn penis laten zien en getoond dat hij zich aan het aftrekken was. Het behoeft geen nader betoog dat dergelijke gedragingen verwerpelijk zijn en dat confrontatie met dergelijke beelden een ongewenste beïnvloeding van jeugdige personen tot gevolg kan hebben. Het kan schadelijk zijn voor hun ontwikkeling en zij dienen dan ook hiertegen beschermd te worden.

Verdachte heeft aangegeven dat hij -achteraf- beseft dat hij fout heeft gehandeld. Hij benadrukt daarbij dat hij niet actief op zoek was naar contacten met minderjarigen.

De rechtbank komt, al het bovenstaande in ogenschouw nemend, tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie gevorderd en zal verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis indien deze werkstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 22c, 22d, 240a van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit 50 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter en mrs. A.L.J.M.A. Janssens en M. van der Veen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 20 december 2011. Zijnde

mr. Van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de daarvoor gestelde termijn mede te ondertekenen.