Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU6218

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
19.830229-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank komt met betrekking tot de strafoplegging tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Een deel van de straf zal voorwaardelijk worden opgelegd. De bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen geen klinische behandeling als bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830229-11

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 01 december 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte]

geboren te Emmen op [geboortedatum] 1976,

wonende [woonadres]

verblijvende in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 25 november 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. R.J.B. Caderius van Veen, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij in de periode van 19 tot en met 22 augustus 2011, te Emmen en/of Emmer-Compascuum, (althans) in de gemeente Emmen, [slachtoffer 1] en een of meer andere personen heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht en/of met brandstichting en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk [slachtoffer 1] (werkzaam bij schuldhulp [plaats]) (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd:"Ik ga er pistolen voor kopen" en/of "Iedereen die langs komt schiet ik dood" en/of "Ik ga het gas open zetten" en/of "Het maakt me niet uit dat anderen dan ook meegaan" en/of "Ik laat de boel ontploffen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2011 tot en met 23 augustus 2011, te Emmer-Compascuum, (althans) in de gemeente Emmen, een of meer wapens en/of munitie van categorie II en/of III, te weten (onder meer)

- een kogelgeweer en/of

- een gaspistool en/of

- een stroomstootwapen en/of

- een busje pepperspray en/of

- een (grote) hoeveelhe(i)d(en) kogelpatronen (te weten 20 stuks) voorhanden heeft gehad;

3. hij in de periode van 22 augustus 2010 tot en met 21 augustus 2011, te Emmer-Compascuum, in de gemeente Emmen, zonder erkenning één of meer wapens van categorie II en/of III, te weten (onder meer):

- een zelfbouw kanon en/of

- een zelfbouw voor ontploffing bestemde voorwerpen (twee zelfgebouwde explosieven) en/of

- een zelfbouw geweer, heeft vervaardigd en/of getransformeerd;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 22 augustus 2011, te Emmer-Compascuum, in de gemeente Emmen, een of meer wapens van categorie II en/of III, te weten (onder meer):

- een zelfbouw kanon en/of

- een zelfbouw voor ontploffing bestemde voorwerpen (twee zelfgebouwde explosieven) en/of

- een zelfbouw geweer, voorhanden heeft gehad;

4. hij op of omstreeks 22 augustus 2011, te Emmer-Compascuum, in de gemeente Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan [adres], aldaar), ongeveer 67 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5. hij in of omstreeks de periode van 1 december 2010 tot en met 31 juli 2011, te Roswinkel, in de gemeente Emmen, (in elk geval) in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, hierin bestaande dat verdachte,

- vele malen telefonisch contact met die [slachtoffer 2] heeft gezocht/opgenomen tegen zijn wil en/of - (meermalen) die [slachtoffer 2] bij zijn woning heeft opgezocht en/of

- (meermalen) met een laserpen, althans een lichtgevend voorwerp, in de woning van die [slachtoffer 2] heeft geschenen en/of

- een doodskop, althans een stenen voorwerp, en/of brieven gericht aan [slachtoffer 2] en/of zijn partner, bij zijn woning heeft achtergelaten;

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Kromdijk acht hetgeen onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 10 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarden toezicht van de reclassering en opname in Hoeve Boschoord of soortgelijke instelling voor maximaal 2 jaren;

* onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen;

* het ad informandum gevoegd feit betrekken in de strafoplegging.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Ontvankelijkheid officier van justitie met betrekking tot feit 5

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde feit het volgende.

Onder 5 wordt verdachte verweten dat hij [slachtoffer 2] heeft belaagd in de periode van 1 december 2010 tot en met 31 juli 2011. In artikel 285b lid 2 Sr wordt bepaald dat de vervolging niet plaatsvindt dan op klacht van hem tegen wie de belaging is begaan.

De rechtbank constateert dat bedoelde klacht niet bij het dossier is gevoegd. Op grond hiervan neemt de rechtbank aan dat die klacht niet is gedaan.

Ook uit de aangifte van [slachtoffer 2] leidt de rechtbank niet af dat [slachtoffer 2] de strafvervolging van verdachte wenste. De aangifte was eerder bedoeld om het hinderlijke gedrag van verdachte te laten stoppen. Dat laatste herhaalt [slachtoffer 2] in zijn slachtofferverklaring.

Nu niet is gebleken dat [slachtoffer 2] de vervolging van verdachte heeft verzocht door het doen van een klacht zal de officier van justitie niet ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van verdachte voor het onder 5 tenlastegelegde feit.

Vrijspraak

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat verdachte de in de ten laste gelegde eerstgenoemde uitlating heeft gedaan. Hoewel die - op zichzelf beschouwd - niet zonder meer bedreigend is, heeft zij dat karakter gelet op de samenhang met de omstandigheden van het geval zoals daarvan uit het dossier blijkt, naar het oordeel van de rechtbank wel. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, nu de bedreigende uiting niet rechtstreeks op aangeefster [slachtoffer 1] betrekking had, bij haar daardoor niet de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat een in art. 285 Sr genoemd misdrijf waarmee bedreigd werd, ook daadwerkelijk tegen haar gepleegd zou worden (vgl. HR 18 april 2006, NJ 2006, 397).

Met betrekking tot de niet nader omschreven in de tenlastelegging genoemde 'personen' overweegt de rechtbank het volgende. Naar huidige rechtspraak is voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig in art. 285 Sr genoemd misdrijf niet vereist dat het misdrijf is gericht tegen degene tegen wie de uiting is gedaan. Het door art. 285 Sr beschermde rechtsbelang, de persoonlijke vrijheid, kan ook op het spel staan ingeval het misdrijf waarmee wordt bedreigd, is gericht tegen een ander dan degene jegens wie de bedreiging is geuit. Een dergelijke bedreiging kan immers een inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van degene jegens wie de bedreiging is geuit die vergelijkbaar is met een bedreiging die op hem zelf betrekking zou hebben gehad (HR 25 januari 2011, NJ 2011, 224). De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de tegen andere 'personen' gerichte uiting een vergelijkbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid van aangeefster oplevert als een bedreiging die op haar zelf betrekking heeft. De rechtbank is van oordeel dat, nu de in de tenlastelegging genoemde personen niet nader zijn omschreven, niet gesproken kan worden van een voldoende nauwe relatie tussen aangeefster en de niet nader omschreven personen tegen wie het misdrijf waarmee bedreigd is, zich kennelijk richtte. Derhalve kan de tenlastegelegde bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht van meerdere personen naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden, als gevolg waarvan de rechtbank de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging onder 1 vrijspreekt.

Met betrekking tot de overige in de tenlastegelegde genoemde uitingen overweegt de rechtbank dat, nu verdachte ter zitting ontkend heeft die gedaan te hebben, onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring ter zake van bedreiging te komen. Van die onderdelen van het onder 1 tenlastegelegde dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken.

Bewijsmotivering

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2. hij in de periode van 22 augustus 2011 tot en met 23 augustus 2011, te Emmer-Compas-cuum, wapens en munitie van categorie II en/of III, te weten (onder meer)

- een kogelgeweer en

- een gaspistool en

- een stroomstootwapen en

- een busje pepperspray en

- een hoeveelheid kogelpatronen (te weten 20 stuks) voorhanden heeft gehad;

3. hij in de periode van 22 augustus 2010 tot en met 21 augustus 2011, te Emmer-Compascuum, in de gemeente Emmen, zonder erkenning wapens van categorie II en/of III, te weten (onder meer):

- een zelfbouw kanon en

- een zelfbouw voor ontploffing bestemde voorwerpen (twee zelfgebouwde explosieven) en

- een zelfbouw geweer, heeft vervaardigd;

4. hij op 22 augustus 2011, te Emmer-Compascuum, in de gemeente Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres], aldaar, ongeveer 67 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 2, 3 primair en 4 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 2: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of III, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie;

onder 3: handelen in strijd met artikel 9 lid 1 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie;

onder 4: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 23 november 2011, opgemaakt door J.M. Westenbroek, psychiater.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -:

" Bij verdachte is er sprake van een lichte zwakzinnigheid. Ook heeft verdachte een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anders omschreven) met paranoïde en antisociale trekken. Daarnaast is sprake van misbruik van middelen, te weten speed en cannabis. Verdachte werd daarbij beïnvloed door chronische pijnklachten.

Hiervan was ook sprake gedurende de tenlastegelegde feiten.

Verdachte werd dusdanig door zijn lichte zwakzinnigheid en afhankelijkheid van middelen beïnvloed dat hieruit zijn gedragskeuzes ten tijde van de tenlastegelegde feiten deels verklaard kunnen worden.

Verdachte begrijpt door zijn beperkte intelligentie en zijn persoonlijkheidsstoornis NAO weinig van de wereld om hem heen. Hij heeft het gevoel voortdurend te kort gedaan te worden en reageert hij wantrouwend op zijn omgeving. Verdachte overziet de handelingen en bedoelingen van anderen niet en is voordurend bang deze hem bedriegen. Daarbij is verdachte beperkt in zijn manier om genuanceerd te reageren. In de periode rond het tenlastegelegde gebruikte verdachte speed en cannabis. Hierdoor nam het wantrouwen ten opzichte van de wereld om hem heen toe en nam de remming af.

De wereld met al zijn wetten en regels en hun nut is voor verdachte niet te begrijpen. Verdachte creëert daarom zijn eigen leefwereld waarin het lastig is om zich te willen houden aan regelgeving. Ook hierbij speelt zijn lichte zwakzinnigheid en zijn persoonlijkheids-stoornis NAO een grote rol.

Verdachte wordt in zijn doen en laten, en zijn denken, ernstig beïnvloed door zijn beperkte intelligentie, zijn middelengebruik en zijn persoonlijkheidsstoornis NAO. Zijn overzichts-problemen en wantrouwen, versterkt door het gebruik van speed en cannabis, zorgden ervoor dat hij in ernstige mate niet overzag welke impact zijn dreigementen voor een effect hadden op zijn omgeving. Daarbij is hij op dit moment nog niet in staat om op een andere manier dan de huidige te reageren op situaties die hij niet begrijpt en bedreigend voor hem zijn. Verdachte is dan ook sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten. "

De verdachte is eveneens onderzocht door de psycholoog H.A. Feringa, deze komt in zijn rapport van 21 november 2011 tot eenzelfde mate van toerekenbaarheid.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusies en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in sterk verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte een aantal wapens, munitie en explosieven in zijn bezit heeft gehad. Daarnaast had verdachte een hoeveelheid hennep in zijn bezit.

Het gaat hier om ernstige feiten. Het feit dat verdachte de wapens mogelijk als hobby in zijn woning aanwezig heeft gehad doet aan de ernst van de feiten niet af. Door het experimen-teren met het maken van explosieven was er immers direct gevaar voor verdachte en eventueel bij hem aanwezige personen. Ook was er gevaar voor de directe omgeving van verdachte.

Over de hennep heeft verdachte verklaard dat deze voornamelijk voor eigen gebruik bestemd was. Echter heeft verdachte ook verklaard dat hij de hennep wel deelde met anderen. Op die wijze heeft verdachte (in geringe mate) het softdrugscircuit in stand gehouden.

De officier van justitie heeft de rechtbank voorgesteld om een gevangenisstraf op te leggen van 10 maanden waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk, voor de door haar bewezen geachte feiten. Met name met betrekking tot de feiten 1 en 5 heeft de officier aansluiting gezocht bij de over verdachte uitgebrachte rapporten van de psychiater en psycholoog. Als bijzondere voorwaarde heeft de officier gevorderd dat verdachte een klinische behandeling zal ondergaan.

De raadsman heeft zich namens zijn cliënt op het standpunt gesteld dat een ambulante behandeling is aangewezen. Verdachte weet dat hij hulp nodig heeft maar hij staat zeer afwijzend tegenover een klinische opname. Op die wijze zou verdachte naar zijn idee nog veel langer van zijn vrijheid beroofd blijven.

Aangaande de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 12 september 2011 waaruit blijkt dat verdachte recentelijk niet is veroordeeld.

De rechtbank laat meewegen dat verdachte met de bij hem aangetroffen wapens op zich niet veel heeft gedaan en daarmee geen kwade bedoelingen had.

Ook houdt de rechtbank rekening met de ter zitting gedane erkenning door de verdachte dat hij zich aan het op de dagvaarding ad-informandum gevoegde feit heeft schuldig gemaakt, welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. Het onvoorwaardelijk deel zal de rechtbank gelijk stellen aan het aantal dagen dat verdachte tot op heden in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en een behandeling bij de AFPN koppelen.

De rechtbank komt met betrekking tot de strafoplegging tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Een deel van de straf zal voorwaardelijk worden opgelegd. De bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen geen klinische behandeling als bijzondere voorwaarde.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de strafbaarheid van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte in het kader van de bijzondere voorwaarde een op hem afgestemde behandeling dient te ondergaan zodat verdachte zich (op zijn niveau) beter staande kan houden in de maatschappij en die maatschappij beter leert te begrijpen waardoor hij mogelijk minder geïsoleerd zal raken.

De rechtbank verwacht dat de behandeling van verdachte langdurig zal zijn en zal daarom de proeftijd bepalen op drie jaren.

Motivering van de maatregel onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de hierna te vermelden in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezen verklaarde feiten onder 2 en 3 primair zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte met betrekking tot hetgeen onder 5 is tenlastegelegd.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2, 3 primair en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

* gevangenisstraf voor de duur van 180 DAGEN waarvan een gedeelte groot 78 DAGEN voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, hetgeen mede inhoudt dat de verdachte zich dient te laten behandelen bij de AFPN (of soortgelijke instelling), met opdracht aan voormelde instelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende in beslag genomen voorwerpen:

- 1 pistool (gedemonteerde kast van een gaspistool;

- 1 geweer, zelfbouw op geweer lijkend voorwerp;

- 1 geweer, zelfbouw op geweer lijkend voorwerp;

- 1 wapen (onbekend voorwerp bestaande uit kraanstuk en rvs pijp);- 1 wapen (onbekend voorwerp zelfbouw afvuurmechanisme met haan);

- 2 plaatjes met 5 gaten met daarin 2 gasbussen Butaan;

- 1 plastic fles ontstopper afgeplakt met tape;

- 1 wapen, zelfbouw op kanon gelijkend voorwerp;

- 1 geweer, merk pieper België. Kogelgeweer, serienr. 05964, kaliber 22LR;

- 1 wapen, zelfbouw geluiddemper;

- 1 tekening van zelfbouw;

- 1 doos munitie CCI. 30 kogelpatronen 22 LR + 1 knalpatroon;

- 3 plastic zakjes met onbekende inhoud;

- 1 pistool Crossman ALL, balletjes pistool geschikt voor afdreiging;

- 2 stk wapen, zelfgebouwde explosieven (IED's);

- 1 wapen, zelfgemaakt explosief in groene koffer.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. F. Sieders, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 01 december 2011.

Parketnummer: 19.830229-11

Uitspraak d.d.: 01 december 2011 8

vonnis