Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU5882

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-09-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
88313 / HA RK 11-144
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Uitspraken in eerdere procedures geen grond voor vrees voor ontbreken onpartijdigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2926
V-N 2012/13.26.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK ASSEN

wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 88313/HA RK 11-144

Beslissing van de meervoudige kamer op het mondeling verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht

in de zaak van

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

verschenen in persoon.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van wraking van 12 augustus 2011, waaruit blijkt dat verzoeker

[de rechter], rechter in deze rechtbank, wenst te wraken;

- de brief van [de rechter] van 16 augustus 2011;

- de mondelinge behandeling van de wrakingskamer van 14 september 2011.

1. Het standpunt van verzoeker

Blijkens het proces-verbaal van wraking heeft verzoeker aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij in zijn algemeenheid geen vertrouwen heeft in de rechtbank Assen en in het bijzonder geen vertrouwen in [de rechter] gezien het verleden.

2. Het standpunt van [de rechter]

[de rechter] heeft in haar brief van 16 augustus 2011 aangegeven dat zij niet berust in de wraking en niet gehoord wenst te worden. Voor een reactie op het verzoek heeft zij verwezen naar de stukken.

3. De beoordeling

Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank niet een uitzonderlijke omstandigheid op die in casu zodanige vrees met betrekking tot vooringenomenheid van de rechter kan rechtvaardigen. Evenmin geven zij grond te vrezen dat het de rechter wier wraking wordt verzocht aan onpartijdigheid ontbreekt noch is de schijn van partijdigheid voor verzoekende partij gewekt.

De wrakingskamer stelt vast dat de door verzoeker in zijn wrakingsverzoek en ter zitting nader toegelichte gronden voor wraking zeer algemeen gesteld zijn en hoofdzakelijk betrekking hebben op procedures die verzoeker eerder in het verleden bij deze rechtbank heeft gevoerd en die zijn geƫindigd met een uitspraak. Het feit dat deze zaken voor eiser negatief zijn afgelopen en hij daarom het vertrouwen in zijn algemeenheid in deze rechtbank en in het bijzonder in [de rechter] heeft verloren vanwege haar eerdere betrokkenheid bij een van deze zaken, geeft geen grond te vrezen dat het deze rechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt. Het enkele feit dat [de rechter] eerder een voor verzoeker ongunstige uitspraak heeft gedaan in een zaak, waarin aldus verzoeker nadien door zijn wederpartij is toegegeven dat meineed is gepleegd, brengt niet met zich mee dat deze rechter in de thans aan de orde zijnde zaak tussen eiser en de Belastingdienst niet tot een objectief oordeel zou kunnen komen.

In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de wrakingskamer geen aanleiding om te oordelen dat [de rechter] bij de behandeling van de zaak blijk heeft gegeven van enige partijdigheid ten gunste of ten nadele van een van de procespartijen of dat zij haar oordeel al zou hebben gevormd. Ook uit de toelichting die verzoeker op de zitting van de wrakingskamer heeft gegeven, blijkt hier niet van. De stellingen van verzoeker zijn onvoldoende onderbouwd en niet op de persoon van [de rechter] gericht.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot wraking worden afgewezen.

De beslissing

De wrakingskamer:

1. Wijst het verzoek tot wraking af.

2. Bepaalt dat de behandeling van de zaken waarin is verzocht tot wraking van [de rechter] voornoemd (geregistreerd onder nummers AWB 10/417 en 10/419), voortgezet kan worden in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

3. Beveelt dat de griffier onmiddellijke mededeling van deze beslissing doet aan verzoeker, de rechter [de rechter] en de Belastingdienst.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. A. van der Meer (voorzitter), H. Wolthuis en

M.E. van Rossum, bijgestaan door mr. M.B.A. Mensink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2011.