Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU5761

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
86450 - HA ZA 11-314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stelplicht ten aanzien van de feitelijk aan een belastingconsulent verweten tekortkoming. Eiser onderbouwt zijn vordering onvoldoende met feiten, zodat vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-2979

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 86450 / HA ZA 11-314

Vonnis van 16 november 2011

in de zaak van

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.J. Gevers te Assen,

tegen

[Gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. N.E.N. de Louwere.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 juli 2011, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De rechtbank zal bij de beoordeling uitgaan van de navolgende feiten die tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende zijn betwist, vaststaan.

2.2. [eiser] handelt in nieuwe en gebruikte sieraden. In verband met deze handel importeert hij sieraden, onder meer uit de Verenigde Staten. [gedaagde] is belastingconsulent.

2.3. Tussen partijen is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen op grond waarvan [gedaagde] onder meer de administratie voor [eiser] heeft verzorgd en jaarrekeningen heeft samengesteld.

2.4. De Belastingdienst heeft de aanvaardbaarheid onderzocht van de aangiften IB/PVV en omzetbelasting van [eiser]. Het van dat onderzoek op 28 september 2009 opgestelde controlerapport leidt tot een op 27 mei 2010 gedateerde naheffingsaanslag ter grootte van € 76.934,00.

3. Het geschil

3.1. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten vordert [eiser], verkort weergegeven, een verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten en dat hij aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende, nader bij staat op te maken schade. Ook vordert [eiser] dat de rechtbank [gedaagde] in de kosten van deze procedure veroordeelt. Daartoe stelt [eiser], samengevat weergegeven, dat [gedaagde] in de jaren 2005 tot en met 2008 als belastingadviseur en administratiekantoor zijn boekhouding heeft verzorgd en dat [gedaagde] voor hem de aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Volgens

[eiser] blijkt uit het rapport van de Belastingdienst dat [gedaagde] daarbij ernstige toerekenbare fouten heeft gemaakt. Daardoor heeft [eiser] schade geleden, onder meer omdat hij te lage marges heeft gehanteerd bij de verkoop van sieraden.

3.2. Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering en veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. [gedaagde] betwist daartoe dat hij van [eiser] opdracht heeft gekregen hem te adviseren over de fiscale gevolgen van de import van sieraden. [gedaagde] stelt dat hij daarover ook geen advies heeft gegeven. [gedaagde] stelt in dat verband verder dat hij ook geen opdracht heeft gekregen om aangiften omzetbelasting te doen. [gedaagde] stelt dat hij die aangiften ook niet heeft gedaan, met uitzondering van een suppletieaangifte voor het jaar 2007. [gedaagde] voert verder aan, samengevat weergegeven, dat hij bij zijn werkzaamheden steeds is uitgegaan van de feitelijke informatie die

[eiser] hem heeft verstrekt. [gedaagde] stelt dat uit het onderzoek van de Belastingdienst blijkt dat de vastgestelde tekortkomingen niet aan [gedaagde] kunnen worden verweten.

3.3. Op de stellingen van partijen voor zover die van belang zijn, wordt hierna ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om het volgende. [gedaagde] verzorgt voor [eiser] diens administratie, stelt voor hem jaarrekeningen samen en bereidt voor hem de aangifte IB/PVV voor. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] ook voor hem de aangifte omzetbelasting gedaan en heeft [gedaagde] daarbij ernstige fouten gemaakt, doordat [gedaagde] een onjuist advies heeft gegeven over de toepasselijkheid van de zogeheten margeregeling op de inkoop van sieraden. Daardoor is te weinig omzetbelasting afgedragen. Dit heeft geleid tot een naheffingsaanslag. [eiser] ervaart dat hij door het onjuiste advies over de toepasselijkheid van de margeregeling schade lijdt, doordat hij bij de verkoop van zijn producten een te lage verkoopprijs heeft gehanteerd. Het verweer van [gedaagde] valt in de kern genomen in drie onderdelen uiteen. [gedaagde] betwist de gestelde opdracht en dat hij advies heeft gegeven. Bovendien betwist [gedaagde] dat hij de aangiften omzetbelasting voor [eiser] heeft gedaan.

4.2. Voor de rechtbank staat in de eerste plaats te beoordelen of voor bewijs vatbare feiten zijn gesteld waaruit volgt dat [gedaagde] als opdrachtnemer heeft gehandeld in strijd met wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.

4.3. Als de rechtbank het daarop gerichte verweer buiten beschouwing laat en er van uitgaat dat een zodanig ruime opdracht aan [gedaagde] is gegeven dat het op diens weg lag te adviseren met betrekking tot de toepasselijkheid van de margeregeling, rijst de vraag uit welke door [eiser] gestelde feiten volgt dat [gedaagde] tekort is geschoten.

4.4. [eiser] stelt in de dagvaarding:

In het kader van een door de Belastingdienst ingesteld boekenonderzoek heeft [eiser] moeten vaststellen dat [gedaagde] ten aanzien van de door hem namen [eiser] gedane aangiften omzetbelasting ernstige fouten heeft gemaakt over de jaren 2005 tot en met 2008 en dat het door [gedaagde] verstrekte advies inhoudende dat de import vanuit de Verenigde Staten onder margeregeling viel onjuist was.

4.5. De rechtbank oordeelt dat de enkele omstandigheid dat een (eventueel door [gedaagde] gegeven) advies onjuist is, niet zonder meer met zich brengt dat er sprake is van enig tekortschieten. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist die inzichtelijk maken waarom dat advies in de gegeven omstandigheden door een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot van [gedaagde] niet zou zijn gegeven. Die bijkomende omstandigheden zijn niet gesteld.

4.6. Voor zover in de dagvaarding aan de vordering een verdere onderbouwing wordt gegeven doordat ook wordt gesteld:

[gedaagde] heeft in de jaren 2005 tot en met 2008 als belastingadviseur en administratiekantoor zorg gedragen voor de boekhouding van [eiser] en heeft in dit verband zorg gedragen voor de aangiften omzetbelasting en het opstellen van de jaarrekeningen. Blijkens het rapport van de Belastingdienst d.d. 29 september 2009 en de overige hiervoor in de procedure gebrachte stukken heeft [gedaagde] hierbij ernstige toerekenbare fouten gemaakt.

kan dat [eiser] niet baten. Daarvoor is redengevend dat [eiser] zijn stellingen niet nader uitwerkt. Waarom uit het rapport van de Belastingdienst kan blijken van een ernstige toerekenbare fout, licht [eiser] niet toe. [eiser] expliciteert evenmin op welke overige stukken hij doelt en waarom die stukken de door hem betrokken stellingen kunnen onderbouwen. De rechtbank overweegt dat een feitelijke grondslag voor een vordering niet kan worden gecreëerd door slechts te verwijzen naar producties (vergelijk HR 7 december 1990, NJ 1991, 216). Van een partij mag worden gevergd dat hij expliciteert wat als feitelijke grondslag van zijn vordering heeft te gelden. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank dat [eiser] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

4.7. De rechtbank is al met al van oordeel dat [eiser] zijn vordering onvoldoende met voor bewijs vatbare feiten heeft onderbouwd. Dit brengt met zich dat er geen termen zijn om [eiser] bewijs op te dragen; wie geen feiten stelt, kan niet tot het bewijs van feiten worden toegelaten. Aldus kan in deze procedure niet komen vast te staan dat [gedaagde] tekort is geschoten, zodat de daarop gebaseerde vordering moet worden afgewezen.

4.8. De rechtbank zal [eiser] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 258,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.162,00.

BESLISSING

De rechtbank

1. wijst de vorderingen af,

2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.162,00,

3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.?