Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU4653

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
19/605768-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel verdachte geen behoefte heeft aan contact met de reclassering en hij vindt dat hij geen begeleiding of toezicht nodig heeft, zal de rechtbank in het kader van de voorwaardelijke vrijheidsstraf niettemin aan verdachte de bijzondere voorwaarde opleggen dat hij zich dient te houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank immers is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat er een relatie bestaat tussen het alcoholgebruik van verdachte en diens delictgedrag, hoewel verdachte deze relatie nog steeds ontkent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.605768-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 november 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 01 november 2011.

De verdachte is verschenen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 30 april 2010 te Klazienaveen, gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet (meermalen) heeft geschopt/getrapt in het gezicht en/of tegen het hoofd van [slachtoffer 1], terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 30 april 2010 te Klazienaveen, gemeente Emmen, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Jhr. M.W.C. de Jongestraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit: - het achterover trekken, althans omver trekken van deze [slachtoffer 1], waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam, en/of - (meermalen) slaan/stompen in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer 1], terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond lag, en/of - (meermalen) schoppen/trappen tegen het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer 1] terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond lag, waarbij hij, verdachte, (meermalen) in het gezicht, althans tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft getrapt/geschopt en/of (meermalen) in het gezicht van [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 30 april 2010 te Klazienaveen, gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet (meermalen) heeft geschopt/getrapt in het gezicht en/of tegen het hoofd van [slachtoffer 2], terwijl deze [slachtoffer 2] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 30 april 2010 te Klazienaveen, gemeente Emmen, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Jhr. M.W.C. de Jongestraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit (meermalen) (met kracht) slaan op het hoofd van [slachtoffer 2], en/of het achterover trekken, althans omver trekken van [slachtoffer 2], waardoor deze [slachtoffer 2] ten val kwam, en/of (meermalen) trappen/schoppen in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van [slachtoffer 2], terwijl deze [slachtoffer 2] op de grond lag, en/of (meermalen) slaan/stompen tegen het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer 2], terwijl deze [slachtoffer 2] op de grond lag, waarbij hij, verdachte, (meermalen) in het gezicht, althans tegen het hoofd van [slachtoffer 2] heeft getrapt/geschopt en/of (meermalen) in het gezicht van [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of gestompt, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 30 april 2010 te Klazienaveen, gemeente Emmen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]), (met kracht) in haar gezicht althans tegen haar hoofd heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. G. Wilbrink, acht hetgeen onder 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, onder aftrek van voorarrest, en twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Voorts niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn vordering, nu deze vordering onvoldoende is onderbouwd, en integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], tevens in de vorm van een schadevergoedings-maatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 1. primair en onder 2. primair tenlastegelegde telkens te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit, evenals de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht met name telkens niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht en tegen het hoofd heeft geschopt.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 30 april 2010 te Klazienaveen, gemeente Emmen, met anderen op de openbare weg, Jhr. M.W.C. de Jongestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het achterover trekken van deze [slachtoffer 1], waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam, en meermalen slaan in het gezicht en tegen het hoofd van [slachtoffer 1], terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond lag en schoppen tegen het lichaam van [slachtoffer 1] terwijl deze op de grond lag;

2.

hij op 30 april 2010 te Klazienaveen, gemeente Emmen, met anderen op de openbare weg, Jhr. M.W.C. de Jongestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit meermalen met kracht slaan op het hoofd van [slachtoffer 2] en het achterover trekken van [slachtoffer 2], waardoor deze [slachtoffer 2] ten val kwam en schoppen tegen het lichaam van [slachtoffer 2], terwijl deze op de grond lag en meermalen slaan tegen het hoofd van [slachtoffer 2], terwijl deze [slachtoffer 2] op de grond lag;

3.

hij op 30 april 2010 te Klazienaveen, gemeente Emmen, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 3], in haar gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De verdachte zal van het onder 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. meer of anders tenlaste-gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank acht met name niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toen zij op de grond lagen, meermalen tegen het hoofd heeft geschopt.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1. subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,

strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2. subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,

strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 3.: mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 11 oktober 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van geweldsmisdrijven is veroordeeld.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op Koninginnedag 2010 te Klazienaveen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Beide mannen zijn daarbij behoorlijk toegetakeld. Verder heeft verdachte [slachtoffer 3] mishandeld door haar in het gezicht te slaan.

De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan.

Verdachte is blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 oktober 2011 eerder veroordeeld wegens geweldpleging: op 21 maart 2008 veroordeelde de politierechter in deze rechtbank hem wegens openlijke geweldpleging, op 30 juni 2008 volgde een veroordeling voor mishandeling en op 15 maart 2010 werd hij wegens medeplegen van poging tot zware mishandeling veroordeeld. De rechtbank houdt hier bij het bepalen van de strafmaat rekening mee.

Naar het oordeel van de rechtbank doet een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden aantal uren en een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur voldoende recht aan de ernst en de impact van de bewezen geachte feiten.

Hoewel verdachte geen behoefte heeft aan contact met de reclassering en hij vindt dat hij geen begeleiding of toezicht nodig heeft, zal de rechtbank in het kader van de voorwaardelijke vrijheidsstraf niettemin aan verdachte de bijzondere voorwaarde opleggen dat hij zich dient te houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank immers is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat er een relatie bestaat tussen het alcoholgebruik van verdachte en diens delictgedrag, hoewel verdachte deze relatie nog steeds ontkent.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank acht de gevorderde bedragen onvoldoende onderbouwd, nu noch van de inkomstenderving ([slachtoffer 1] is zelfstandig ondernemer), noch van de aanschaf van een nieuw horloge bewijsstukken zijn overgelegd. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en hij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 2. subsidiair bewezen geachte feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair en 2. primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. tenlaste-gelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

• gevangenisstraf voor de duur van één maand, maar geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en

• een taakstraf bestaande uit 240 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens Verslavingszorg Noord Nederland (VNN), hetgeen mede kan inhouden dat de verdachte zich ambulant zal laten behandelen bij VNN, waarbij de duur van de behandeling gedurende de proeftijd wordt bepaald door VNN en de reclassering.

De rechtbank geeft opdracht aan genoemde reclasseringsinstelling ingevolge art.14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van de som van € 528,24 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil, met dien verstande dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.

De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], een bedrag van € 528,24 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door tien dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, en dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.

Verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, en mr. F. Sieders en mr. M. van der Veen, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 15 november 2011.

Mr. Van der Veen is buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.