Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU4646

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
19/830201-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat het hier zeer ernstige feiten betreft. Verdachte heeft zich er geen rekenschap van gegeven dat door zijn handelen gevaar voor de rietgedekte woonboerderij van zijn ouders en zelfs levensgevaar voor zijn ouders, die tijdens de brandstichtingen thuis waren, had kunnen ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830201-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 november 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende [adres],

thans gedetineerd in [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 01 november 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. G.H. Thasing, advocaat te Emmen.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

(blz. 106 e.v.)

hij op of omstreeks 30 juli 2011, te Gasteren, althans in de gemeente Aa en Hunze, opzettelijk en wederrechtelijk een coniferenheg, althans een of meer conife(e)r(en) die deel uitmaakte(n) van die heg, staande op/bij de erfafscheiding tussen [perceel] en [perceel], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, (door middel van vuur) heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

(blz. 182 e.v.)

hij op of omstreeks 29 juli 2011, te Gasteren, althans in de in de gemeente Aa en Hunze, opzettelijk brand heeft gesticht in/op/aan een houtopslag/houtstapel en/of een spoorbiels, (in een schuur, staande op of aan/nabij [perceel]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (met behulp van een of meer aanmaakblokje(s) en/of een aansteker) die houtopslag/houtstapel en/of die spoorbiels in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht en/of laten komen met enig in/op/aan die schuur aanwezig brandbaar materiaal, ten gevolge waarvan die schuur en/of die houtopslag/houtstapel en/of die spoorbiels geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of (een) zich in die schuur bevindend(e) goed(eren) (onder meer een auto) en/of voor een op korte afstand van die schuur staande (rietgedekte) woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) zich in die woning bevindend(e) perso(o)n(en) en/of zich in de (directe) nabijheid van die schuur bevindend(e) perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

3.

(blz. 215 e.v.)

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2011 tot en met 23 juli 2011, te Gasteren, althans in de gemeente Aa en Hunze, opzettelijk brand heeft gesticht in/op/aan een of meer conife(e)r(en), (staande op/aan/nabij het [perceel]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (met behulp van een of meer aanmaakblokje(s) en/of een aansteker), die conife(e)r(en) in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht en/of laten komen met die conife(e)r(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die conife(e)r(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (een) zich in de (directe) nabijheid van die conife(e)r(en) bevindende (rietgedekte) woning en/of schuur en/of tuinhuisje(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) zich in die woning bevindend(e) perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

4.

(blz. 231 e.v.)

hij in of omstreeks de periode van 4 juli 2011 tot en met 5 juli 2011, te Gasteren, althans in de in de gemeente Aa en Hunze, opzettelijk brand heeft gesticht in/op/aan een schuur (staande op of aan/nabij het [perceel]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in/op/aan die schuur met behulp van een een aansteker een hoeveelheid stro en/of bitumen en/of een deur in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht en/of laten komen met enig in/op/aan die schuur aanwezige brandbaar materiaal, ten gevolge waarvan die schuur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of de zich in die schuur bevindende goed(eren) en/of voor een op korte afstand van die schuur staande (rietgedekte) woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) zich in die woning bevindend(e) perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. S. Kromdijk, acht hetgeen onder 1. tot en met 4. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: 24 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, waaronder een meldingsgebod en behandeling door de AFPN.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1. tot en met 4. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

(blz. 106 e.v.)

hij op 30 juli 2011, te Gasteren opzettelijk en wederrechtelijk coniferen die deel uitmaakten van een heg, staande op de erfafscheiding tussen [perceel] en [perceel], toebehorende aan [benadeelde], door middel van vuur heeft beschadigd;

2.

(blz. 182 e.v.)

hij op 29 juli 2011, te Gasteren opzettelijk brand heeft gesticht in een houtopslag in een schuur, staande aan [perceel], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met behulp van aanmaakblokjes en een aansteker die houtopslag in brand gestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en zich in die schuur bevindende goederen (onder meer een auto) en voor een op korte afstand van die schuur staande rietgedekte woning en levensgevaar voor zich in die woning bevindende personen te duchten was;

3.

(blz. 215 e.v.)

hij in de periode van 22 juli 2011 tot en met 23 juli 2011 te Gasteren opzettelijk brand heeft gesticht aan coniferen, staande op [perceel], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met behulp van aanmaakblokjes en een aansteker, die coniferen in brand gestoken, ten gevolge waarvan die coniferen gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een zich in de directe nabijheid van die coniferen bevindende schuur en tuinhuisjes, te duchten was;

4.

(blz. 231 e.v.)

hij in de periode van 4 juli 2011 tot en met 5 juli 2011 te Gasteren opzettelijk brand heeft gesticht aan een schuur staande op [perceel], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk aan die schuur met behulp van een aansteker een hoeveelheid stro in brand gestoken, ten gevolge waarvan die schuur is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en de zich in die schuur bevindende goederen en voor een op korte afstand van die schuur staande rietgedekte woning, en levensgevaar voor zich in die woning bevindende personen te duchten was.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1. tot en met 4. meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1.: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2.: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 3.: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4.: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 7 oktober 2011, opgemaakt door C.J.F. Kemperman, psychiater te Leek.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -: verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een aanpassingsstoornis gefundeerd op enige kwetsbaarheid in zijn geaardheid. Daarvan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde.

De stoornis beïnvloedde de keuzevrijheid van verdachte in die zin dat hij door een stress-reactie zijn eigen gedrag wat verminderd onder controle had. De toerekeningsvatbaarheid kan derhalve als enigszins verminderd worden gezien.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in enigszins verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van verdachte en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatie-register d.d. 11 oktober 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Verdachte heeft in korte tijd in het dorp Gasteren een aantal branden gesticht aan schuren en coniferen op het erf van zijn ouders. In één geval brandde een schuur volledig af. De brandstichtingen hebben voor veel onrust en angst onder de inwoners van Gasteren gezorgd. De rechtbank rekent de verdachte dat zwaar aan.

De rechtbank is van oordeel dat het hier zeer ernstige feiten betreft. Verdachte heeft zich er geen rekenschap van gegeven dat door zijn handelen gevaar voor de rietgedekte woonboerderij van zijn ouders en zelfs levensgevaar voor zijn ouders, die tijdens de brandstichtingen thuis waren, had kunnen ontstaan.

Voor dergelijke feiten worden over het algemeen langdurige onvoorwaardelijke gevangenis-straffen opgelegd.

Anderzijds betrekt de rechtbank in haar overwegingen dat verdachte niet heeft gehandeld uit een ziekelijke drang tot brandstichting maar uit een irreële angst dat een door hem voorgenomen bouwplan niet kon doorgaan. Verdachtes ouders waren van plan hun boerderij te verkopen. Verdachte, die achter de boerderij woont, zou een deel van het erf kopen, zodat hij daarop een schuur kon bouwen voor opslag van materialen. Van de gemeente had hij begrepen dat dit niet mogelijk was als niet eerst een deel van de oude bebouwing was afgebroken. Verdachte wilde daarom een schuur op het erf van zijn vader verwijderen om de bouw van die nieuwe schuur mogelijk te maken. Verdachtes vader wilde echter niets afbreken. Uit angst dat de bouw niet zou doorgaan, heeft verdachte de schuur door brandstichting willen beschadigen waardoor er voor zijn vader aanleiding zou zijn de schuur af te breken.

Ook de brandstichting aan de zogenaamde blikschuur moet in het licht van deze irreële angst worden bezien. De schuur zou worden afgebroken en verdachte wist niet waar hij met het haardhout heen moest. Hij heeft toen besloten de houtstapel in brand te steken.

De coniferen tenslotte moesten in het kader van de bouwplannen van verdachte ook worden verwijderd. Omdat de vader van verdachte die coniferen niet wilde verwijderen, besloot verdachte ze in brand te steken. De schade aan de bomen is gelukkig (zeer) beperkt gebleven.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat de detentie hem erg zwaar valt.

De rechtbank zal hier, gelet op de inhoud van de over verdachte uitgebrachte rapportages, weliswaar in belangrijke mate rekening mee houden maar met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest kan niet worden volstaan. Daarvoor zijn de feiten te ernstig.

De rechtbank acht een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te noemen duur gerechtvaardigd. Deze straf doet enerzijds recht aan de ernst en de impact van de bewezen geachte feiten maar houdt anderzijds rekening met de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de psychische belasting van de detentie. Daarenboven is het in het belang van verdachte dat hij spoedig met de behandeling van zijn problematiek begint. Ook dit laatste aspect heeft de rechtbank in de aan verdachte op te leggen vrijheidsstraf tot uitdrukking gebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. tot en met 4. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. tot en met 4. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan een gedeelte, groot acht maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland, hetgeen mede inhoudt dat de verdachte zich volgend op zijn vrijlating op [genoemde middagen] tussen 15:00 uur en 16:00 uur zal melden bij Reclassering Nederland op het adres [adres] en zich gedurende bepaalde perioden moet blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland dit gedurende deze perioden nodig acht en dat verdachte zich voor zijn problematiek zal laten behandelen door AFPN/LENTIS GGZ te Assen, of een gelijksoortig ander instituut.

De rechtbank geeft opdracht aan genoemde reclasseringsinstelling ingevolge art.14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, en mr. F. Sieders en mr. M. van der Veen, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 15 november 2011.

Mr. Van der Veen is buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.