Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU3885

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
324066 - EJ VERZ 11-5158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding onder toekenning van een vergoeding, gebaseerd op correctiefactor 1,5. Falende re-integratie zieke werkneemster. Handelen werkgeefster in strijd met goed werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0910
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 324066 \ EJ VERZ 11-5158

beschikking van de kantonrechter van 11 oktober 2011

in de zaak van

de stichting Stichting Klachtenbureau Luchtvaartterrein Eelde,

die gevestigd is in Eelde,

verzoekster,

gemachtigde: [X],

tegen

[Werkneemster],

die woont in [woonplaats],

verweerster,

gemachtigde: mr. Th. Martens.

Partijen worden hierna de Stichting en [werkneemster] genoemd.

Het procesverloop

Het procesverloop blijk uit:

- het verzoekschrift van 26 augustus 2011;

- het verweerschrift van 23 september 2011;

- de door partijen in het geding gebrachte producties;

- de mondelinge behandeling van 28 september 2011.

Ten slotte is het geven van de beschikking op heden bepaald.

Het geschil

De Stichting verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst die zij heeft gesloten met [werkneemster], te ontbinden per 1 januari 2012. Daartoe voert de Stichting aan, samengevat weergegeven, dat sprake is van gewichtige redenen die bestaan uit een verandering van omstandigheden. De Stichting stelt dat [werkneemster] vanaf 1 september 1994 is belast met de aanname, registratie, behandeling en afhandeling van klachten over geluidsoverlast van vliegverkeer van en naar de luchthaven Eelde. De Stichting stelt ook dat van aanvang af is getwijfeld over het functioneren van [werkneemster]. Volgens de Stichting werden klachten door [werkneemster] niet, niet goed of te laat beantwoord. De Stichting wijst er in dit verband op dat in 2005 door [werkneemster] geen enkele klacht schriftelijk werd beantwoord. De Stichting kent verder betekenis toe aan een periode van langdurige arbeidsongeschiktheid en de vervolgens niet geslaagde reïntegratie van [werkneemster].

Volgens de Stichting heeft een en ander ertoe geleid dat de arbeidsrelatie verstoord is geraakt en dat ieder vertrouwen in het functioneren van [werkneemster] verloren is gegaan. De Stichting wil dat de kantonrechter om die reden de arbeidsovereenkomst ontbindt. Volgens de Stichting kan de uitgestelde ontbindingsdatum, de Stichting verzoekt ontbinding per 1 januari 2012, en vrijstelling van [werkneemster] voor haar werk, worden beschouwd als een vorm van een vergoeding die onder de gegeven omstandigheden billijk is.

Het verweer van [werkneemster] strekt tot afwijzing van het verzoek, althans tot toekenning van een ontbindingsvergoeding en veroordeling van de Stichting in de kosten van deze procedure. Daartoe voert [werkneemster] aan, samengevat weergegeven, dat zij altijd vijftien uur per week heeft gewerkt en dat dat aantal uren was gebaseerd op een bepaalde veronderstelling ten aanzien van de omvang van de te verrichten werkzaamheden. Volgens [werkneemster] bleek echter al in 1995 dat die veronderstelling niet te klopte. [werkneemster] stelt dat de daadwerkelijke werkbelasting te groot was voor de omvang van haar dienstverband. [werkneemster] schetst in haar verweer uitvoerig omstandigheden van externe aard die volgens haar verklaren waarom de klachtregistratie, behandeling en afwikkeling niet kon beantwoorden aan wat daarvan wel werd verwacht. [werkneemster] stelt dat gelet op die omstandigheden haar geen verwijt kan worden gemaakt van de falende klachtbehandeling. [werkneemster] wijst er verder op dat zij in 2009 ernstig ziek is geworden. [werkneemster] stelt dat zij na een operatie en verdere behandeling al snel moest constateren dat de Stichting zich niet richtte op haar daadwerkelijke reïntegratie. Volgens [werkneemster] wilde de Stichting liever dat de dochter van de secretaris van de Stichting, die haar verving, haar aanstelling zou krijgen. [werkneemster] benadrukt in dit verband dat afgezien van een volledig misplaatste waarschuwing over de falende klachtbehandeling in 2005, er nooit kritiek is gegeven op haar functioneren. [werkneemster] verwijt de Stichting dat als zij niet goed zou hebben gefunctioneerd, zij daarop niet is aangesproken en haar daardoor de mogelijkheid is ontnomen om zich daar waar nodig te verbeteren. [werkneemster] acht zichzelf ondertussen weer goed in staat om te werken. [werkneemster] vindt dat er om al deze redenen geen aanleiding bestaat om haar arbeidsovereenkomst te ontbinden. [werkneemster] stelt dat als de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, haar een billijke vergoeding toekomt. [werkneemster] acht een vergoeding gebaseerd op een dienstverband van zeventien jaar en een correctiefactor 1,5 onder de gegeven omstandigheden billijk.

De beoordeling

Inleiding

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om het volgende. Voor de aanname, registratie, behandeling en afhandeling van klachten over geluidsoverlast van vliegverkeer van en naar de luchthaven Eelde, is de Commissie Milieuhygiëne Luchtvaartterrein Eelde ingesteld. [werkneemster] is vanaf 1 september 1994 feitelijk voor die commissie werkzaam als administratief medewerkster. [werkneemster] was hiertoe feitelijk in dienst bij derden, eerst bij de gemeente Vries, vervolgens bij Ban PersoneelsDiensten B.V. en met ingang van 1 januari 2004 bij de Stichting. De Stichting is ondermeer opgericht om de rol van werkgeefster te kunnen vervullen en de rechtspositie voor de werknemers die werkzaam zijn bij voormelde commissie te kunnen borgen.

Uit de door partijen over en weer betrokken stellingen blijkt dat van aanvang af tot vrij recent de behandeling en de afhandeling van klachten over geluidsoverlast van vliegverkeer niet naar behoren verliep. De Stichting wijt dit aan het disfunctioneren van [werkneemster]. [werkneemster] op haar beurt benoemt tal van uiteenlopende externe oorzaken die volgens haar aan de falende klachtbehandeling debet zijn. Tegen deze achtergrond staat te beoordelen of er een gewichtige reden is om de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden, al dan niet onder toekenning van een vergoeding.

De ontbinding

De kantonrechter overweegt dat uit de stukken en uit de mondelinge behandeling van 28 september 2011 blijkt dat bij de Stichting ieder vertrouwen in een behoorlijk functioneren van [werkneemster] ontbreekt, doordat de Stichting iedere oorzaak van het falen van de klachtbehandeling bij [werkneemster] zoekt en denkt bij haar te hebben gevonden.

De kantonrechter oordeelt dat daardoor de noodzakelijke basis om het dienstverband te laten voortduren ontbreekt. Dit geeft grond om de arbeidsovereenkomst na korte tijd te ontbinden. De kantonrechter zal het daartoe strekkende verzoek toewijzen en de verzochte ontbinding per 1 januari 2012 toewijzen.

Billijke vergoeding

De kantonrechter deelt echter niet de opvatting van de Stichting dat [werkneemster] met een ontbinding tegen de verzochte datum en de vrijstelling om te werken een billijke vergoeding krijgt.

De kantonrechter overweegt dat de Stichting in een niet aflatende stroom van grieven en klachten het functioneren van [werkneemster] ter discussie stelt. Daarbij valt op dat de Stichting [werkneemster] verwijten maakt die teruggaan tot het moment waarop [werkneemster] met haar werkzaamheden een aanvang nam in 1994. De kantonrechter overweegt dat dit zich niet verhoudt met de omstandigheid dat in de zeventien jaar dat [werkneemster] is belast met de administratieve verwerking van klachten, met haar nooit een functionerings- of beoordelingsgesprek is gevoerd.

Dat laatste klemt. Het betekent dat voor zover [werkneemster] al een verwijt treft van de falende klachtbehandeling, de door Stichting veronderstelde tekortschietende van [werkneemster] niet met [werkneemster] is besproken en haar geen mogelijkheid is geboden zich daar waar nodig te verbeteren.

Aan het voorgaande doet naar het oordeel van de kantonrechter niet af dat [werkneemster] bij brief van 7 maart 2006 een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen voor de falende administratieve verwerking van in 2005 ingekomen klachten. Daargelaten dat [werkneemster] gemotiveerd heeft bestreden dat haar van die falende klachtbehandeling een verwijt kan worden gemaakt, geldt dat die waarschuwing geen enkel vervolg heeft gekregen. Feiten of omstandigheden waaruit kan blijken dat na het geven van de waarschuwing [werkneemster] opnieuw tekort is geschoten blijken niet.

Tegen deze achtergrond rijst de vraag waarom, na al die jaren van veronderstelt disfunctioneren van [werkneemster], de Stichting thans wil afkoersen op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Uit wat de kantonrechter uit de door partijen over en weer betrokken stellingen opmaakt, is sprake van een koerswijziging bij de Stichting ten aanzien van het laten voortduren van het dienstverband van [werkneemster], vanaf het moment dat zij als gevolg van een ernstige ziekte in 2009 (aanvankelijk volledig) arbeidsongeschikt is geraakt.

Uit wat partijen over en weer hebben gesteld blijkt dat als gevolg van darmkanker en de behandeling daarvan, na negen maanden volledige arbeidsongeschiktheid, gedeeltelijke geschiktheid, en een periode van opnieuw volledige arbeidsongeschiktheid, [werkneemster] op 22 oktober 2010 weer voldoende is hersteld om op het werk aanwezig te zijn en taken te verrichten waarop geen of niet te veel tijdsdruk zit. [werkneemster] werd daarom belast met het wegwerken van een achterstand in de archivering. Ook blijkt dat toen de tijd daarvoor rijp was niet is toegewerkt naar een reïntegratie, gericht op het hervatten van het eigen werk.

Uit de rapportages van het arbeidskundig onderzoek blijkt in dit verband dat de Stichting in de richting van de arbeidsdeskundige kritiek uit op het functioneren van [werkneemster], in zowel het heden als het verleden, en de Stichting twijfel uit of [werkneemster] gezien de ervaringen in het verleden wel een ingezette verbeterslag kan voortzetten dan wel kan uitbreiden.

Wat echter niet blijkt is dat de Stichting zich enige inspanning heeft getroost om [werkneemster] een kans te geven te reïntegreren en te laten zien dat zij de door de Stichting bedoelde verbeterslag kan voortzetten dan wel kan uitbreiden. Integendeel. De Stichting koerst af op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op een moment dat de arbeidsdeskundige - zoals [werkneemster] onweersproken aanvoert - nog een verbetertraject van een half jaar voorstelde.

De kantonrechter oordeelt dat het handelen van de Stichting onder deze omstandigheden zich niet verhoudt met wat van een goed werkgever mag worden verwacht.

Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter het passend en geboden een vergoeding toe te kennen, gebaseerd op een dienstverband van zeventien jaren. Daaraan kan niet afdoen dat [werkneemster] formeel eerst op 1 januari 2004 in dienst is getreden van de Stichting. De Stichting hanteert immers zelf allerhande argumenten uit de daarvoor liggende periode en de Stichting maakt daarbij geen onderscheid tussen de periode die aanvangt per 1 januari 2004 en de daarvoor liggende periode en de wijze waarop toen formeel het dienstverband van [werkneemster] ten gunste van voormelde commissie vorm werd gegeven.

Gelet op verwijt dat de Stichting onder de gegeven omstandigheden kan worden gemaakt van de falende reïntegratie, hanteert de kantonrechter bij de berekening van de aan [werkneemster] toekomende vergoeding de correctiefactor 1,5.

Dit leidt, uitgaande van een jaarinkomen van [werkneemster] ter grootte van € 15.307,00 tot toekenning van een bruto vergoeding ter grootte van € 35.397,00

De kantonrechter zal, gelet op de toe te kennen vergoeding, hierna een termijn geven voor intrekking van het verzoek.

De kantonrechter zal de Stichting als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de op de gebruikelijke wijze te begroten kosten van deze procedure.

De beslissing

De kantonrechter

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 januari 2012, tenzij het ontbindingsverzoek vóór na te noemen datum wordt ingetrokken.

kent aan [werkneemster] ten laste van de Stichting ter gelegenheid van voornoemde ontbinding een vergoeding toe ter grootte van € 35.397,00 bruto.

bepaalt dat de Stichting tot uiterlijk vier weken na de dag waarop deze beschikking is gegeven het ontbindingsverzoek kan intrekken.

veroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure, die aan de zijde van [werkneemster] worden begroot op € 400,-- aan salaris gemachtigde.

Deze beslissing is gegeven door de kantonrechter mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2011.

typ: 216/BRT

coll: