Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU3471

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
19.830052-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat het bewezen verklaarde feit een ernstig feit betreft dat op zich een gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt.

De rechtbank is echter van oordeel dat het hier gaat om een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Verdachte, die door de gedragsdeskundigen als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt, wilde beletten dat zijn broer hem zou slaan of het huis uit zou zetten. Zijn broer was fysiek veel sterker dan hij. Door twee messen voor zich vast te houden dacht verdachte te bewerkstelligen dat hij zijn broer van zich af kon houden. Deze broer is echter nadat hij de deur van de woonkamer had geforceerd in een van die messen gelopen dan wel gestruikeld. De verdachte heeft nimmer gewild dat zijn broer zou komen te overlijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830052-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 november 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [adres],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 14 oktober 2011 en 31 oktober 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. H.J. Zomer, advocaat te Steenwijk.

Tenlastelegging

De verdachte is bij ter terechtzitting gewijzigde dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 22 februari 2011 te Tweede Valthermond, gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk en met voorbedachten rade (zijn broer) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, zijn broer een of meermalen met een mes in zijn hart, althans in de borststreek gestoken, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 22 februari 2011 te Tweede Valthermond, gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk (zijn broer) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet zijn broer een of meermalen met een mes in zijn hart, althans in de borststreek gestoken, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 22 februari 2011 te Tweede Valthermond, gemeente Borger- Odoorn, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- zich (voortdurend) in een kamer op korte afstand achter een (af)gesloten deur op te stellen met in zijn beide handen twee vooruit gestoken (scherpe) slagersmessen, in de richting van deze deur;

- terwijl (zijn broer) [slachtoffer] zich toegang wilde verschaffen tot deze kamer en daartoe deze deur heeft geopend en/of geforceerd en daarop deze kamer heeft betreden, en/of;

- vervolgens (zijn broer) [slachtoffer] in een van deze vooruit gestoken messen is gelopen en/of gevallen, althans in aanraking is gekomen met een van deze messen,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat (zijn broer) [slachtoffer] zodanig letsel, te weten een of meer messteken in zijn hart, althans in de borststreek, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. G. Wilbrink, acht het primair tenlastegelegde, in het bijzonder: de voorbedachte raad, niet wettig en overtuigend bewezen en vordert daarvoor vrijspraak.

De officier van justitie acht hetgeen aan de verdachte subsidiair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 237 dagen met aftrek van de dagen in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, alsmede dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld onder de in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 17 oktober 2011 vermelde voorwaarden. De officier van justitie vordert tevens dat de rechtbank zal bepalen dat de terbeschikkingstelling een termijn van 4 jaren te boven mag gaan nu het hier een misdrijf betreft dat gericht is of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen en dat voornoemde terbeschikkingstelling met voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het hem zowel primair als subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. De raadsman heeft dan ook ter zake van die feiten vrijspraak van de verdachte bepleit. Namens de verdachte is aangevoerd dat het aan verdachte meer subsidiair tenlastegelegde – dood door schuld – wettig en overtuigend bewezen kan worden. Primair bepleit de raadsman dat aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest wordt opgelegd en subsidiair een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, met oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals door de officier van justitie gevorderd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zowel het primair ten laste gelegde als het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte zal dan ook van deze feiten worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende:

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank, met betrekking tot de gebeurtenissen die tot de vervolging van verdachte hebben geleid, de volgende gang van zaken af. Tussen verdachte en het latere slachtoffer, zijn broer [slachtoffer], botert het al enige tijd niet meer. Ten grondslag hieraan ligt onder meer de veelvuldige aanwezigheid van stagiair René in en rond de boerderij. Verdachte heeft hierover op de 22e februari 2011 tegen zijn broer geklaagd. Broer [slachtoffer] is hierover zeer boos geworden en heeft verdachte op indringende wijze duidelijk gemaakt dat hij dan maar moest vertrekken. Omdat verdachte zich in sterke mate afhankelijk weet van zijn broer [slachtoffer], is verdachte van die mededeling geschrokken. Hij raakt er door in paniek, aangezien hij bang is voor het feit dat hij op straat komt te staan. Verdachte heeft uit boosheid toen de deur van de slaapkamer van zijn broer op slot gedaan. In deze kamer staat hun beider verzameling miniatuur-landbouwtrekkers en miniatuur-landbouwwerktuigen. Verdachte is bang dat zijn broer deze verzameling uit boosheid zal gaan vernielen. Verdachte heeft zich vervolgens uit angst voor zijn broer, van wie hij weet dat hij erg boos kan worden, verschanst in de woonkamer en heeft ook de woonkamerdeur op slot gedaan. Een enorme angst voor zijn broer maakt zich inmiddels van verdachte meester. Verdachte heeft twee messen klaar gelegd die hij broer [slachtoffer] wil tonen door die messen voor zich te houden als [slachtoffer] komt. Verdachte veronderstelt dat broer [slachtoffer] hiervan zal schrikken en dat hij het dan wel uit zijn hoofd zal laten verdachte aan te vallen of hem uit huis te zetten. Broer [slachtoffer] bemerkt vervolgens dat de deur van zijn slaapkamer op slot zit. Hij gaat verhaal halen bij zijn broer die zich heeft verschanst in de woonkamer. Broer [slachtoffer] begint met zijn lichaam te bonken op de woonkamerdeur om zich de toegang tot de woonkamer te verschaffen. Verdachte heeft dan in elke hand een mes; elk mes met de punt naar voren gericht. Verdachte houdt de messen op heuphoogte in zijn handen, terwijl hij zijn armen naar voren gebogen houdt. Na een paar beuken op de deur door [slachtoffer] vliegt deze open en struikelt dan wel strompelt dan wel wankelt broer [slachtoffer] (zie verklaring [getuige 2], blz. 72 proces-verbaal politie Drenthe) naar binnen en loopt dan wel struikelt in een van de messen die verdachte vast houdt. Daardoor komt het mes in het lichaam van [slachtoffer]. Verdachte heeft hierbij geen stekende beweging gemaakt.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het slachtoffer, gelet op het meest aannemelijke scenario zoals de rechtbank daarvan uit het dossier en uit het verhandelde ter zitting is gebleken, niet heeft gestoken. De rechtbank is van oordeel dat het werkwoord ‘steken’ een actieve gedraging impliceert. Volgens Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (14e druk 2005) is de betekenis van steken: het met een puntig, scherp voorwerp een steek geven of een stekende beweging maken. De uitleg die de officier van justitie in het onderhavige geval geeft aan ‘steken’ - in een mes lopen is gegeven de omstandigheden van het geval ook steken - is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de betekenis van dat woord. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat zowel het primair ten laste gelegde feit als het subsidiair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu niet van verdachte kan worden gezegd dat hij het slachtoffer gestoken heeft, zoals dat zowel bij het primair ten laste gelegde feit als bij het subsidiair ten laste gelegde feit als feitsomschrijving in de dagvaarding is opgenomen.

Met betrekking tot het ten laste gelegde opzettelijk handelen van verdachte overweegt de rechtbank nog het volgende. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat van verdachte niet gezegd kan worden dat zijn opzet gericht is geweest op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht op grond van de inhoud van het dossier en uit de verklaringen van verdachte ter zitting niet bewezen dat verdachte toen willens en wetens het slachtoffer heeft gedood. Evenmin is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet op het in art. 287 Sr genoemde gevolg. Verdachte heeft, gelet op zijn geestesgesteldheid voor en tijdens de gebeurtenissen, naar het oordeel van de rechtbank nauwelijks voorzien en kunnen voorzien dat zijn handelen tot de dood van zijn broer zou leiden. Daardoor heeft naar het oordeel van de rechtbank verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn broer als gevolg van verdachtes gedraging zou komen te overlijden, niet bewust aanvaard.

De rechtbank acht wel het meer subsidiair tenlastegelegde dood door schuld bewezen, met dien verstande dat naar het oordeel van de rechtbank verdachte, gelet op diens geestestoestand, zich niet roekeloos in de zin van art. 307 Sr heeft gedragen, doch dat hij, door het klaarleggen en vasthouden van de messen aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.

Bewijsmiddelen

Nu verdachte, hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren, heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman hiervoor vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank ten aanzien van dit feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

De rechtbank hanteert voor het bewijs de navolgende bewijsmiddelen:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2011.

2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie Drenthe, district Zuidoost, Unit Recherche Zuidoost, registratienummer 2011012947, met bijlagen, d.d. 12 april 2011, onder meer inhoudende:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie Drenthe, district Zuidoost, Unit Recherche Zuidoost, proces-verbaalnummer PL032E 2011012947-15 d.d. 23 februari 2011, houdende de verklaring van de getuige [getuige 1], wonende te [adres] (pagina’s 64 en 65);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van regiopolitie Drenthe, district Zuidoost, Afdeling opsporing, proces-verbaalnummer 2011012947 d.d. 22 februari 2011, houdende de verklaring van de getuige [getuige 2], wonende te [adres] (pagina’s 72 en 73);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie Drenthe, district Zuidoost, Unit Recherche Zuidoost, proces-verbaalnummer PL032E 2011012947-43 d.d. 1 maart 2011, houdende de verklaring van de getuige [getuige 2], wonende te [adres] (pagina’s 86 t/m 88);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie Drenthe, district Zuidoost, Basiseenheid Emmen Centrum/Borger-Odoorn, proces-verbaalnummer PL032R 2011012947-8 d.d. 23 februari 2011, houdende de eigen waarneming, wetenschap en bevinding van de verbalisant [verbalisant] (pagina’s 163 t/m 166);

- een geschrift “Vaststelling Overlijden” inhoudende dat de dood van het slachtoffer [slachtoffer] werd geconstateerd door R. de Vos, als arts verbonden aan het mobiel medisch team van het Academisch Ziekenhuis Groningen. De dood werd geconstateerd op 22 februari 2011 te 18.14 uur. (pagina 186);

- een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 3 maart 2011 van een pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, met bijlagen betreffende de overledene H. Bolk, opgemaakt door de arts en patholoog dr. B. Kubat (pagina’s 204 t/m 215);

- de beantwoording van de aanvullende vragen van de officier van justitie door de arts en patholoog dr. B. Kubat van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie bij brief van 27 juni 2011.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het hem meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij zich op 22 februari 2011 te Tweede Valthermond, gemeente Borger- Odoorn, aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen door

- zich in een kamer op korte afstand achter een afgesloten deur op te stellen met in zijn beide handen twee vooruit gestoken scherpe slagersmessen, in de richting van deze deur;

- terwijl zijn broer [slachtoffer] zich toegang wilde verschaffen tot deze kamer en daartoe deze deur heeft geforceerd, en

- vervolgens zijn broer [slachtoffer] in een van deze vooruit gestoken messen is gevallen,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat zijn broer [slachtoffer] zodanig letsel, te weten een messteek in zijn hart heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De rechtbank merkt op dat zij ten behoeve van de leesbaarheid de zinsbouw van de tenlastelegging heeft aangepast.

De verdachte zal van het meer subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn,

strafbaar gesteld bij artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 8 juli 2011, opgemaakt door drs. D.T. van der Werf, psychiater te Groningen en vast gerechtelijk deskundige.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie:

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid met daaraan gerelateerd een leerstoornis, taalstoornis en nog lichte resterende coördinatieontwikkelingsstoornis. Ook de emotionele ontwikkeling van verdachte is aanzienlijk gestagneerd geraakt. Hersenbeschadiging (tijdens de geboorte opgelopen) heeft tot de hierboven genoemde stoornissen bijgedragen.

Alle hierboven genoemde gebrekkige ontwikkelingen waren ook aanwezig ten tijde van het hier aan verdachte tenlastegelegde.

De gebrekkige ontwikkeling van verdachte droeg in belangrijke mate (mede) bij aan het ontstaan van de explosieve situatie die zich ontwikkelde tussen verdachte en het latere slachtoffer. Ook de ontoereikende manier waarop verdachte omging met zijn dilemma’s binnen die explosieve situatie werden in sterke mate beïnvloed door verdachtes meervoudige ontwikkelingsproblemen. Verdachte kon dienaangaande namelijk minder vrijelijk over zijn wil, emoties en denken beschikken dan redelijkerwijs van een gemiddelde leeftijdgenoot verwacht mag worden; datzelfde geldt ook voor verdachtes oordelend vermogen. Dit geschiedde in belangrijke en grote mate.

De psychiater concludeert dat verdachte ten aanzien van het hem tenlastegelegde sterk verminderd toerekenbaar is te achten.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van een psychologisch rapport d.d. 4 juli 2011, opgemaakt door drs. C. Sipma, GZ-psycholoog te Groningen en vast gerechtelijk deskundige. Dit rapport houdt onder meer in als conclusie:

Verdachte heeft een forse ontwikkelingsachterstand, die zowel zijn cognitieve als zijn sociale en emotionele functioneren betreft. Qua intelligentie functioneert verdachte op licht zwakzinnig niveau. Hiervan was ten tijde van het tenlastegelegde ook sprake.

In de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde was sprake van een situatie van oplopende spanningen tussen verschillende broers en de jongen die meehielp op de boerderij. Verdachte beschikte niet over voldoende probleemoplossende vaardigheden om met een dergelijke situatie om te gaan. De enige manier die hij kende om met dergelijke situaties om te gaan is zich terug te trekken en op te sluiten. Verder was hij bang voor [slachtoffer] (het slachtoffer), van wie hij kon vermoeden dat hij boos zou zijn als hij ontdekte dat verdachte zijn slaapkamerdeur op slot had gedaan. [slachtoffer] kon volgens verdachte erg agressief worden als hij boos was. Verdachte kon vanwege zijn beperkingen op dat moment niet inschatten dat het klaarleggen en/of vasthouden van messen zou kunnen leiden tot een levensbedreigende situatie. Bovendien waren de spanningen bij hem op dat moment al behoorlijk opgelopen en ging het om een chaotische situatie, waardoor hij nog meer geneigd was impulsief te handelen en nog minder in staat om de gevolgen van zijn handelen te overzien. Volgens de psychologe moet verdachte op grond van de eerdergenoemde ontwikkelingsstoornis voor de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusies van de psychiater en de psycholoog en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in sterk verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit; de omstandigheden waaronder het feit is begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsman van de verdachte; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 21 oktober 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De officier van justitie vordert voor het subsidiair tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 237 dagen met aftrek van de dagen in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht. Tevens vordert de officier van justitie dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld onder de in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 17 oktober 2011 vermelde voorwaarden.

De raadsman heeft, het meer subsidiair tenlastegelegde feit bewezen achtende, primair gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis, en subsidiair voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank overweegt dat het bewezen verklaarde feit een ernstig feit betreft dat op zich een gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt.

De rechtbank is echter van oordeel dat het hier gaat om een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Verdachte, die door de gedragsdeskundigen als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt, wilde beletten dat zijn broer hem zou slaan of het huis uit zou zetten. Zijn broer was fysiek veel sterker dan hij. Door twee messen voor zich vast te houden dacht verdachte te bewerkstelligen dat hij zijn broer van zich af kon houden. Deze broer is echter nadat hij de deur van de woonkamer had geforceerd in een van die messen gelopen dan wel gestruikeld. De verdachte heeft nimmer gewild dat zijn broer zou komen te overlijden.

De rechtbank overweegt verder dat het verlies van zijn broer bij verdachte en zijn familie hard is aangekomen. De rechtbank constateert verder dat de familie van verdachte hem niet heeft laten vallen en zoveel als mogelijk contact met hem is blijven houden.

De gedragsdeskundigen Van der Werf en Sipma hebben in hun rapporten aangegeven dat verdachte gebaat is bij een opname in een behandelkliniek voor licht verstandelijk gehandicapten, waarbij het gaat om verdachte toe te leiden naar een geschikte woon- en werksituatie waar hij de nodige zorg en begeleiding krijgt die past bij zijn verstandelijke en sociaal-emotionele ontwikkelingsniveau.

De gedragsdeskundigen hebben geadviseerd tot een opname in Hoeve Boschoord te Boschoord, alwaar verdachte in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis inmiddels vanaf 17 oktober 2011 verblijft.

De reclasseringswerkster J.J. Klasen heeft ter terechtzitting aangegeven dat verdachte thans op de gesloten crisis- en observatieafdeling van Hoeve Boschoord verblijft en dat het de bedoeling is dat verdachte geplaatst zal worden op de zorgboerderij “De Eikenhof”. Mevrouw Klasen gaf verder nog aan dat de plaatsing op de crisis- en observatieafdeling veelal 6 weken duurt.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven het zwaar te hebben op de crisis- en observatieafdeling omdat hij daar mondjesmaat met de familie mag telefoneren en maar eens per 14 dagen bezoek mag hebben van zijn familie. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich aan de te stellen voorwaarden zal houden.

Bij het bepalen van de straf zal de rechtbank ook rekening houden met de omstandigheden en achtergronden van de verdachte zoals omschreven in de voorlichtingsrapporten van Reclassering Nederland van respectievelijk 17 mei 2011, 14 september 2011, 20 september 2011 en 14 oktober 2011.

De rechtbank zal bij de bepaling van de strafmaat verder rekening houden met de omstandigheden en achtergronden van de verdachte zoals omschreven in het milieurapport van GGZ Verslavingszorg Noord Nederland van 16 juni 2011, alsook in het psychologisch rapport van 4 juli 2011 en het psychiatrisch rapport van 8 juli 2011.

De rechtbank zal verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen, omdat zulks niet mogelijk is bij het feit dat de rechtbank bewezen heeft geacht.

Gelet op alle omstandigheden acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte groot 123 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder het opleggen van de hierna te vermelden bijzondere voorwaarden een passende strafoplegging die recht doet aan de ernst van de onderhavige zaak.

Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de bijzondere voorwaarde worden gekoppeld, inhoudende dat verdachte zich zal houden aan de voorschriften en/of aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland, hetgeen mede zal inhouden dat verdachte zal meewerken aan een klinische behandeling in Hoeve Boschoord, zolang deze kliniek dat nodig acht, dat verdachte zal meewerken aan een vervolgvoorziening indien Hoeve Boschoord dit in overleg met de reclassering noodzakelijk acht, dat verdachte zal meewerken aan een ambulante vervolgbehandeling indien geïndiceerd, dat verdachte akkoord zal gaan met informatie-uitwisseling tussen de reclassering en betrokken hulpverleningsinstellingen, dat verdachte akkoord zal gaan met informatie-uitwisseling tussen de reclassering en zijn directe familieleden, dat verdachte de medicatie inneemt die hem door de artsen wordt voorgeschreven en dat verdachte een meldplicht heeft ten opzichte van de reclassering.

De rechtbank verstaat hierbij dat de behandeling van verdachte op de gesloten crisis- en observatieafdeling zo kort mogelijk dient de duren omdat de verdachte naar haar oordeel zo snel mogelijk dient te worden geplaatst op de zorgboerderij “De Eikenhof”.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte zowel primair als subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan telkens vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het meer subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen waarvan een gedeelte groot 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden ten uit voer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Assen, met opdracht aan de reclasseringsinstelling ingevolge artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht, hetgeen mede zal inhouden dat

- verdachte zal meewerken aan een klinische behandeling in Hoeve Boschoord, zolang deze kliniek dat nodig acht;

- verdachte zal meewerken aan een vervolgvoorziening indien Hoeve Boschoord dit in overleg met de reclassering noodzakelijk acht;

- verdachte zal meewerken aan een ambulante vervolgbehandeling indien geïndiceerd;

- verdachte akkoord zal gaan met informatie-uitwisseling tussen de reclassering en betrokken hulpverleningsinstellingen;

- verdachte akkoord zal gaan met informatie-uitwisseling tussen de reclassering en zijn directe familieleden;

- verdachte de medicatie inneemt die hem door de artsen wordt voorgeschreven;

- verdachte een meldplicht heeft ten opzichte van de reclassering.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, mr. J.G. de Bock en mr. A.L.J.M.A. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 november 2011.