Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU3344

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
19/993006-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen meerdere personen die betrokken waren bij de Arnhemse Buitenschool condoleancekaarten, met daarop de sterftedatum van de ontvanger, gezonden. Dit kan bij de ontvanger van een dergelijke kaart een aanzienlijke vrees veroorzaken. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 19/993006-10

datum uitspraak: 4 november 2011

op tegenspraak

Raadsman: mr. C.C.J.M. Weijers, advocaat te Nijmegen

VONNIS van de rechtbank te Assen, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, zitting houdende te Assen, in de zaak tegen:

[verdachte 4],

geboren op [datum] 1961 te [plaats],

wonende te [plaats], [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 januari 2011, 19 april 2011, 10 en 11 oktober 2011 en 24 oktober 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2008 tot en met 18 juni 2009 te Arnhem en/of Klazienaveen en/of Beesd, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, eenmaal/meermalen [betrokkene 9] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) hen telefonisch de woorden toegevoegd "Kutwijf jou maken we ook kapot" en/of "Ik ga al je botten breken" en/of "We zullen je terroriseren" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of hebben verdachte en/of zijn mededader(s) condoleancekaarten met daarin de sterfdatum van de ontvanger vermeld en/of dreigbrieven verstuurd naar voornoemde personen terwijl van deze condoleancekaarten en/of brieven een dreigende aard of strekking uitging.

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2008 tot en met 12 januari 2010 te Arnhem en/of Klazienaveen en/of Beesd, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een andere of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk de eer en/of goede naam van [betrokkene 1] heeft aangerand door tenlastelegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel aan (een groot aantal) medewerkers van de Stichting De Arnhemse Buitenschool brieven verzonden met en daarin onder meer - zakelijke weergegeven- opgenomen dat:

deze [betrokkene 1] zich schuldig heeft/zou hebben gemaakt aan seksuele intimidatie

en/of misbruik en/of

deze [betrokkene 1] schuldig is/zou zijn aan financieel wanbeleid

en/of

deze [betrokkene 1] verantwoordelijk is/zou zijn voor trauma's en/of angstgevoelens

bij medewerkers

Al dan niet terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de tenlastegelegde feiten in strijd met de waarheid zijn.

art 261 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 261 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 262 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2008 tot en met 12 januari 2010, te Arnhem en/of Klazienaveen en/of Beesd in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [betrokkene 1], in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk en met voormeld oogmerk op verschillende data en/of tijdstippen in voornoemde periode (onder meer)

- (naar het woonadres van) die [betrokkene 1] meerdere brieven en/of condoleancekaarten gestuurd en/of

- die [betrokkene 1] telefonisch benaderd/ bedreigd en/of

- (smaad)brieven en/of (lasterbrieven) over deze [betrokkene 1] heeft verzonden naar een (groot) aantal medewerkers van de school waar [betrokkene 1] directeur was en/of

- de auto van [betrokkene 1] heeft vernield

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde, met uitzondering van de door de rechtbank nietig verklaarde onderdelen, zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

Nietigheid van de dagvaarding

Ten aanzien van de feiten 1. en 2::

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij ter zitting het preliminaire verweer van de verdediging, inhoudende dat feit 1 (ten aanzien van de dreigbrieven, behoudens de condoleancekaarten) en feit 2 nietig dienen te worden verklaard, heeft gehonoreerd.

Ten aanzien van feit 3:

In aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging onder feit 3. onvoldoende concreet en duidelijk is voor wat betreft de daarin vermelde smaad- en/of lasterbrieven (derde gedachtestreepje) en brieven (eerste gedachtestreepje).

De dagvaarding dient daarom in zoverre nietig te worden verklaard.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Nu de klacht ten aanzien van de belaging (feit 3) te laat is ingediend en uit de aangiftes van [betrokkene 1] niet expliciet blijkt dat hij vervolging wenst, dient het Openbaar Ministerie ter zake van het overgebleven deel van de tenlastelegging onder feit 3 niet ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede op dat ook geen bewijs van het resterende deel kan volgen omdat door het enkele verzenden van een condoleancekaart naar het adres van [betrokkene 1] niet gezegd kan worden dat stelselmatig inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1].

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1:

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen en aanknopingspunten voorhanden zijn om te kunnen bewijzen dat verdachte betrokken is geweest bij het plegen van de bedoelde dreigtelefoontjes.

Naar de mening van de verdediging is bewijsbaar dat verdachte betrokken is geweest bij het verzenden van de condoleancekaarten, waarbij wel de vraag dient te worden gesteld of er wel sprake is van bedreiging.

Naar het oordeel van de rechtbank is het ontvangen van een condoleancekaart met daarop de naam van de ontvanger en diens datum van overlijden van zodanige aard dat bij de ontvanger redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Naar het oordeel is er dus sprake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 24 juni 2008 tot en met 18 juni 2009 te Arnhem en/of Klazienaveen en/of Beesd, tezamen en in vereniging met anderen, [betrokkene 1] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [betrokkene 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en haar mededaders condoleancekaarten met daarin de sterfdatum van de ontvanger vermeld verstuurd naar voornoemde personen terwijl van deze condoleancekaarten een dreigende aard of strekking uitging.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

Onder 1:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft samen met anderen meerdere personen die betrokken waren bij de Arnhemse Buitenschool condoleancekaarten, met daarop de sterftedatum van de ontvanger, gezonden. Dit kan bij de ontvanger van een dergelijke kaart een aanzienlijke vrees veroorzaken. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

De rechtbank houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover deze ter zitting aan de orde zijn gekomen, en met de omstandigheid dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank is het passend en geboden om verdachte een werkstraf van na te melden duur op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [betrokkene 1], wonende te Arnhem.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht, die de rechtbank in redelijkheid en billijkheid vaststelt op € 150,00. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen

47 lid 1 aanhef en onder 1, 36f, 57 lid 1 en 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 3 tenlastegelegde partieel nietig, zoals hiervoor is aangegeven;

- verklaart het Openbaar Ministerie ten aanzien van het resterende deel van het onder 3 tenlastegelegde niet ontvankelijk;

- verklaart het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 40 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag die de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1], wonende te Arnhem toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 150,00 (zegge éénhonderdenvijftig euro).

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Veroordeelt de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 150,00 (zegge éénhonderdenvijftig euro) ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 1], wonende te Arnhem, bij gebreke en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.H.A. Fransen, voorzitter, L.W. Janssen en

J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 november 2011.