Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU3321

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
19.605076-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak

De verdachte dient van het primair en subsidiair onder A, B en C tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Met betrekking tot het primair tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting neemt de rechtbank aan dat een deel van de tenlastegelegde feitelijkheden, zoals onder meer de opmerkingen over “je kop van de romp slaan”, “deze man zit op een vechtsport” en de opmerking dat verdachten [slachtoffer 1] naar het politiebureau zouden brengen als hij niet meewerkte, wel hebben plaatsgevonden en dat hierdoor een intimiderende sfeer is ontstaan, maar dat dit niet (een zodanige vorm van psychisch) geweld of geweldsdreiging oplevert zoals bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat burgers niet op deze wijze tot incasso horen over te gaan, zijn de feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval niet te kwalificeren als een strafbaar feit.

Verdachte dient derhalve van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het subsidiair onder A tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 1] weliswaar heeft verklaard dat hij zich gedwongen voelde maar dat van daadwerkelijke dwang en daadwerkelijke vrijheidsberoving niet is gebleken.

Met betrekking tot het subsidiair onder B tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat de deur van de woning, na aanbellen, is geopend door de echtgenote of de dochter van [slachtoffer 1] en dat van wederrechtelijk binnendringen niet is gebleken.

Met betrekking tot het subsidiair onder C tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van zowel aangever als verdachten blijkt dat de auto’s zijn afgegeven aan [verdachte] ter delging van de (gestelde) schuld van [slachtoffer 1] aan [verdachte] en niet als onderpand van die schuld en dat derhalve geen sprake kan zijn van verduistering van die auto’s.

Verdachte dient derhalve ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.605076-11

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 1 november 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 18 oktober 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. A.T. Slofstra, advocaat te Roden.

De tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 30 september 2009 te [plats delict], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer auto('s), autopapieren en/of sieraden, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2], of aan een derde, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of die mededader(s)

- dreigend tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd: "Deze man is hier aanwezig ter afluistering van dit gesprek en voor een getuigenverklaring. En indien nodig om je kop van je romp te slaan. En hier kom jij niet zomaar weg" en/of "Deze man zit op een vechtsport", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] onder bedreiging met gevangenisstraf en/of in een voor die [slachtoffer 1] intimiderende sfeer hebben/heeft bevolen/gedwongen een verklaring/schuldbekentenis te ondertekenen, waarin die [slachtoffer 1] (onder andere) verklaarde geld en/of goederen vrijwillig en zonder dwang te hebben overgedragen en/of te zullen overdragen aan de heer en mevrouw [naam verdachte] te [woonplaats] en/of

- die [slachtoffer 1] hebben/heeft verboden en belet zijn echtgenote en/of een advocaat te bellen en/of

- die [slachtoffer 1] in een afgesloten auto waaruit hij niet kon wegkomen, hebben/heeft vervoerd naar de door die [slachtoffer 1] bewoonde woning en/of

- (vervolgens) die woning met geweld en/of met overmacht zijn/is binnengedrongen en/of

- die [slachtoffer 1] hebben/heeft verboden en belet een moment alleen met zijn echtgenote te spreken en/of

- die [slachtoffer 2] in een bedreigende sfeer hebben/heeft bevolen (haar) sieraden op te halen en deze aan verdachte en/of die mededader(s) af te geven en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd dat in de door haar/hem/hen bewoonde woning alleen de bank en de salontafel zouden blijven staan, maar dat de rest zou worden meegenomen en/of

- die [slachtoffer 2] dreigend hebben/heeft bevolen een lijst met waardevolle spullen op te maken;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

A.

hij op of omstreeks 30 september 2009 te [plaats delict], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, immers hebben/heeft verdachte en/of die mededader(s) met dat opzet

- die [slachtoffer 1], door deze voortdurend te bewaken, belet de woning waarin verdachte en/of die mededader(s) en die [slachtoffer 1] zich bevond(en), te verlaten en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] onder voortdurende bewaking vervoerd achterin een auto, waarvan het portier aan de kant waar die [slachtoffer 1] zat was afgesloten met een kinderslot en die [slachtoffer] (mede) daardoor die auto niet kon verlaten;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

B.

hij op of omstreeks 30 september 2009 te [plaats delict], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [adres slachtoffer 1 en 2] en in gebruik bij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s);

art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

C.

hij in of omstreeks de periode van 30 september 2009 tot en met 9 november 2010 te [plaats delict], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer auto('s) (BMW's), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als onderpand voor een schuld

van die [slachtoffer 1] aan verdachte, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Wilbrink acht hetgeen primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis,geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen dienen niet ontvankelijk te worden verklaard.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het primair en subsidiair onder A, B en C tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Met betrekking tot het primair tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting neemt de rechtbank aan dat een deel van de tenlastegelegde feitelijkheden, zoals onder meer de opmerkingen over “je kop van de romp slaan”, “deze man zit op een vechtsport” en de opmerking dat verdachten [slachtoffer 1] naar het politiebureau zouden brengen als hij niet meewerkte, wel hebben plaatsgevonden en dat hierdoor een intimiderende sfeer is ontstaan, maar dat dit niet (een zodanige vorm van psychisch) geweld of geweldsdreiging oplevert zoals bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat burgers niet op deze wijze tot incasso horen over te gaan, zijn de feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval niet te kwalificeren als een strafbaar feit.

Verdachte dient derhalve van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het subsidiair onder A tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 1] weliswaar heeft verklaard dat hij zich gedwongen voelde maar dat van daadwerkelijke dwang en daadwerkelijke vrijheidsberoving niet is gebleken.

Met betrekking tot het subsidiair onder B tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat de deur van de woning, na aanbellen, is geopend door de echtgenote of de dochter van [slachtoffer 1] en dat van wederrechtelijk binnendringen niet is gebleken.

Met betrekking tot het subsidiair onder C tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van zowel aangever als verdachten blijkt dat de auto’s zijn afgegeven aan [verdachte] ter delging van de (gestelde) schuld van [slachtoffer 1] aan [verdachte] en niet als onderpand van die schuld en dat derhalve geen sprake kan zijn van verduistering van die auto’s.

Verdachte dient derhalve ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

De vorderingen van de benadeelde partijen

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partijen zullen niet ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen en zij kunnen deze vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair onder A, B en C is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. De benadeelde partijen en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mrs. J.J. Schoemaker en

F. Sieders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 1 november 2011.