Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU1430

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
19.830179-11 en 19.830219-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweer met betrekking tot de strafbaarheid van het onder 2 tenlastegelegde (noodweer verweer)

De raadsman heeft ter terechtzitting ontslag van alle rechtsvervolging van het onder 2. ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte handelde uit noodweer nu hij zich verdedigde als gevolg van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dat het door hem gepleegde feit derhalve niet strafbaar is. Verdachte en de medeverdachte werden door het slachtoffer, [slachtoffer], verrast en medeverdachte [medeverdachte] werd door [slachtoffer] getrapt. Verdachte zat in de auto en kon nergens heen. Uit voorzorg en ter verdediging van zijn eigen lijf heeft verdachte hierop zijn wapen getrokken, het wapen aan [slachtoffer] getoond en er mee geschoten. De verdediging meent dat deze handelingen zijn aan te merken als een noodzakelijke verdediging. Er is dus sprake van een noodweersituatie dan wel een putatieve noodweersituatie.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het navolgende.

Artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt onder meer dat niet strafbaar is degene die een feit begaat geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Volgens vaste rechtspraak kan van aanranding ook sprake zijn in geval van een gedraging die een onmiddellijk dreigend gevaar oplevert voor zo'n aanranding.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen het lijf van verdachte, waartegen verdachte zich mocht verweren.

Vast staat dat [verdachte] en [medeverdachte] hebben ingebroken in de woning van [slachtoffer] waarbij zij ondermeer de autosleutels van de auto van [slachtoffer] hebben buitgemaakt. Toen verdachte in de auto van [slachtoffer] zat en trachtte deze te starten werden [medeverdachte] en hij overlopen door [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij de mannen bij en in zijn auto zag en dat hij schreeuwend op hen is afgelopen. Vervolgens heeft hij [medeverdachte] een trap gegeven. [verdachte] heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij lawaai hoorde, dat [medeverdachte] tegen hem zei dat hij getrapt was en dat hij, [verdachte], hierop uit de auto is gestapt. Hij zag een man ([slachtoffer]) lopen op enige meters afstand.

Gelet op voornoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden van een wederrechtelijke aanval door [slachtoffer] op verdachten. Zij waren immers bezig om zijn auto te stelen. Voorts had [verdachte] alsnog weg kunnen gaan of zich over kunnen geven toen hij [slachtoffer] op zich af zag komen. Er was geen sprake van een noodzakelijke verdediging.

Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. Hoewel reeds uit de aard van de onder 3 genoemde uitlatingen van verdachte volgt dat deze -anders dan de raadsman betoogt- een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel of de dood inhouden voor de opsporingsambtenaren tot wie verdachte zich richt, kan niet bewezen worden dat deze bedreiging heeft plaatsgevonden in [plaats delict], zoals is tenlastegelegd. Uit het proces-verbaal van politie blijkt immers dat voornoemde bedreigende uitlatingen werden gedaan in het surveillancevoertuig tijdens de rit van [plaats delict] naar het politiebureau aan de Balkengracht te Assen. Nu de precieze locatie van het surveillancevoertuig ten tijde van de bedreiging niet bekend is en enkel [plaats delict] als pleegplaats is tenlastegelegd dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830179-11 en 19.830219-10

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 25 oktober 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende te [woonplaats],

[detentieadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 18 oktober 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.

De tenlastelegging

De verdachte is bij gewijzigde dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te [plaats delict], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen een navigatiesysteem en/of een laptop en/of een telefoon en/of een of meer portemonnee's met inhoud en/of autosleutels, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2. hij op of omstreeks 10 juli 2011 te [plaats delict], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een aan/nabij de [adres] staande auto ([merk auto]), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die auto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel, met dat voornemen zich tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, naar die auto heeft/hebben begeven en/of (vervolgens) zich door middel van een uit de woning weggenomen sleutel die auto heeft/hebben geopend en/of (vervolgens) in die auto is/zijn gaan zitten en/of (vervolgens) getracht heeft/hebben die auto te starten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader een pistool, althans een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft/hebben geschoten, althans een vuurwapen aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of met een/dat vuurwapen heeft/hebben geschoten;

3.

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te [plaats delict], de opsporingsambten(a)ar(en) van de regiopolitie Drenthe, [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk die opsporingsambtena(a)r(en) (telkens) dreigend de woorden toegevoegd :

-"je rijdt te hard, zal ik je een trap voor je kop geven? Stelletje zielige klootzakken ik ben ex marinier en ik werk straks als de boeien af zijn wel met jullie af” en/of

-"wil je je vrouw en kinderen weer terug zien, ik zoek je straks op als ik vrij ben, ik ben toch met een jaartje weer op vrije voeten en dan ben je niet meer zo stoer" en/of

-"wat er ook gebeurt, jullie mogen met tien man komen, maar een van jullie beiden sla ik met een slag knock-out en dan blijf ik net zo lang op je intrappen dat je op de IC terecht komt” en/of

-"doe me je handboeien dan af mietje, dikke lul dat je bent, dan zullen we eens vechten, het maakt niet uit, al krijg ik twintig jaar met TBS; Ik ben al vijftig, wat maakt het mij uit" en/of

-“heb je wel eens dooien gezien met afgerukte ledematen, nee he, mietjes, jullie, jullie zijn gewoon zielig dat je bij de politie werkt, ik had gewoon moeten schieten, er komt nog een tijd dat er veel meer wordt geschoten dat jullie met velen tegelijk worden afgemaakt, liever een zus als hoer dan een politieman als broer” en/of

-“als de boeien straks af gaan dan is een van jullie aan de beurt, en als je de boeien niet afdoet dan pak ik wel iemand anders, bijvoorbeeld degene die het verhoor afneemt”

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te [plaats delict], een wapen van categorie III onder I, te weten een gaspistool (merk Umarex, kaliber 9 mm) en/of munitie van categorie III, te weten een knalpatroon (merk Umarex, kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. A.M. de Vries acht hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest en onder de bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en klinische observatie voor de maximale duur van 3 maanden. Het reclasseringstoezicht dient mede te omvatten dat verdachte zich klinisch of ambulant zal laten behandelen voor problematiek aangaande verslaving, borderlinestoornis en/of PTSS voor de maximale duur van de proeftijd, dan wel mee zal werken aan enige andere behandeling conform het behandeladvies volgend uit de klinische observatie.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 17 november 2010 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman op deze punten vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, te weten:

1. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 juli 2011, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;

2. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 11 juli 2011 inhoudende de bevindingen van het door verbalisant op 10 juli 2011 ingestelde onderzoek ;

3. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2011.

Verweer met betrekking tot de strafbaarheid van het onder 2 tenlastegelegde

De raadsman heeft ter terechtzitting ontslag van alle rechtsvervolging van het onder 2. ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte handelde uit noodweer nu hij zich verdedigde als gevolg van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dat het door hem gepleegde feit derhalve niet strafbaar is. Verdachte en de medeverdachte werden door het slachtoffer, [slachtoffer], verrast en medeverdachte [medeverdachte] werd door [slachtoffer] getrapt. Verdachte zat in de auto en kon nergens heen. Uit voorzorg en ter verdediging van zijn eigen lijf heeft verdachte hierop zijn wapen getrokken, het wapen aan [slachtoffer] getoond en er mee geschoten. De verdediging meent dat deze handelingen zijn aan te merken als een noodzakelijke verdediging. Er is dus sprake van een noodweersituatie dan wel een putatieve noodweersituatie.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het navolgende.

Artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt onder meer dat niet strafbaar is degene die een feit begaat geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Volgens vaste rechtspraak kan van aanranding ook sprake zijn in geval van een gedraging die een onmiddellijk dreigend gevaar oplevert voor zo'n aanranding.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen het lijf van verdachte, waartegen verdachte zich mocht verweren.

Vast staat dat [verdachte] en [medeverdachte] hebben ingebroken in de woning van [slachtoffer] waarbij zij ondermeer de autosleutels van de auto van [slachtoffer] hebben buitgemaakt. Toen verdachte in de auto van [slachtoffer] zat en trachtte deze te starten werden [medeverdachte] en hij overlopen door [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij de mannen bij en in zijn auto zag en dat hij schreeuwend op hen is afgelopen. Vervolgens heeft hij [medeverdachte] een trap gegeven. [verdachte] heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij lawaai hoorde, dat [medeverdachte] tegen hem zei dat hij getrapt was en dat hij, [verdachte], hierop uit de auto is gestapt. Hij zag een man ([slachtoffer]) lopen op enige meters afstand.

Gelet op voornoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden van een wederrechtelijke aanval door [slachtoffer] op verdachten. Zij waren immers bezig om zijn auto te stelen. Voorts had [verdachte] alsnog weg kunnen gaan of zich over kunnen geven toen hij [slachtoffer] op zich af zag komen. Er was geen sprake van een noodzakelijke verdediging.

Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. Hoewel reeds uit de aard van de onder 3 genoemde uitlatingen van verdachte volgt dat deze -anders dan de raadsman betoogt- een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel of de dood inhouden voor de opsporingsambtenaren tot wie verdachte zich richt, kan niet bewezen worden dat deze bedreiging heeft plaatsgevonden in [plaats delict], zoals is tenlastegelegd. Uit het proces-verbaal van politie blijkt immers dat voornoemde bedreigende uitlatingen werden gedaan in het surveillancevoertuig tijdens de rit van [plaats delict] naar het politiebureau aan de Balkengracht te Assen. Nu de precieze locatie van het surveillancevoertuig ten tijde van de bedreiging niet bekend is en enkel [plaats delict] als pleegplaats is tenlastegelegd dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten en [verbalisant 4] en [verbalisant 5] inhoudende het relaas van aanhouding van verdachte en het aantreffen van het vuurwapen;

- het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 6] , inhoudende het technische onderzoek aan het onder verdachte in beslag genomen vuurwapen. Uit dit onderzoek blijkt dat het een semi automatisch gaspistool betreft, merk Umarex, Walther P88, kaliber 9 mm P.A. Knal, en dat dit gaspistool een vuurwapen is in de zin van artikel 1 onder 3 juncto artikel 2 lid 1 categorie III onder I van de Wet wapens en munitie. De aangetroffen patroon betreft munitie in de zin van artikel 1 onder 4 juncto artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie;

- de verklaring van de verdachte bij de politie en ter terechtzitting dat het aangetroffen vuurwapen van hem is en dat hij dit wapen voorhanden had op 10 juli 2011.

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat het aangetroffen vuurwapen niet valt onder de in categorie III onder I, maar onder de in categorie IV sub 4 genoemde wapens en dat verdachte derhalve van dit feit dient te worden vrijgesproken. De rechtbank verwerpt dit verweer gelet op de hiervoor genoemde technische rapportage van verbalisant [verbalisant 6]. De enkele, niet nader onderbouwde stelling van de raadsman dat de tenlastelegging een verkeerde categorie noemt is voor de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van het onderzoek van [verbalisant 6] te twijfelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1, onder 2 en onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 10 juli 2011 te [plaats delict], tezamen en in vereniging met een ander, in voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen een laptop en een telefoon en portemonnees met inhoud en autosleutels, toebehorende aan anderen dan aan verdachte en zijn medeverdachte, waarbij verdachte en zijn medeverdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van inklimming;

2. hij op 10 juli 2011 te [plaats delict], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een aan de [adres] staande auto ([merk auto]), toebehorende aan [slachtoffer] en zich daarbij de toegang tot die auto te verschaffen door middel van een valse sleutel, met dat voornemen zich tezamen en in vereniging met een ander naar die auto heeft begeven en vervolgens in die auto is gaan zitten en vervolgens getracht heeft die auto te starten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld door bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging hierin bestond, dat verdachte een vuurwapen aan die [slachtoffer] heeft getoond en met dat vuurwapen heeft geschoten;

4. hij op 10 juli 2011 te [plaats delict], een wapen van categorie III onder I, te weten een gaspistool (merk Umarex, kaliber 9 mm) en munitie van categorie III, te weten een knalpatroon (merk Umarex, kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1, 2 en 4 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1: diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd en door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming, strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: poging tot diefstal, vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto de artikelen 45 en 310 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de wet wapens en munitie.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte en zijn medeverdachte hebben ingebroken in een woning in de nachtelijke uren. Met de gestolen sleutels hebben zij geprobeerd de bij de woning staande auto mee te nemen.

Verdachte heeft verklaard dat hij en zijn medeverdachte in [plaats delict] waren gestrand met autopech. Het plan was om autosleutels te stelen zodat hij en zijn medeverdachte met de gestolen auto verder konden reizen. Het slachtoffer heeft dat laatste kunnen voorkomen. Hij werd wakker en zag [medeverdachte] bij zijn auto staan. Als reactie op het willen stelen van de auto heeft het slachtoffer [medeverdachte] een trap gegeven waardoor deze kwam te vallen. Als reactie daarop heeft verdachte met een alarmpistool geschoten en zijn de verdachten vervolgens weggerend door het ontstane tumult.

Inbreken in een woning in de nachtelijke uren terwijl de bewoners liggen te slapen is een zeer ernstig feit. Door zo te handelen wordt de privacy en de veiligheid van de bewoners ernstig aangetast. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat de slachtoffers daar gedurende een lange periode nog de nodige psychische gevolgen van ondervinden.

Dat verdachte bij de inbraak een gaspistool bij zich had en daarvan bovendien, na betrapping, gebruik maakte, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De officier van justitie heeft de rechtbank voorgesteld om een gevangenisstraf op te leggen van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk, voor de door haar bewezen geachte feiten. De officier van justitie heeft daarbij aansluiting gezocht bij de richtlijn voor woningovervallen. Daarbij vraagt de officier van justitie om bijzondere voorwaarden, zoals hiervoor weergegeven, op te leggen. De raadsman heeft bepleit enkel een onvoorwaardelijke straf op te leggen en een eventuele observatie of behandeling van verdachte in het kader van de voorlopige invrijheidstelling plaats te laten vinden. De raadsman heeft de rechtbank in overweging gegeven de geëiste straf te matigen.

Aangaande de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 12 september 2011 waaruit blijkt dat verdachte eerder tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld met betrekking tot vermogensdelicten, alsmede op het door VNN uitgebrachte reclasseringsadvies d.d. 28 juli 2011.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Zij komt daarbij tot een straf van lagere duur dan door de officier van justitie gevorderd omdat de rechtbank de bewezenverklaarde feiten kwalificeert als (1) diefstal in vereniging en (2) diefstal met geweld en voor de strafmaat daarbij aansluiting zal zoeken en niet bij de richtlijn voor woningovervallen. Voorts komt zij tot een lagere straf omdat verdachte van het onder 3 tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken.

De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, niet aangewezen omdat, zoals de raadsman heeft aangevoerd, een eventuele observatie of behandeling van verdachte in het kader van de voorlopige invrijheidstelling plaats kan vinden en verdachte overigens ook open staat voor begeleiding en behandeling en dit derhalve niet in een verplicht kader hoeft te worden opgelegd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.830219-10.

De rechtbank acht de vordering van de officier van justitie toewijsbaar nu de verdachte, eerder veroordeeld tot een voorwaardelijke straf bij vonnis van de politierechter te assen d.d. 17 november 2010, zich tijdens de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal gelasten dat de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden (ZESTIEN MAANDEN).

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.830219-10.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 17 november 2010 door de politierechter te Assen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. J.J. Schoemaker en mr. F. Sieders, rechters in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 25 oktober 2011.