Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BU1393

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
19.830162-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dit alles neemt niet weg dat verdachte als opa van zijn kleindochters hun lichamelijke integriteit heeft geschonden. Ook het vertrouwen en het zich veilig mogen voelen bij verdachte is door hem op grove wijze geschonden.

Het betreft naar het oordeel van de rechtbank dan ook ernstige feiten waarbij sprake is van handelen waarbij verdachte zijn eigen lustbeleving en zichzelf voorop stelde. Te meer nu verdachte niet is gestopt nadat de ontucht bekend was geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830162-11

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 25 oktober 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1943,

wonende [woonadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 11 oktober 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. H.A. Koning, advocaat te Meppel.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. hij in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 30 augustus 2010, te Alteveer, althans in de gemeente Hoogeveen, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2001, immers heeft hij in genoemde periode meermalen, althans eenmaal, de (blote) vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 1] aangeraakt/betast;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 30 augustus 2010, te Alteveer, althans in de gemeente Hoogeveen, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaar te weten [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2001, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte in genoemde periode meermalen, althans eenmaal, de (blote) vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 1] aangeraakt/betast;

2. hij in of omstreeks de maand oktober 2004 te Alteveer, althans in de gemeente Hoogeveen, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1991, immers heeft hij toen aldaar de (ontblote) borst(en)/tepel(s) van die [slachtoffer 2] betast/aangeraakt en/of gekust;

en/of

hij in of omstreeks de maand oktober 2004 te Alteveer, althans in de gemeente Hoogeveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om ontucht te plegen met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1991, aan die [slachtoffer 2], met wie hij zich toen aldaar in een slaapkamer bevond, heeft voorgesteld om de (blote) vagina van die [slachtoffer 2] te kussen en/of heeft getracht in de (ontblote) borst(en) van die [slachtoffer ] te knijpen,

althans de (ontblote) borst(en) van die [slachtoffer ] te betasten/aan te raken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 31 december 2004, althans op een of meer tijdstippen gelegen in het jaar 2004 en/of 2005, te Alteveer, althans in de gemeente Hoogeveen, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1991, immers heeft hij in genoemde periode de/een borst(en) en/of de billen en/of de buik van die [slachtoffer 3] betast/aangeraakt en/of in de/een borst(en) van die [slachtoffer 3] geknepen;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 31 december 2004, althans op een of meer tijdstippen gelegen in het jaar 2004 en/of 2005 te Alteveer, althans in de gemeente Hoogeveen, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaar te weten [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1991, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte in genoemde periode een of meermalen de/een borst(en) en/of de billen en/of de buik van die [slachtoffer 3] betast/aangeraakt en/of in de/een borst(en) van die [slachtoffer 3] geknepen;

4. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2009, te Alteveer, althans in de gemeente Hoogeveen en/of Spijkenisse, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum] 2000, immers heeft hij in genoemde periode meermalen, althans eenmaal, de (blote) vagina en/of billen en/of buik van die [slachtoffer 4] aangeraakt/betast en/of gestreeld en/of die [slachtoffer 4] zijn, verdachte's penis laten vasthouden/ betasten;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2009, te Alteveer, althans in de gemeente Hoogeveen en/of Spijkenisse, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaar te weten [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum] 2000, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte in genoemde periode een of meermalen de (blote) vagina en/of billen en/of buik van die [slachtoffer 4] aangeraakt/betast en/of gestreeld en/of die [slachtoffer 4] zijn, verdachte's penis laten vasthouden/ betasten;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De officier van justitie heeft een vordering wijziging tenlastelegging ingediend en aan de feiten 1, 3 en 4 een naar haar zeggen subsidiair feit toegevoegd. De rechtbank heeft die vordering toegewezen. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zowel de officier van justitie als de raadsman ervan uit gaan dat per feit een primair en subsidiair feit is tenlastegelegd.

In de gewijzigde tenlastelegging echter zijn de feiten telkens gescheiden door de woorden "en/of" hetgeen inhoud dat de rechtbank of beide feiten of één daarvan bewezen kan achten.

Gelet op de beschrijving van de feiten die alleen kwalificatief van elkaar verschillen en de opvatting van de officier van justitie en de raadsman zal de rechtbank waar in de tenlastelegging bij de feiten 1, 3 en 4 staat "en/of" lezen alsof daar staat "althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat".

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. I.E. de Ruijter acht hetgeen onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 24 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van toezicht reclassering en voortzetting van de behandeling bij de AFPN;

* gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4];

* toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 3 primair en 4 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit met de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen acht omdat bij deze feiten geen sprake is geweest van "aan zijn zorg en waakzaamheid" toevertrouwde minderjarige. In deze gevallen waren de ouders van de minderjarige eveneens bij verdachte thuis aanwezig.

Bewijsmiddelen

Nu verdachte hetgeen de rechtbank onder 4 subsidiair bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen te weten:

- een proces-verbaal van aangifte van oktober 2010 1 waarin [moeder], moeder van [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum] 2000, heeft verklaard dat haar vader [verdachte] seksuele handelingen had verricht bij haar dochter.

- de verklaring van verdachte afgelegd op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2011.

Bespreking van het bewijs met betrekking tot de feiten 1 primair, 2 en 3 primair

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 primair bewezen kan worden geacht. De verklaringen van de slachtoffers moeten gezien worden in het licht dat zij hun opa beschuldigen en dat zij vandaar uit een beschrijving van de omstandigheden geven.

In de onderlinge aangiften zitten voldoende parallellen en daarbij genomen de verklaringen van de verdachte, die zich bepaalde gebeurtenissen wel herinnert, kan tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten komen.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank gaat van de volgende bewijsmiddelen uit.

[opgave van de bewijsmiddelen]

Op grond van voormelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd die in de bewezenverklaring zijn vermeld. Daaraan doet niet af dat het bewijs hoofdzakelijk is gegrond op de aangiften en de studioverhoren. Die verklaringen zijn gedetailleerd en als verdachte over de details wordt bevraagd geeft hij aan het zich niet te kunnen herinneren.

Voorts komt uit de aangiften een zeker patroon naar voren in die zin dat het handelen van verdachte (veelal) gericht was op het betasten van de borsten en de vagina van de slachtoffers.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 30 augustus 2010, te Alteveer, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2001, immers heeft hij in genoemde periode meermalen de blote vagina en de schaamstreek van die [slachtoffer 1] betast;

2. hij omstreeks de maand oktober 2004 te Alteveer, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1991, immers heeft hij toen aldaar de ontblote borsten/tepels van die [slachtoffer 2] betast;

3. hij omstreeks het jaar 2004 te Alteveer, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaar te weten [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1991, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte in genoemde periode de borsten en de buik van die [slachtoffer 3] betast;

4. hij omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2009, te Alteveer en/of Spijkenisse, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaar te weten [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum] 2000, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte in genoemde periode meermalen de blote vagina en/of billen en/of buik van die [slachtoffer 4] betast en gestreeld en die [slachtoffer 4] zijn, verdachte's penis laten vasthouden;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Met betrekking tot feit 2 is naar het oordeel van de rechtbank in het tweede deel geen sprake van een begin van uitvoeringshandeling zodat niet gesproken kan worden van een poging tot ontucht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1: ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige,

strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 3: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte ontucht heeft gepleegd met vier van zijn kleindochters. Deze handelingen vonden hoofdzakelijk plaats op momenten dat zij bij hun opa en oma logeerden. Ook nadat in de familie bekend was geworden dat verdachte ontucht had gepleegd met een van zijn kleindochters, is verdachte doorgegaan met zijn handelingen.

Met betrekking tot feit 4 heeft verdachte op de zitting verklaard dat het tenlastegelegde feit klopt. Van de overige feiten heeft verdachte verklaard dat hij zich de handelingen niet meer kan herinneren. Verdachte heeft, zo begrijpt de rechtbank, op momenten last van een lacunair geheugen. Verdachte kampt daar in feite al zijn gehele leven mee.

Dit alles neemt niet weg dat verdachte als opa van zijn kleindochters hun lichamelijke integriteit heeft geschonden. Ook het vertrouwen en het zich veilig mogen voelen bij verdachte is door hem op grove wijze geschonden.

Het betreft naar het oordeel van de rechtbank dan ook ernstige feiten waarbij sprake is van handelen waarbij verdachte zijn eigen lustbeleving en zichzelf voorop stelde. Te meer nu verdachte niet is gestopt nadat de ontucht bekend was geworden.

De officier van justitie heeft de rechtbank voorgesteld de door haar bewezen geachte feiten af te doen met een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals hiervoor is vermeld. De officier heeft bij haar eis betrokken dat er sprake is van ontucht waarbij 4 kleindochters zijn betrokken en dat met betrekking tot het slachtoffer in feit 4 sprake is van een zekere stelselmatigheid.

De officier acht het van belang dat verdachte, om recidive af te wenden, de behandeling bij de AFPN voortzet.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan de omstandigheden van de verdachte. Een onvoorwaardelijke gevangenis-straf zal mogelijk leiden tot een breuk met de partner van verdachte. De raadsman heeft de rechtbank verzocht een werkstraf op te leggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Aangaande de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte en de gevorderde leeftijd van verdachte. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 15 september 2011 waaruit blijkt dat verdachte een blanco strafblad heeft.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat verdachte inzicht lijkt te krijgen van het verwerpelijke van zijn handelen. Verdachte heeft hulp gezocht en is nu in behandeling bij de AFPN. Verdachte is gemotiveerd die behandeling af te maken.

Ook laat de rechtbank meewegen dat de gebeurtenissen grote emotionele gevolgen hebben voor de relatie van verdachte met zijn kinderen en zijn echtgenote. Anderzijds geven enkele slachtoffers ook aan dat zij het contact met hun opa missen.

De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als door de officier van justitie is gevorderd maar zal een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Uit de aangiften blijkt dat de slachtoffers wilden bewerkstelligen dat het gedrag van verdachte zou stoppen.

Zoals hiervoor is opgemerkt is verdachte nu in behandeling bij de AFPN en verdachte dient die behandeling naar het oordeel van de rechtbank voort te zetten. De rechtbank zal daarom een aanmerkelijke voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte een steun in de rug te geven de behandeling bij de AFPN (of soortgelijke instelling) voort te zetten en af te maken en hem in de toekomst te weerhouden van dergelijk gedrag.

Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen van 240 uren.

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij bestreden omdat de aangehaalde uitspraken niet vergelijkbaar zijn met onderhavige casus. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering te beperken tot 750 euro.

De rechtbank is van oordeel dat het slachtoffer op enige wijze schade heeft ondervonden door het bewezen verklaarde feit. De verdediging betwist dat ook niet.

Voor de onderbouwing van de hoogte van de immateriële schade is namens het slachtoffer verwezen naar een tweetal uitspraken uit de smartengeldgids. Die uitspraken hebben echter betrekking op duidelijk ander soortige zaken. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat het slachtoffer de in die uitspraken genoemde psychische schade ervaart. De mate van causali-teit tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde immateriële schade blijft dan ook onduidelijk.

Nu de verdediging de vordering tot een bedrag van 750 euro niet heeft weersproken, er sprake is van enige causaliteit acht de rechtbank de vordering toewijsbaar tot voormeld bedrag.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. De rechtbank zal de benadeelde partij niet in de gelegenheid stellen de vordering alsnog nader te onderbouwen nu dit zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist en komt de rechtbank niet ongegrond voor zodat de vordering voor toewijzing vatbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot de onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht tot na te noemen bedragen aansprakelijk voor de schade, die door de strafbare feiten is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd na de noemen bedragen aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 3 primair en 4 primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 primair, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:

* een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN MAANDEN geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, hetgeen mede inhoudt dat verdachte de behandeling bij de AFPN of soortgelijke instelling dient voort te zetten zolang als de reclassering dat noodzakelijk acht, met opdracht aan de reclasseringsinstelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

* een taakstraf bestaande uit 240 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van de som van € 750,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], een bedrag van € 750,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van de som van € 750,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], een bedrag van € 750,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en

verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormelde bedragen ten behoeve van de slachtoffers de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen doet vervallen, alsmede dat betaling van voormelde bedragen aan de benadeelde partijen de verplichting tot betaling aan de Staat van deze bedragen doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Fuhler, voorzitter en mr. B.I. Klaassens en mr. F. Sieders, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 25 oktober 2011.

1 pag. 132 ev van het dossier met proces-verbaalnummer PL17K0 2010607456-1