Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BT8403

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
19.830163-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Assen veroordeelt man wegens ontucht met veertienjarig meisje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830163-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 oktober 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

[geboortedatum] 1987,

[adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 04 oktober 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 13 november 2010 in de gemeente Meppel, met [slachtoffer]

([geboortedatum]) die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die

van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

immers heeft verdachte die [slachtoffer] gevraagd op bed te gaan liggen en zich uit

te kleden en/of zichzelf te vingeren/betasten en/of heeft hij met een voorwerp

(vibrator) de vagina van die [slachtoffer] aangeraakt en/of is met dat voorwerp de

vagina binnen gegaan en/of heeft hij zijn penis in haar mond geduwd/gedaan

en/of heen en weer bewogen en/of zijn penis in haar vagina geduwd/gedaan en/of

heen en weer bewogen;

art 245 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. D. Homans-de Boer acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk,

met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering,

hetgeen mede een behandeling bij de AFPN kan inhouden;

* toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ten bedrage van

€ 1000,--, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De rechtbank is uit de stukken niet gebleken dat het openbaar ministerie de minderjarige, die ten tijde van het ten aanzien van haar gepleegde misdrijf (zoals omschreven in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht) ouder dan twaalf jaren was, in de gelegenheid heeft gesteld haar mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. Derhalve is in strijd met het in artikel 167a van het Wetboek van Strafvordering verwoorde hoorrecht gehandeld.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de officier van justitie kan worden ontvangen in de vervolging, nu uit met name het informatieve gesprek dat de minderjarige1 met de gecertificeerde zedenrechercheurs van de regiopolitie Drenthe heeft gevoerd, blijkt dat zij kenbaar heeft gemaakt dat zij vervolging van verdachte wenst en aldus is in het onderhavige geval feitelijk invulling gegeven aan bedoeld hoorrecht.

Bewijsmotivering

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsvrouw vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

Opgave bewijsmiddelen

- een verslag van het informatief gesprek2 met slachtoffer [slachtoffer];

- de verklaring van slachtoffer [slachtoffer]3;

- de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 november 2010 in de gemeente Meppel, met [slachtoffer] ([geboortedatum]) die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte zijn penis in haar mond gedaan

en heen en weer bewogen en zijn penis in haar vagina gedaan en heen en weer bewogen.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen rekening gehouden met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.

Verdachte, die destijds 23 jaar oud was, heeft zich (eenmalig) schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met [slachtoffer], die toen enkele weken veertien jaren oud was. De wetgever heeft er voor gekozen dit soort feiten strafbaar te stellen, ter bescherming van jeugdigen, omdat zij de gevolgen van dergelijke handelingen nog niet kunnen overzien. Door zijn handelwijze heeft verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van [slachtoffer] geschonden. [slachtoffer] heeft, zo volgt uit haar civiele vordering, het feit en de (psychische) gevolgen ervan als ingrijpend ervaren.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging voorts rekening met de eis van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw van verdachte. De officier van justitie heeft een deels voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering, hetgeen mede een behandeling bij de AFPN kan inhouden. De raadsvrouw heeft een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht bepleit.

Tevens houdt de rechtbank rekening met de verdachte betreffende reclasseringsrapportage, de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 05 augustus 2011, de moeilijke (belaste) jeugd van verdachte en het gegeven dat verdachte reeds zelf hulp heeft gezocht bij de AFPN.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een taakstraf, in de vorm van werkstraf, voor de maximale duur geboden is. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat - ter voorkoming van recidive- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor na te melden duur dient te worden opgelegd met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, hetgeen mede een behandeling bij de AFPN kan inhouden.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De rechtbank is uit de stukken gebleken dat bij de benadeelde partij ook voor het gepleegde feit reeds (psychische) problematiek bestond en dat hulp was ingeschakeld. De rechtbank zal, gelet op deze reeds aanwezige problematiek, het bedrag van de schade waarvoor verdachte aansprakelijk kan worden gesteld naar redelijkheid en billijkheid vaststellen. De rechtbank acht de civiele vordering tot een bedrag van € 500,00 voor toewijzing vatbaar. Voor het overige zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt,

of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, hetgeen mede kan inhouden dat verdachte zich laat behandelen bij AFPN, met opdracht aan de reclasseringsinstelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

- een taakstraf bestaande uit 240 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van de som van € 500,00 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank wijst het overige deel van de vordering van de benadeelde partij af.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag van € 500,00 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. M. van der Veen, rechters, in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 18 oktober 2011, zijnde mr. Van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 pag. 45/46 van het proces-verbaal van politie Drenthe, registratienr: PL033E 2010073480 (het PV)

2 pag. 44ev van het PV

3 pag. 57ev van het PV