Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BR6863

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
19.810245-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat in een geval als het onderhavige een lopende hoger beroep procedure tegen het vonnis van de rechtbank Assen niet in de weg staat aan de bevoegdheid van de officier van justitie van de rechtbank te vorderen dat zij alsnog verpleging van overheidswege van veroordeelde beveelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.810245-09

Raadkamernummer: 11/194

Beschikking van de Meervoudige kamer d.d. 1 september 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboortep;laats] op [geboortedatum] 1962,

verblijvende in [plaats van detentie],

veroor¬deelde.

1. Gang van zaken

Bij vonnis van de rechtbank Assen d.d. 27 januari 2011 is aan veroordeelde onder meer de maatregel van tbs met voorwaarden opgelegd. De rechtbank Assen heeft bij voormeld vonnis ex artikel 38 lid 6 en lid 7 Wetboek van Strafrecht bevolen dat de destijds opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Blijkens de rapportages van de GGZ Drenthe (FPK Assen) d.d. 30 juni 2011 en het Leger des Heils en Reclassering Groningen d.d. 30 juni 2011 hebben deze instellingen aangegeven geen invulling aan de voorwaarden meer te kunnen geven, omdat huns inziens de veroordeelde niet aan de verplichte behandeling heeft meegewerkt.

De officier van justitie heeft vervolgens aan de rechter-commissaris van de rechtbank Assen een vordering op de voet van art. 509i Wetboek van Strafvordering gedaan.

De rechter-commissaris heeft op 1 juli 2011 een bevel tot voorlopige verpleging gegeven dat ex art. 509i lid 5 Wetboek van Strafvordering dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Veroordeelde is aangehouden.

Op 1 juli 2011 heeft de officier van justitie tevens een vordering gedaan, strekkende te bevelen dat de veroordeelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

De vordering is op 21 juli 2011 door deze rechtbank behandeld. In afwachting van de behandeling van het hoger beroep tegen eerdergenoemd vonnis van 27 januari 2011 bij het gerechtshof is toen de behandeling van de vordering van de officier van justitie aangehouden tot 6 oktober 2011, of een eerdere raadkamerzitting indien de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep van veroordeelde niet zou plaatsvinden op 8 september 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van het schrijven van de officier van justitie d.d. 22 juli 2011 ondermeer inhoudende dat het Hof niet akkoord is gegaan met een behandeling van het hoger beroep op 8 september 2011.

Op 25 augustus 2011 zijn ter openbare raadkamer gehoord:

- de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht;

- A.R.F.G. Koekoek, reclasseringsmedewerker verbonden aan het Leger des Heils en Reclassering Groningen;

- de officier van justitie, mr. [naam officier van justitie].

Tevens is ter zitting verschenen de deskundige K.N.A. ’t Lam, verbonden aan de Forensisch Psychiatrische Kliniek Assen.

De deskundige J.P. Bouman is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken met betrekking tot de terbeschikkingstelling.

2. Motivering

Namens veroordeelde is door zijn raadsman ter zitting primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de behandeling van de vordering aan te houden, nu de door veroordeelde gewenste getuige-deskundige Bouman (Reclassering Amsterdam) ondanks daartoe opgeroepen te zijn, niet ter zitting is verschenen.

Met betrekking tot het primair door de raadsman aangevoerde overweegt de rechtbank het volgende.

Het verzoek het OM niet-ontvankelijk in zijn vordering te verklaren berust, zo is door de raadsman ter zitting aangevoerd, op twee pijlers. In de eerste plaats stelt de raadsman, zakelijk weergegeven, dat de in het geding zijnde vordering er toe strekt het bevel tot dwangverpleging dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De dadelijke uitvoerbaarheid van het bevel tot dwangverpleging is niet door de wetgever beoogd. Nu, aldus de raadsman, tegen de eindbeslissing van het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 27 januari 2011 hoger beroep is ingesteld, is de destijds opgelegde maatregel niet in kracht van gewijsde gegaan. Dit brengt met zich mee dat een bevel tot dwangverpleging nu nog niet ten uitvoer mag worden gelegd. In de tweede plaats had het OM - naar het oordeel van de raadsman - in afwachting van de uitkomst van de procedure in hoger beroep de onderhavige vordering niet behoeven te doen, temeer daar de uitkomst van de behandeling van het hoger beroep, mede gelet op de verschillende visies op de al dan niet toe te passen straf of maatregel, vooralsnog onduidelijk is.

Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat in een geval als het onderhavige een lopende hoger beroep procedure tegen het vonnis van de rechtbank Assen niet in de weg staat aan de bevoegdheid van de officier van justitie van de rechtbank te vorderen dat zij alsnog verpleging van overheidswege van veroordeelde beveelt. De raadsman betoogt op zichzelf terecht dat een op de voet van artikel 38c Wetboek van Strafrecht juncto artikel 509n Wetboek van Strafvordering bevolen dwangverpleging niet dadelijk uitvoerbaar is. Dit ligt besloten in de (algemene) bepaling omtrent de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen. Uit artikel 557 lid 1 Wetboek van Strafvordering vloeit voort dat een bevel als hier bedoeld, niet ten uitvoer mag worden gelegd zolang daartegen nog een rechtsmiddel openstaat. De wet bevat wat dat betreft geen uitzondering voor een bevel ex artikel 38c Wetboek van Strafrecht. Dat betekent dat - in het geval dat de rechtbank alsnog de dwangverpleging beveelt - dat bevel niet ten uitvoer kan worden gelegd dan nadat die beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank echter onverlet dat de officier van justitie een vordering als bedoeld in artikel 38c juncto artikel 509j Wetboek van Strafvordering kan doen. Zou de officier van justitie de bevoegdheid om een dergelijke vordering te doen niet hebben, dan zou de met de Wet van 1 juli 2010, S. 2010, 270, in het leven geroepen mogelijkheid van de rechter in eerste aanleg om de (beslissing tot) tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zinledig zijn. Het zich aan de voorwaarden onttrekken zou in dat geval niet alleen zonder enige sanctie blijven, maar het zou aan de noodzakelijk beoordeelde behandeling van de veroordeelde en aan de veiligheid van de samenleving ook ernstig tekort doen. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijk gevolg door de wetgever niet kan zijn beoogd. Beide overwegingen brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat geen rechtsregel er aan in de weg staat dat de officier van justitie, hangende de hoger beroep procedure in de hoofdzaak, een vordering als de onderhavige doet indien hij van oordeel is dat de veroordeelde de voorwaarden heeft overtreden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vordering.

Een opheffing van de voorlopige verpleging van overheidswege van de veroordeelde is op grond van het voorgaande niet aan de orde.

Met betrekking tot het subsidiair gedane verzoek dat namens veroordeelde door de raadsman is gedaan, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat getuige-deskundige Bouman op verzoek van veroordeelde op de voorgeschreven wijze is opgeroepen ter zitting te verschijnen. Desondanks is de heer Bouman om onbekende redenen niet ter zitting verschenen. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de belangen van veroordeelde worden geschaad indien deze getuige-deskundige niet door veroordeelde en/of zijn raadsman ter zitting kan worden ondervraagd. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het wenselijk is de ook voor de behandeling van de vordering d.d. 25 augustus 2011 opgeroepen doch niet verschenen getuige-deskundige Nijkamp (Reclassering Leger des Heils Groningen) andermaal op te roepen. De kennelijk namens getuige-deskundige Nijkamp verschenen vertegenwoordiger van de Reclassering heeft ter zitting verklaard over veroordeelde – naast de dossierkennis - weinig te weten, zodat het er voor moet worden gehouden dat vragen over de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde in onvoldoende mate beantwoord kunnen worden.

Om beide redenen zal de rechtbank de behandeling van de vordering van de officier van justitie aanhouden tot de raadkamerzitting van 27 oktober 2011 (in verband met de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep van de veroordeelde bij het Gerechtshof te Leeuwarden op 6 oktober 2011).

3. Beslissing

De rechtbank schorst het onderzoek tot de raadkamerzitting van 27 oktober 2011 te 13.30 uur, met bevel tot oproeping van:

- de veroordeelde, [veroordeelde] voornoemd;

- de raadsvrouw van veroordeelde mr. M. Hoekzema;

- getuige-deskundige J. Nijkamp (Leger des Heils en Reclassering Groningen);

- getuige-deskundige J.P. Bouman (Leger des Heils en Reclassering Amsterdam)

- getuige-deskundige K.N.A. ’t Lam (FPK Assen),

allen tegen voormelde zitting en tijdstip.

Gegeven door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mrs. P.J. Duinkerken en A.L.J.M.A. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van A.D. Brinkman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van de raadkamer op donderdag 1 september 2011.