Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BR5833

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
19.830083-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Klachtdelict. Openbaar ministerie niet-ontvankelijk. Mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830083-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 augustus 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 23 augustus 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Molleman, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. de Vries en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot en met 17 februari 2011 in de gemeente(n) [plaats 1] en/of [plaats 2], althans in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot [echtgenoot]

- heeft gestompt en/of geslagen en/of gekrabd en/of

- in haar arm(en) heeft geknepen en/of

- in de keel/hals heeft geknepen, althans bij de keel/hals heeft gegrepen en/of

- tegen een muur heeft gegooid/geduwd en/of

- heeft gegooid/bekogeld met (een) voorwerp(en),

waardoor die [echtgenoot] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2011 tot en met 21 juni 2011 te [plaats], gemeente [plaats 1],, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [echtgenoot], met het oogmerk die [echtgenoot] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers heeft verdachte

- vele malen telefonisch contact opgenomen/gezocht met die [echtgenoot] en/of

- vele brieven en/of kaarten naar die [echtgenoot] en/of haar kinderen gestuurd en/of

- meermalen contact opgenomen/gezocht met de mensen bij wie die [echtgenoot] verbleef en/of

- meermalen zich opgehouden in de directe omgeving van de verblijfplaats van die [echtgenoot] en/of

- meermalen telefonisch contact heeft opgenomen/gezocht met de werkgever van die [echtgenoot] en/of

- meermalen een mailtje verzonden naar een ander en in dat mailtje die [echtgenoot] als afzender vermeld en/of

- meermalen telefonisch contact opgenomen/gezocht met het maatschappelijk werk waar die [echtgenoot] contact mee had;

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie ter zake feit 2

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard met betrekking tot de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft daartoe naar voren gebracht dat het dossier geen klacht van aangeefster bevat.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht in het onderhavige geval de vervolging alleen kan plaatsvinden op een tegen verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan, te weten [echtgenoot]. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen klacht van voornoemde [echtgenoot] bevat. De rechtbank overweegt dat een vormverzuim ten aanzien van een klacht alleen dan niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, indien er geen twijfel bestaat dat de klachtgerechtigde vervolging wenste.

De rechtbank overweegt het volgende. Op 16 juni 2011 is aangeefster nader gehoord over mogelijke belaging. Uit dat verhoor blijkt dat aangeefster een klacht in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht had willen doen. Zij verwijst voor een nadere onderbouwing van haar klacht naar haar eerder op 17 februari 2011 afgelegde verklaring. Uit het proces-verbaal van aangifte van 17 februari 2011 blijkt echter niet dat aangeefster aangifte heeft willen doen ter zake belaging. Bovendien is deze aangifte gedaan voorafgaand aan de onder 2 tenlastegelegde periode.

De rechtbank is, gelet op voorgaande overwegingen, van oordeel dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ter zake feit 2.

Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting van 23 augustus 2011 verklaard dat de mishandelingen niet zijn gepleegd op de manier zoals door aangeefster heeft verklaard. Hij heeft haar nooit uit zichzelf gepakt of geslagen, maar het is altijd een reactie geweest op de gedragingen van aangeefster. Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster wel eens bij de armen heeft gepakt, maar dat zij een dunne huid heeft waardoor ze snel blauwe plekken krijgt. Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster een keer bij haar middel heeft gepakt om haar te kalmeren toen zij hysterisch was. Zij rukte zich daarbij los en is toen met haar oog tegen de muur gekomen. Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster een keer naar binnen heeft getrokken, maar dat hij haar daarbij niet bij de nek heeft gepakt.

Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij een keer beide handen op de keel van aangeefster heeft gelegd.

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat slechts bewezen kan worden verklaard dat verdachte aangeefster, in de periode van oktober tot en met november 2010, in haar armen heeft geknepen en haar bij de keel/hals heeft gegrepen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat aangeefster aangifte heeft gedaan van mishandeling door verdachte. Aangeefster heeft verklaard dat zij door verdachte vanaf 2008 structureel werd mishandeld. De mishandeling zou onder meer hebben bestaan uit het stevig vastpakken van de armen met als gevolg blauwe plekken op 24 april 2009, het gooien tegen de muur met een pijnlijk oog als gevolg op 29 oktober 2009, het wurgen dan wel dichtdrukken van de keel en het slaan op het hoofd op 12 november 2010.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster bij de armen heeft gepakt, dat hij eenmaal de handen op de keel van aangeefster heeft gelegd en dat hij haar een keer tegen de muur heeft gegooid.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat het blauwe oog bij aangeefster is ontstaan doordat zij zichzelf aan verdachte probeerde te ontworstelen, terwijl hij haar probeerde te kalmeren, niet geloofwaardig.

De rechtbank acht eveneens niet geloofwaardig de verklaring van verdachte dat hij aangeefster niet bij de keel heeft gegrepen, nu de verklaring van aangeefster op dit punt wordt gesteund door een geneeskundige verklaring d.d. 11 april 2011, waaruit blijkt dat de huisarts op 19 november 2010 lichte kneuzingen in de halsstreek en op de armen heeft waargenomen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 april 2009 tot en met 30 november 2010 in de gemeenten [plaats 1] en [plaats 2], telkens opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot [echtgenoot]

- in haar armen heeft geknepen en

- bij de keel heeft gegrepen en

- tegen een muur heeft gegooid en

waardoor die [echtgenoot] telkens letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot,

strafbaar gesteld bij artikel 300 lid 1 juncto 304 aanhef sub 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 90 dagen, waarvan een gedeelte groot 48 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, hetgeen mede inhoudt dat verdachte:

- zich ambulant zal laten behandelen door de AFPN, teneinde beter om te leren gaan met agressie en emoties;

- zich houdt aan een meldingsgebod;

- zich houdt aan een contactverbod met het slachtoffer, zulks zolang de reclassering dit nodig acht;

- zich houdt aan een straatverbod, inhoudende dat verdachte zich niet zal begeven binnen een straal van 5 kilometer van de verblijfplaats van het slachtoffer, zulks zolang de reclassering dit nodig acht;

- elektronisch toezicht, voor de maximale duur van 6 maanden.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de tijd die verdacht in voorarrest heeft doorgebracht in mindering zal worden gebracht van de op te leggen gevangenisstraf.

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit een straf op te leggen gelijk aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij heeft voorts verzocht het elektronisch toezicht zo spoedig mogelijk op te heffen. Subsidiair heeft zij bepleit te volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zonder oplegging van bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten; de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsvrouw en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 27 juli 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake een misdrijf is veroordeeld.

De rechtbank stelt voorop dat geweld in en om de relationele sfeer psychische en emotionele gevolgen kan hebben voor het slachtoffer, in dit geval de echtgenote van verdachte. Daarbij kan dergelijk huiselijk geweld grote impact hebben op de omgeving van het slachtoffer, in het bijzonder op kinderen. Verdachte heeft zich gedurende een langere periode meerdere malen schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote. Aan de andere kant acht de rechtbank niet aannemelijk dat het gaat om zodanig structurele mishandeling als door aangeefster bij de politie is verklaard.

Gelet op voorgaande overwegingen en nu het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging ter zake feit 2, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank is op grond van de ernst van de onderhavige zaak, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden van oordeel dat een gevangenisstraf gelijk aan de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een deels voorwaardelijke straf, met een proeftijd van 2 jaren, een passende straf is voor deze verdachte.

De rechtbank is tevens van oordeel dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dient te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, hetgeen mede zal inhouden, dat verdachte:

- zich ambulant zal doen behandelen door de AFPN, of een soortgelijke instelling, teneinde beter te leren omgaan met zijn emoties en agressie en

- zich zal houden aan een meldingsgebod.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover deze betrekking heeft op het onder 2 tenlastegelegde feit.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 72 dagen, waarvan een gedeelte groot 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens, de Stichting Reclassering Nederland, hetgeen mede inhoudt dat verdachte:

- zich ambulant zal doen behandelen door de AFPN, of een soortgelijke instelling, teneinde beter te leren omgaan met zijn emoties en agressie en

- zich zal houden aan een meldingsgebod,

met opdracht aan die instelling ingevolge artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis, met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, en mr. H.T. van Voorst en mr. A.L.J.M.A. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Ariese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 25 augustus 2011, zijnde mr. H.T. van Voorst buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.