Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BR5602

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
19.830038-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte samen met medeverdachte [naam medeverdachte] het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft bewogen geld over te maken op basis van valse informatie, waardoor het slachtoffer grote schade heeft geleden.

Verdachte heeft als financieel adviseur het vertrouwen van zijn cliënt op grove wijze geschonden en hem financieel ernstig benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830038-11

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 16 augustus 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te Emmen op [geboorte datum] 1968,

wonende [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 02 augustus 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 april 2007 tot en met 28 december 2007 in de gemeente Emmen, althans in het arrondissement Assen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (euro 60.000), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [slachtoffer 1] heeft doen geloven dat hij, verdachte (als eigenaar van [naam bedrijf]) en/of zijn mededader(s) voor een bedrag van ongeveer euro 60.000 een garantierekening bij Robeco zou openen (op naam van [slachtoffer 1] en/of diens partner) en waarop (vervolgens) die 60.000 euro gestort zou worden, waardoor [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenom-schreven afgifte;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij in of omstreeks de periode van 12 april 2007 en 28 december 2007 in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een

geldbedrag van ongeveer zestigduizend (60.000) euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als financieel adviseur van die [slachtoffer 1]/ directeur en/of medewerker van [naam bedrijf], onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

2.

hij op of omstreeks 12 april 2007 in de gemeente Emmen, althans in het arrondissement Assen, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen een geschrift (genaamd Garantierekening tegen koopsom), dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of door een medewerker van [naam bedrijf], valselijk heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hierin bestaande, dat op dat geschrift een vals, althans niet bedoeld (te bestaan) rekeningnummer werd vermeld;

3.

hij in of omstreeks de periode van 27 april 2006 tot en met 24 april 2008 in gemeente Emmen, althans in het arrondissement Assen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoor-elen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer euro 64.000, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [slachtoffer 2] heeft doen geloven

dat hij, verdachte (als eigenaar van [naam bedrijf]) en/of zijn mededader(s) voor een bedrag van ongeveer euro 64.000 een garantierekening bij Robeco zou openen (op naam van [slachtoffer 2] en/of diens partner) en waarop dat geld (vervolgens) gestort zou worden, waardoor [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij in of omstreeks de periode van 17 februari 2006 tot en met 24 april 2008 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van ongeveer vierenzestigduizend (64.000) euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als financieel adviseur / directeur en/of medewerker van [naam bedrijf], onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat "verdachte en/of zijn mededader(s)" lezen alsof daar staat "verdachte en/of zijn medeverdachte(n)". De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Eland acht hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

In het onder 2 tenlastegelegde feit wordt verdachte verweten dat hij het document "Garantierekening tegen koopsom" valselijk heeft opgemaakt of vervalst dan wel door een medewerker van [naam bedrijf] heeft doen laten opmaken.

Hoewel het een vals document betrof blijkt uit de bewijsmiddelen met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde dat verdachte alleen gebruik heeft gemaakt van bedoeld document. Dit is echter niet tenlastegelegd zodat vrijspraak moet volgen.

Voor feit 3 geldt dat de gesprekken die verdachte met het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft gevoerd en die [slachtoffer 2] hebben bewogen om geld over te maken naar [naam bedrijf], voor de aanvang van de tenlastegelegde periode hebben plaatsgevonden, namelijk in februari 2006. De verweten handelingen hebben derhalve niet in de tenlastegelegde periode plaatsgevonden zodat vrijspraak moet volgen.

Ook dient vrijspraak te volgen voor het subsidiair tenlastegelegde nu niet gebleken is dat verdachte op enige wijze over het genoemde geldbedrag kon beschikken. Niet bewezen kan worden derhalve dat verdachte zich dat geldbedrag wederrechtelijk heeft toegeëigend, ook niet in vereniging met een ander of anderen.

Op grond van het vorenstaande dient verdachte van het onder 2 en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Bespreking van het bewijs met betrekking tot feit 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de medeverdachte [naam medeverdachte] het document "Garantierekening tegen koopsom" heeft opgesteld en dat verdachte dat document aan het slachtoffer heeft aangeboden en geadviseerd heeft om de overwaarde van de woning bij Robeco onder te brengen.

De officier acht op grond van de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] de samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte dusdanig dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

De verdediging heeft aangevoerd dat vrijspraak van het primair tenlastegelegde moet volgen. Verdachte heeft te goeder trouw gehandeld en alleen medeverdachte [naam medeverdachte] legt een voor verdachte belastende verklaring af. Deze medeverdachte manifesteert zich in het dossier duidelijk als een oplichter, zijn verklaringen zijn leugenachtig en om deze redenen dienen zijn verklaringen niet voor het bewijs te worden gebezigd.

Bovendien blijkt uit het dossier onvoldoende dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Dat leidt er mede toe dat de opzet niet kan worden bewezen. Naar het standpunt van de verdediging had verdachte geen opzet om een valse voorstelling van zaken te geven. De medeverdachte was immers gevolmachtigde van Robeco en verdachte had geen redenen daaraan te twijfelen, evenmin was er voor hem reden om te twijfelen aan de echtheid van het document dat hij van de medeverdachte had gekregen.

Beoordeling

De rechtbank gaat van de volgende bewijsmiddelen uit.

[opgave van de bewijsmiddelen]

Op grond van voormelde verklaringen en geschriften in onderling verband en samenhang beschouwd, in het bijzonder dat

- verdachte in april 2006 in de zaak van [slachtoffer 2] ook gebruik heeft gemaakt van de Garantieovereenkomst tegen Koopsom,

- hij alleen door tussenkomst van medeverdachte [naam medeverdachte] over het betreffende formulier kon beschikken,

- hij geen contact mocht hebben met Robeco aangaande bedoelde Garantieovereenkomst,

- dat de klanten hem, verdachte, beschouwden als hun financieel adviseur,

- de handtekeningen op de Axa-polis van de familie [slachtoffer 2] niet door hen waren gezet, maar door verdachte,

- de familie [slachtoffer 2] pas na aandringen bij verdachte, eenmaal een rentevergoeding kreeg overgemaakt door [naam bedrijf],

- de storting van 60.000 euro in de zaak van [slachtoffer 1] via de bankrekening van verdachte is gegaan,

- de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] dat verdachte volledig op de hoogte was van de gang van zaken

acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzet had op de oplichting van [slachtoffer 1].

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat de garantieovereenkomst bij Robeco niet bestond en vals was, gelet op al deze omstandigheden, niet geloofwaardig.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 12 april 2007 tot en met 28 december 2007 in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander weder-rechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (euro 60.000), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid die [slachtoffer 1] heeft doen geloven dat hij, verdachte zijn medeverdachte voor een bedrag van ongeveer euro 60.000 een garantierekening bij Robeco zou openen op naam van [slachtoffer 1] en waarop vervolgens die 60.000 euro gestort zou worden, waardoor [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. De in de bewijsmiddelen opgenomen andere geschriften zijn uitsluitend gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De verdachte zal van het onder 1 primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het onder 1 primair bewezen geachte levert op:

medeplegen van oplichting,

strafbaar gesteld bij artikel 326 in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte samen met medeverdachte [naam medeverdachte] het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft bewogen geld over te maken op basis van valse informatie, waardoor het slachtoffer grote schade heeft geleden.

Verdachte heeft als financieel adviseur het vertrouwen van zijn cliënt op grove wijze geschonden en hem financieel ernstig benadeeld.

Bij de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte. Voorst met de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 05 juli 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstaf. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist nu de rechtbank van een andere bewezenverklaring uitgaat dan de officier van justitie.

Ook laat de rechtbank meewegen dat verdachte niet de hoofdrol heeft gespeeld in de benadeling van klanten van het bedrijf van medeverdachte [naam medeverdachte].

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 en 3 primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

* gevangenisstraf voor de duur van TWEE MAANDEN geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

* een taakstraf bestaande uit 240 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mr. J.J. Schoemaker en mr. E.C.M. Wolfert, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 16 augustus 2011, zijnde mr. Wolfert en de griffier buiten staat dit vonnis binnen door de wet gestelde termijn te tekenen.

Parketnummer: 19.830038-11

Uitspraak d.d.: 16 augustus 2011 2

vonnis