Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BR5599

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
19.810178-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte met geweld geld heeft gestolen van degenen van wie hij een kamer huurde. Verdachte heeft in zijn kamer het wisselgeld dat aangever mee had genomen uit de hand van aangever getrokken. Verdachte heeft daardoor aangever in een voor hem ongewilde positie gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.810178-11; 19.09.753652-09 (vord.tul)

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 23 augustus 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te District Nickerie op [geboorte datum] 1974,

verblijvende in [detentie adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 02 en 09 augustus 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 25 april 2011 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer bankbiljet(ten), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] en/of tegen [naam getuige 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- een pols/arm van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of

- die [slachtoffer] achteruit/weg heeft geduwd en/of

- die [slachtoffer] ten val heeft gebracht en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, zichtbaar voor die [slachtoffer] heeft vastgehouden en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die pols/arm van die [slachtoffer] heeft omgedraaid en/of

- dat/die bankbiljet(ten) uit de hand van die [slachtoffer] heeft gerukt/gegrist en/of

- naar (het hoofd van) die [naam getuige 1] heeft gestompt/geslagen;

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Eland acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 18 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest;

* toewijziging van de vordering van de benadeelde partij en

* de tenuitvoerlegging te gelasten van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 6 maanden.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bespreking van het bewijs

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

De officier volgt de verklaringen van aangever en getuige [naam getuige 1] omdat met name aangever geen belang heeft om de feiten anders voor te stellen dan dat deze hebben plaatsgevonden.

Te meer omdat de verklaring van aangever deels steunt vindt in andere verklaringen.

De verdediging heeft aangevoerd dat vrijspraak van het tenlastegelegde moet volgen.

Verdachte had op de avond dat hij de huur zou betalen aan [slachtoffer], voldoende geld bij zich namelijk iets meer dan 600 euro. Verdachte had dan er ook geen enkel belang bij om geld van [slachtoffer] af te nemen. [slachtoffer] heeft op een gegeven moment het geld dat verdachte op de koelkast had neergelegd, gepakt zonder dat er overeenstemming was bereikt over het te betalen huurbedrag. Verdachte heeft na een worsteling met [slachtoffer] het geld van [slachtoffer] afgepakt onder achterlating van 300 euro voor de huur.

Beoordeling

De rechtbank gaat van de volgende bewijsmiddelen uit.

[opgave van de bewijsmiddelen]

Op grond van voormelde verklaringen in onderling verband en samenhang beschouwd, in het bijzonder hetgeen aangever verklaart over de gescheurde bankbiljetten, hetgeen de getuige [naam getuige 2] verklaart over de gescheurde bankbiljetten en dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij het geld uit de hand van aangever heeft gepakt, en de verklaring van [naam getuige 1] dat hij aangever op de grond zag liggen en verdachte zag wegrennen,

acht de rechtbank bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan.

De rechtbank volgt de verdediging dan ook niet in haar stelling dat de verklaringen van aangever niet op waarheid berusten. Hoewel de verklaringen die aangever bij de politie heeft afgelegd onduidelijkheden bevatten zijn die onduidelijkheden op de zitting van 09 augustus 2011 door aangever verduidelijkt.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangever en getuige [naam getuige 1] veel conclusies bevatten naar aanleiding van wat zij hebben waargenomen dat daarmee de geloofwaardigheid van die verklaringen wordt aangetast. De rechtbank volgt de verdediging niet. In het algemeen is het voorstelbaar dat getuigen conclusies trekken uit hetgeen zij hebben waargenomen maar dat wil niet zeggen dat daarmee de betrouwbaarheid van die verklaringen wordt aangetast. Dat is niet anders met betrekking tot de verklaringen van aangever en getuige [naam getuige 1].

Uit het dossier blijkt voldoende dat de in beslaggenomen bankbiljetsnippers gerelateerd kunnen worden aan het bewezen geachte feit. Het is dan ook voldoende duidelijk dat er aan de bankbiljetten getrokken is waardoor stukjes van biljetten zijn afgescheurd. De rechtbank zal daarom geen nader onderzoek gelasten naar de wijze waarop de biljetten zijn gescheurd zoals de verdediging heeft verzocht. De in dit verband geponeerde stelling van de verdediging dat het bewijs is gemanipuleerd acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Ook een nader onderzoek naar het gat in de wand naast de deur van de kamer van verdachte acht de rechtbank gelet op de bewezenverklaring niet noodzakelijk.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 april 2011 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen bankbiljetten toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte

- een pols/arm van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en

- die [slachtoffer] achteruit heeft geduwd en

- die [slachtoffer] ten val heeft gebracht en

- dat/die bankbiljet(ten) uit de hand van die [slachtoffer] heeft gerukt/gegrist;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

strafbaar gesteld bij artikel 312 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte met geweld geld heeft gestolen van degenen van wie hij een kamer huurde. Verdachte heeft in zijn kamer het wisselgeld dat aangever mee had genomen uit de hand van aangever getrokken. Verdachte heeft daardoor aangever in een voor hem ongewilde positie gebracht. Uit de aangifte komt naar voren dat het feit een grote impact op aangever heeft gehad.

Bij de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 05 juli 2011 waaruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld.

Gelet op de bewezenverklaring en de oriëntatiepunten voor de straftoemeting is een gevangenisstraf van zes tot acht maanden op zijn plaats. Gelet op de omstandigheid dat de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging van zes maanden gevangenisstraf zal toewijzen zal de rechtbank de recidive niet laten meewegen in de hoogte van de op te leggen straf.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden geboden is.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist omdat de rechtbank de verweten bedreiging en de dreiging met een mes niet bewezen acht.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 27 en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.09.753652-09

De rechtbank acht de vordering van de officier van justitie toewijsbaar nu de verdachte, eerder veroordeeld tot een deels voorwaardelijke straf bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te 's-Gravenhage d.d. 19 februari 2010, zich tijdens de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:

* gevangenisstraf voor de duur van ZES MAANDEN.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van de som van € 900,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag van € 900,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 18 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en

verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.09.753652-09

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 19 februari 2010 door de meervoudige kamer van de rechtbank te 's-Gravenhage gewezen voorwaardelijke gevangenisstraf van ZES MAANDEN.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mr. J.J. Schoemaker en mr. E.C.M. Wolfert, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 23 augustus 2011, zijnde mr. Wolfert buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

Parketnummer: 19.810178-11; 19.09.753652-09

Uitspraak d.d.: 23 augustus 2011 3

vonnis