Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BR4541

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
11/369
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanvraag om verzoekster en haar tweejarig zoontje in aanmerking te brengen voor maatschappelijke opvang. De status van verzoekster is onduidelijk. Verweerder weigert een WWB-uitkering en biedt verzoekster vanuit de WMO opvang aan in een Vrijheidsbeperkende Locatie. Verzoekster stelt dat hiermee geen volwaardig passende en toereikende voorliggende voorziening wordt geboden. De voorzieningenrechter verwijst de hoofdzaken naar een meervoudige kamer en treft een voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 11
Participatiewet 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 11/368 WWB en 11/369 WMO

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 5 augustus 2011

in de gedingen tussen:

[verzoekers], wonende te Emmen, verzoekers,

en

het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij primair besluit van 13 april 2011 heeft verweerder geweigerd verzoekster en haar zoontje op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) in aanmerking te brengen voor maatschappelijke opvang. Namens verzoekers is bij brief van 2 mei 2011 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit van 8 maart 2011, waarbij de aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) werd geweigerd, ongegrond verklaard. Namens verzoekers is bij brief van 7 juni 2011 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer 11/370.

Bij brief van 6 juni 2011 is tevens namens verzoekers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verzoeken zijn geregistreerd onder nummer 11/368 WWB en 11/369 WMO.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van verzoekers heeft hiervan een afschrift ontvangen.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van de rechtbank op 25 juli 2011, alwaar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Kruseman en mr. W.G. Fischer.

Voor verweerder zijn verschenen mr. P. Betlehem en J. Backers.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht¬bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Feiten en omstandigheden

Verzoekster is geboren op 8 mei 1980 en heeft de nationaliteit van [nationaliteit]. Verzoekster is illegaal naar Nederland gekomen, waarna zij slachtoffer werd van gedwongen prostitutie. In november 2002 heeft verzoekster asiel aangevraagd, wat werd afgewezen. Daarna heeft verzoekster een zogeheten B9-status, die slachtoffers van mensenhandel en uitbuiting tijdelijk bescherming biedt, aangevraagd en verkregen. Ook ontving verzoekster schadevergoeding van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Op 29 januari 2008 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend om een WWB- uitkering. Bij besluit van 28 maart 2008 heeft verweerder aan verzoekster per datum aanvraag een WWB-uitkering verstrekt naar de norm voor een alleenstaande. Op 23 september 2009 is het zoontje van verzoekster geboren. De WWB-uitkering is verhoogd naar de norm voor een alleenstaande ouder.

In augustus 2010 is verweerder gebleken dat in de Gemeentelijke Basisadministratie de code verblijfstitel van verzoekster per 1 juli 2010 is veranderd naar code 98. Per die datum is de beschermde status komen te vervallen, toen bleek dat vervolging van de mensensmokkelaars niet mogelijk was. Dit betekent dat verzoekster geen verblijfstitel meer heeft en dat verzoekster en haar zoontje onrechtmatig in Nederland verblijven.

Bij primair besluit van 14 september 2010 heeft verweerder het recht op een WWB-uitkering met ingang van 1 juli 2010 ingetrokken, omdat verzoekster per die datum in verband met een wijziging in de verblijfstitel geen recht meer heeft op bijstand.

Bij brief van 5 oktober 2010 is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Het bezwaar is tijdens een op 1 november 2010 gehouden hoorzitting nader toegelicht.

Daarbij is verweerder verzocht om, indien het niet mogelijk is verzoekster een WWB-uitkering te verstrekken, in ieder geval de aanvraag van verzoekster van 18 april 2010 om haar op grond van de WMO in aanmerking te brengen voor noodhulp voor moeder en kind, te honoreren.

Bij besluit van 1 december 2010 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 14 september 2010 ongegrond verklaard en het besluit van 14 september 2010 om haar WWB-uitkering met ingang van 1 juli 2010 in te trekken gehandhaafd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder nummer 10/846 WWB.

Op 6 januari 2011 heeft verzoekster opnieuw een aanvraag om een uitkering ingevolge de WWB ingediend.

Verweerder heeft ten aanzien van de WMO-aanvraag het standpunt ingenomen dat een dergelijke aanvraag niet kán worden ingediend en verder niet op de aanvraag beslist.

Bij brief van 7 december 2010 is verweerder in gebreke gesteld.

Namens verzoekster is op 3 januari 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op de namens verzoekster ingediende WMO-aanvraag.

Het beroep is geregistreerd onder nummer 11/5 WMO.

Bij brieven van 7 respectievelijk 15 maart 2011 is namens verzoekster aan de voorzieningen-rechter van de rechtbank verzocht om in beide zaken toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb. De verzoeken zijn geregistreerd onder nummer 11/154 WWB en 11/172 WMO.

Bij uitspraak van 24 maart 2011 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak met nummer 11/154 WWB afgewezen.

Het verzoek in de zaak 11/172 WMO is toegewezen in die zin dat is bepaald dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de WMO-aanvraag een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1.260,-, welk bedrag uiterlijk op 1 april 2011 aan verzoekster dient te worden uitbetaald. De voorzieningenrechter is er van uitgegaan dat er, gelet op de hoogte van het uit te betalen bedrag, geen dusdanig acute zorg bestaat dat verzoekster met haar zoontje op straat komt te staan, zodat voor het treffen van een aanvullende voorlopige voorziening geen noodzaak bestaat. Wel is verweerder opgedragen binnen twee weken op de WMO-aanvraag van verzoekster te beslissen, waarbij de vraag dient te worden beantwoord of plaatsing van verzoekster in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) te Ter Apel een passende en toereikende voorliggende voorziening is in de zin van de WMO dan wel de WWB.

Bij besluit van 13 april 2011 heeft verweerder geweigerd verzoekster en haar zoontje in aanmerking te brengen voor maatschappelijke opvang, omdat zij niet voldoet aan het vereiste van artikel 8, eerste lid van de WMO.

Namens verzoekers is bij brief van 2 mei 2011 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit van 8 maart 2011, waarbij de aanvraag om een WWB-uitkering werd geweigerd, ongegrond verklaard. Namens verzoekers is bij brief van 7 juni 2011 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer 11/370.

Bij brief van 6 juni 2011 is namens verzoekers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb.

De verzoeken zijn geregistreerd onder nummer 11/368 WWB en 11/369 WMO.

Beoordeling

De verzoeken om een voorlopige voorziening strekken ertoe dat verweerder wordt opgedragen ten behoeve van moeder en kind voor noodopvang te zorgen. Verweerder dient financiële middelen te verstrekken om onderdak, vaste lasten, kleding en voedsel te kunnen bekostigen.

Niet in geding is dat verzoekster geen vreemdeling is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoekster onder artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan haar zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend.

Evenmin is in geschil dat verzoekster op grond van de WMO (in samenhang met de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)) in beginsel niet in aanmerking komt voor een voorziening of uitkering.

De vraag die partijen thans verdeeld houdt is de vraag of artikel 8 EVRM verweerder niettemin een verplichting oplegt om verzoekers met voorbijgaan aan de WWB dan wel de WMO en de Vw 2000 toe te laten tot de bijstand dan wel tot de maatschappelijke opvang.

Zoals de CRvB in zijn uitspraak van 22 december 2008 (LJN BG8776) heeft overwogen, merkt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als the “very essence” van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen.

Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. versus het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

In het voorgaande ligt echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet besloten dat aan verzoekster, met voorbijgaan aan de WWB bijstand behoort te worden toegekend (zie de uitspraak van de CRvB van 19 april 2010, LJN: BM1992) dan wel dat zij met voorbijgaan aan de WMO en de Vw 2000 moet worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang (zie de uitspraak van de CRvB van 19 april 2010, LJN: BM0956). De positieve verplichting van de staat om in de gegeven omstandigheden recht te doen aan artikel 8 van het EVRM richt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter primair tot het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB en artikel 2 van de WMO.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het zoontje van verzoekster behoort tot de categorie van kwetsbare personen, die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Als hij dakloos zou worden zou dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van zijn privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt en is er sprake van een zodanige aantasting van de hierboven beschreven “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de staat rust om te voorzien in een voor verzoekster en haar zoontje - gezien zijn leeftijd is hij immers onbetwist afhankelijk van zijn moeder - adequate opvang.

Uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (zie de hierboven genoemde uitspraak van 19 april 2010) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 28 maart 2007, LJN: BA4652) blijkt dat de wettelijke taak voor opvang op basis van artikel 3 van de Wet COA bij het COA ligt. Het COA heeft echter bij besluit van 24 maart 2011 elke aanspraak van verzoekster op voorzieningen afgewezen.

De voorliggende voorziening bestaat volgens verweerder in het onderhavige geval hierin dat verzoekster met haar kind kan worden opgevangen in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel. Dit zou verweerder door een medewerker van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) zijn toegezegd.

Verblijf in de VBL te Ter Apel is volgens verzoekster niet aan te merken als een voorliggende voorziening. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verzoekster is slachtoffer van mensenhandel; zij is jarenlang misbruikt en staat nu in verband met psychische problemen onder behandeling. Een verblijf in een VBL staat haaks op de ingezette behandeling. In februari 2011 is de Minister van Justitie bovendien verzocht om met toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 uitzetting achterwege te laten, zolang het gelet op de geestelijke gezondheidstoestand van verzoekster niet verantwoord is om te reizen. Een VBL is een (half-)open penitentiaire inrichting, waarbij het niet gaat om opvang. Een VBL is namelijk de plaats waar vreemdelingen slechts gedurende een bepaalde (korte) tijd kunnen verblijven, en van waaruit intensieve facilitering van (zelfstandige) terugkeer plaatsvindt en het is niet wenselijk dat daklozen in een soort gevangenis worden opgevangen.

Ook in de brief van de Staatssecretaris en de Minister van Justitie van 24 juni 2008, gericht aan de Tweede Kamer, wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de vrijheidsbeperkende locatie geen opvangmaatregel is, maar een maatregel die de bewegingsvrijheid beperkt om toezicht op de vreemdeling uit te kunnen oefenen ter fine van vertrek.

De door verweerder aan verzoekster en haar zoontje geboden opvang vindt bovendien geen grond in een wettelijke regeling, daar er aan hen geen vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw is opgelegd door DT&V c.q. de Minister voor Immigratie en Asiel. Tot slot is het zo dat tegen het beëindigen van het verblijf in een VBL geen rechtsmiddel open staat (zie de uitspraak van de Raad van State van 29 juni 2011, LJN: BA4652) zodat verzoekster, indien de maatregel na ommekomst van de toegestane duur wordt opgeheven en de in de VBL geboden opvang wordt beëindigd, weer met haar kind op straat zal komen te staan en zich vervolgens met haar kind weer (noodgedwongen) bij verweerder zal melden voor opvang.

Gelet op de principiële aard en complexiteit van de thans voorliggende rechtsvraag, leent het onderhavige geschil zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet goed voor een beoordeling bij wijze van voorlopige voorziening, doch veeleer voor een beoordeling in de hoofdzaak door een meervoudige kamer.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich in zijn beoordeling van de WWB-aanvraag van verzoekster slechts heeft beperkt tot de toets van artikel 11 WWB, waarna verzoekster en haar zoontje in het kader van de WMO-aanvraag opvang in de VBL te Ter Apel is aangeboden. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder, ondanks de uitdrukkelijke opdracht in de uitspraak van 24 maart 2011, daartoe strekkende dat door verweerder, teneinde te kunnen komen tot een gemotiveerde beslissing inzake de WMO-aanvraag, duidelijkheid dient te worden verschaft over de vraag of met plaatsing van verzoekster en haar zoontje in een VBL een (volwaardig passende en toereikende) voorliggende voorziening wordt geboden, tijdens de zitting op 25 juli 2011 niet in staat is gebleken iets toe te voegen aan hetgeen in de eerdere procedures reeds werd aangevoerd.

Gezien de onduidelijkheden die er op dit moment nog bestaan en teneinde tot een finale geschilbeslechting te kunnen komen, acht de voorzieningenrechter het van belang dat verweerder onderzoek doet naar en antwoord geeft op de volgende vragen:

- Wat is de status van verzoekster vanaf 1 juli 2010? Heeft zij inmiddels op grond van artikel 64 Vw (in combinatie met artikel 8, aanhef en onder j, Vw) rechtmatig verblijf gekregen? Zo nee, heeft zij in verband met haar aanvraag op grond van artikel 64 rechtmatig verblijf gekregen? Heeft zij om een andere reden rechtmatig verblijf (gehad)?

- Zal aan verzoekster een vrijheidsbeperkende maatregel worden opgelegd? Zo nee, wat zijn dan wel de plannen van de Minister voor Immigratie en Asiel met verzoekster? Zal haar uitzetting ter hand worden genomen? Zo nee, waarom niet?

- Welke verplichtingen heeft verzoekster als zij in de VBL verblijft? Heeft zij een meldplicht en, zo ja, hoe vaak moet zij zich melden? Is verzoekster verder vrij om te gaan en staan waar zij wil?

- Gedurende welke periode zal aan verzoekster in de VBL onderdak (kunnen) worden geboden? Wat gebeurt er daarna?

- Hoe zijn de leefomstandigheden en wat zijn de verstrekkingen in de VBL?

De voorzieningenrechter acht het van belang dat verzoekster met haar kind in haar woning kan blijven totdat de meervoudige kamer van deze rechtbank uitspraak heeft gedaan in de reeds aanhangige beroepszaken met de nummers 10/846 WWB en 11/370 WWB. Teneinde tot een efficiënte beoordeling te kunnen komen is door partijen tijdens de behandeling van de verzoeken om een voorlopige voorziening in dit uitzonderlijke geval en gezien de onderlinge nauwe samenhang met de andere zaken desgevraagd ingestemd met toepassing van rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb in de bezwaarzaak tegen het WMO-besluit van 13 april 2011. Daarbij is namens verzoekster uitdrukkelijk en zonder voorbehoud te kennen gegeven dat zij zich in hoger beroep niet zal beroepen op het achterwege laten van behandeling van het bezwaar, te meer daar de hoorzitting reeds heeft plaatsgevonden. Deze zaak is geregistreerd onder nummer 11/545 WMO en zal, tezamen met de hierboven genoemde zaken, worden behandeld op de zitting van de meervoudige kamer te Assen op 13 september 2011 om 9.30 uur.

Gelet op de zwaarwegende belangen van verzoekster en haar kind en teneinde te voorkomen dat er een onomkeerbare situatie zal ontstaan, bestaat er aanleiding om de besluiten van 13 april 2011 en 27 mei 2011 te schorsen en te bepalen dat verweerder aan verzoekster maandelijks een bedrag van € 700,- beschikbaar stelt. Dit evenwel met dien verstande dat verweerder hiervan maandelijks een bedrag van € 404,31, zijnde de huur (vanaf de maand augustus 2011) voor de woning aan [adres], rechtstreeks overmaakt op de rekening van de Stichting Lefier. De woningstichting heeft immers, ondanks dat de huurschuld in rechte vaststaat, ruimhartig toegezegd dat, mits de huurpenningen worden voldaan, binnen een termijn van maximaal 6 maanden niet tot ontruiming zal worden overgegaan.

De voorzieningenrechter acht tot slot termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken met de nummers 11/368 en 11/369 toe;

- schorst de bestreden besluiten van 13 april 2011 en 27 mei 2011;

- bepaalt dat verweerder met ingang van 1 augustus 2011 aan verzoekster op de hierboven aangewezen wijze een bedrag verstrekt ter hoogte van € 700,- per maand tot zes weken nadat de meervoudige kamer van de rechtbank uitspraak heeft gedaan;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 874,-

- bepaalt dat verweerder de door verzoekster betaalde griffierechten ad € 82,- aan verzoekster vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, bijgestaan door

H.J. Boerma, griffier.

H.J. Boerma mr. L. Mulder

In het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2011

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: