Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BR4538

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
08-08-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
11/468
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Versnelde behandeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de inkomensvoorziening ingevolge de WIJ ingetrokken. Niet gebleken is dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIJ, nl. dat uit de houding en gedragingen van verzoeker ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod niet wil nakomen. Er is sprake van verslaving, zodat verweerder hiernaar nader onderzoek moet verrichten, daar op grond van artikel 17, eerste lid, van de WIJ het werkleeraanbod moet worden afgestemd op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere. De voorzieningenrechter schorst het beeindigingsbesluit en gelast medisch onderzoek.

Wetsverwijzingen
Wet investeren in jongeren 42
Wet investeren in jongeren 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 11/468 WIJ

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 8 augustus 2011

in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te Hoogeveen, verzoeker,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoogeveen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft verweerder verzoekers inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ) met ingang van 7 juni 2011 beëindigd.

Namens verzoeker is bij brief van 1 juli 2011 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 11 juli 2011 is tevens door verzoeker aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. Verzoeker heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 1 augustus 2011, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door J.W. Nieuwenhuis.

Voor verweerder is verschenen J.L. Bouland.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht¬bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten en omstandigheden

Verzoeker, geboren op 7 mei 1989 te [geboren], ontvangt sinds 2 juni 2009 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Verzoeker is in september 2009 aangemeld voor het re-integratietraject BEN van waaruit aan verzoeker tot 1 juni 2010 individueel begeleiding zal worden geboden om zijn sociale leven te structureren en te ondersteunen richting werk en/of scholing.

Met ingang van 1 juli 2010 is verzoekers WWB-uitkering omgezet in een inkomens-voorziening op grond van de WIJ. In dat kader is aan verzoeker voor de periode 1 juli 2010 tot 1 juli 2011 een werkleeraanbod gedaan, in die zin dat het traject bij BEN in eerste instantie wordt verlengd tot 1 december 2010, waarna met hem de vervolgactiviteiten zullen worden besproken.

Bij besluit van 23 juli 2010 is aan verzoeker voor de maand augustus 2010 een maatregel opgelegd van 25% in verband met het onvoldoende gebruik maken van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De reden hiervoor is dat verzoeker in de periode 18 mei 2010 tot 8 juli 2010 7 maal niet of te laat op gemaakte afspraken verschenen; op zijn gedrag is hij op 9 juni 2010 aangesproken.

Tegen dit besluit, dat is gebaseerd op de artikelen 8, derde lid sub a en 10, sub a van Maatregelenverordening WWB/WIJ (hierna: de Verordening), is geen bezwaar gemaakt.

Verzoeker is eind 2010 in een begeleid wonenproject (Interwonen, onderdeel van Leger des Heils Noord) gaan wonen.

Vanuit het leer- en woontraject bij Interwonen zijn verzoekers scholingsmogelijkheden verder onderzocht, waarna verzoeker in januari 2011 bij het Drenthe College is gestart met het taaltraject NT2. Op 17 februari 2011 is verzoeker door de coach van BEN aangesproken op het veelvuldig schoolverzuim; de gemaakte afspraken zijn schriftelijk vastgelegd.

In verband met (wederom) herhaaldelijk verzuim is verzoeker bij besluit van 22 maart 2011 voor de maand april 2011 een maatregel opgelegd van 50%. Het taaltraject is vroegtijdig beëindigd. Tegen dit besluit, gebaseerd op de artikelen 8, derde lid sub b en 10, sub b van de Verordening, is geen bezwaar gemaakt.

Op 31 maart 2011 is verzoeker door medewerkers van verweerder, Interwonen, BEN, VNN aangesproken op zijn houding en gedrag. Op 7 april 2011 heeft een vervolgoverleg plaatsgevonden. Nadat tevergeefs was gezocht naar een passende dagbesteding voor verzoeker is op 28 april 2011 de optie Werkpro met hem besproken. Afgesproken is dat verzoeker op 9 mei 2011 zal starten voor drie dagdelen per week. Verzoeker heeft hierin toegestemd. Op 9 mei 2011 is verzoeker niet verschenen. In de dagen c.q. weken daarna is verzoeker niet, te laat, danwel slechts gedurende korte tijd, verschenen.

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft verweerder verzoekers inkomensvoorziening ingevolge de WIJ met ingang van 7 juni 2011 beëindigd, omdat hij zich niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken, voortvloeiend uit het werkleeraanbod. Verweerder heeft het besluit gebaseerd op het bepaalde in artikel 42, eerste lid, sub c, van de WIJ en artikel 10, lid c van de Verordening.

Tegen dit besluit is namens verzoeker bezwaar gemaakt.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 12. Opdracht gemeenteraad

1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:

a. de inhoud van een werkleeraanbod;

b. het verlagen van het bedrag van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 41, eerste lid;

(…)

Artikel 17. Afstemmen werkleeraanbod

1. Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een werkleeraanbod is vastgesteld en stelt hierbij de jongere in de gelegenheid om schriftelijk of mondeling zijn wensen omtrent het werkleeraanbod kenbaar te maken.

2. Indien het college van oordeel is dat om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard van een jongere niet kan worden gevergd dat hij uitvoering geeft aan een werkleeraanbod, doet het college aan die jongere geen werkleeraanbod. Wanneer het college vaststelt dat de redenen, bedoeld in de eerste zin, niet langer aanwezig zijn, wordt aan de jongere alsnog een werkleeraanbod gedaan.

(…)

5. Het college doet aan een jongere geen werkleeraanbod indien en zolang de jongere niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 45, onderdeel a.

(…)

Artikel 21. Herziening en intrekking werkleeraanbod

Het college kan een aan de jongere gedaan werkleeraanbod intrekken of herzien, indien:

a. wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere;

b. de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5, en hem dit te verwijten valt.

Artikel 22. Uitsluiting recht op werkleeraanbod

1. Indien de jongere zich jegens het college herhaaldelijk zeer ernstig misdraagt en hem dit te verwijten valt, kan het college die jongere van het recht op een werkleeraanbod uitsluiten.

2. Het college heroverweegt het besluit tot uitsluiting binnen een door hem te bepalen termijn, die ten hoogste een maand bedraagt.

Artikel 41. Verlagen bedrag inkomensvoorziening

1. Indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 dan wel de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt, verlaagt het college het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b.

2. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

3. Het college heroverweegt een besluit tot verlaging van de inkomensvoorziening binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

Artikel 42. Geen recht op inkomensvoorziening

1. Geen recht op de inkomensvoorziening bestaat:

a. indien de jongere het werkleeraanbod heeft geweigerd;

b. voor zover de jongere of zijn gezin een beroep kan doen op een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening buiten deze wet, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven;

c. voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen;

d. indien de jongere wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;

e. indien de jongere per kalenderjaar langer dan dertien weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland;

f. indien het werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken, tenzij het werkleeraanbod is in getrokken uitsluitend omdat het college van oordeel is dat om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet kan worden gevergd dat de jongere uitvoering geeft aan het werkleeraanbod;

(…)

Artikel 45. Overige verplichtingen

De jongere is verplicht:

a. mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling, waaronder begrepen mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

b. geen onredelijke eisen te stellen in verband met door hem te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;

c. mee te werken aan het behoud of bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid;

d. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling;

e. opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten;

f. op advies van een arts zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

Artikel 10 van de per 2 januari 2011 in werking getreden Verordening luidt:

Onverminderd artikel 2, vierde lid, wordt de maatregel in verband met de schending van de verplichtingen genoemd in artikel 45 van de WIJ vastgesteld op:

a. vijf en twintig procent van de inkomensvoorziening gedurende de eerste maand, gerekend vanaf het moment waarop de jongere is aangesproken op zijn gedrag;

b. vijftig procent van de inkomensvoorziening gedurende de volgende maand, indien de jongere zijn gedrag niet of onvoldoende naar het oordeel van het college heeft verbeterd;

c. intrekking van het werkleeraanbod indien de jongere zijn gedrag na twee maanden, gerekend vanaf het moment waarop de sanctie is ingegaan, naar het oordeel van het college niet of onvoldoende heeft verbeterd.

Beoordeling

Bij primair besluit van 18 juli 2011 heeft verweerder de inkomensvoorziening met ingang van 7 juni 2011 beëindigd omdat verzoeker zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en voorts heeft hij de voorzieningen-rechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 41, eerste lid van de WIJ verlaagt het college overeenkomstig de Verordening als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de WIJ, het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, indien hij de op hem rustende verplichtingen bedoeld in hoofdstuk 5, (de artikelen 44 en 45 WIJ) niet of onvoldoende nakomt en hem dit te verwijten valt.

Het derde lid bepaalt dat het college een besluit tot verlaging van de inkomensvoorziening heroverweegt binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

Op grond van het bepaalde in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c van de WIJ bestaat geen recht op de inkomensvoorziening, voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, als bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de uitkering beëindigd omdat verzoeker zich niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken volgend uit het werkleeraanbod, onder verwijzing naar artikel 42, eerste lid, aanhef en onder sub c van de WIJ en artikel 10, aanhef en onder c van de Verordening. Deze laatste verwijzing betekent dat, mede gelet op artikel 12 van de WIJ, de beëindiging tevens berust op artikel 41 van de WIJ. In het besluit wordt niet verwezen naar artikel 21, aanhef en onder b, van de WIJ.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit berust op een dubbele grondslag. Dit kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet juist zijn. Immers verweerder gaat of op basis van het bepaalde in artikel 41, eerste lid van de WIJ en de Verordening over tot een verlaging van de inkomensvoorziening en binnen drie maanden ook tot heroverweging van dit besluit, of de inkomensvoorziening wordt op basis van het bepaalde in artikel 42 van de WIJ ingetrokken. Hierbij wijst de voorzieningenrechter er nog op dat het de vraag is of de in de Verordening gemaakte keuze tot intrekking op een wettelijke grondslag in de WIJ berust, nu artikel 41 van de WIJ uitgaat van een verlaging en niet van een intrekking. Of het toelaatbaar is de intrekking te zien als een verlaging tot nihil, acht de voorzieningenrechter een vraag die niet in het kader van dit verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening maar in een bodemprocedure dient te worden beantwoord. Deze vraag behoeft ook thans geen beantwoording nu de intrekking (lees uitsluiting) ook kan worden gebaseerd en in casu ook is gebaseerd, op artikel 42 van de WIJ.

Nu verweerder het besluit (tevens) heeft gebaseerd op het bepaalde in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIJ ligt ter beoordeling voor of uit houding en gedragingen van verzoeker ondubbelzinnig is gebleken dat deze de verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod niet wil nakomen.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het werkleeraanbod weliswaar in samenspraak met hem is opgesteld, maar dat thans niet van hem gevergd kan worden dat hij uitvoering geeft aan dit werkleeraanbod. De verslaving vormt voor hem een belemmering om gemaakte afspraken na te komen. Door de verslaving is hij geen eigen baas meer over het eigen handelen (hij zegt ja, maar doet nee). Verweerder is hiervan ook op de hoogte. Verzoeker heeft daartoe verwezen naar de diverse overleggen die zijn gevoerd en waarbij telkens een vertegenwoordiger van verweerder aanwezig was. Meer specifiek doelt verzoeker op het overleg van 31 maart 2011, waarbij verweerder is verzocht te gelasten dat verzoeker een capaciteiten- en belastbaarheidsonderzoek ondergaat omdat niet duidelijk is of verzoeker afspraken wel wil nakomen, maar deze als gevolg van een psychiatrische stoornis (DSM-IV-classificatie As 1; middelengebruik) wellicht niet na kán komen.

Op 30 juni 2011 is verzoeker bovendien aangemeld voor opname in een kliniek van VNN in het kader van crisisplaatsing; hij staat op de wachtlijst. Pas na deze behandeling zal nader onderzoek door de GGZ kunnen plaatsvinden. Op deze manier werkt verzoeker mee aan het scheppen van voorwaarden voor de toekomst, waarin hij (wellicht) op termijn wel kan voldoen aan de uit een passend werkleeraanbod voortvloeiende verplichtingen.

Het is van groot belang dat verzoekers inkomensvoorziening en het begeleidingtraject bij Interwonen gecontinueerd worden, daar hij anders zal afglijden.

Verweerder heeft het gevraagde capaciteiten- en belastbaarheidsonderzoek niet ingesteld, omdat verzoeker zijn wil om mee te werken, gelet op eerder gemaakte afspraken, niet heeft laten zien. De kosten van een dergelijk onderzoek zijn erg hoog (€ 1.000,-) en dat weegt niet op tegen de tijd, energie en kosten die reeds in verzoeker zijn gestoken, aldus verweerder.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WIJ stemt het college het werkleeraanbod af op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere. Dat betekent dat bij het doen van een werkleeraanbod van belang is dat het college maatwerk levert.

Niet in geding is dat verweerder geen onderzoek heeft ingesteld naar de beperkingen van verzoeker, zodat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans nog geenszins ondubbelzinnig vaststaat dat verzoeker willens en wetens de uitvoering van het werkleeraanbod heeft gefrustreerd. Verweerder stelt dat sprake is van verwijtbaar gedrag en meent dat cannabisabuse er niet aan in de weg hoeft te staan om gedurende drie dagdelen per week (tijdig) op de werkplek te komen, maar heeft dit niet onderbouwd. Op grond van het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de WIJ is verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter wel gehouden een dergelijk onderzoek te verrichten. De voorzieningenrechter heeft daarbij slechts een medisch onderzoek op het oog en niet het reeds verzochte capaciteiten- en belastbaarheidsonderzoek. Onderzocht zal moeten worden of verzoeker, als gevolg van zijn verslaving, dusdanige beperkingen heeft die maken dat hij (geheel) buiten staat moet worden geacht aan zijn uit het werkleeraanbod voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

Op basis van voorgaande overwegingen concludeert de voorzieningenrechter dat er aan het beëindigingsbesluit gebreken kleven. Niet gebleken is dat dit gebrek eenvoudig in de bezwaarfase kan worden hersteld; er is immers nog geen medisch onderzoek gedaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigt dit gebrek dat er een voorlopige voorziening wordt getroffen. De voorzieningenrechter zal het besluit van 6 juni 2011 schorsen tot twee weken na de dag waarop partijen kennis hebben kunnen nemen van de resultaten van het medisch onderzoek.

Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient het griffierecht aan verzoeker te worden vergoed. Niet is gebleken dat verzoeker proceskosten heeft gemaakt die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder een medisch onderzoek zoals in de uitspraak omschreven, entameert;

- schorst het bestreden besluit van 6 juni 2011 tot twee weken na de dag waarop partijen kennis hebben kunnen nemen van de resultaten van het medisch onderzoek;

- bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 41,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzieningenrechter, bijgestaan door

H.J. Boerma, griffier.

H.J. Boerma mr. K. Wentholt

In het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: