Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BR3499

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
82176 / HA ZA 10-740
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht bank. Schending zorgplicht kan een toerekenbaar tekortschieten van de bank met zich brengen, maar daaraan verbindt de wet niet als rechtsgevolg dat de kredietovereenkomst nietig of vernietigbaar is. Evenmin verbindt de wet dat rechtsgevolg aan een onrechtmatige daad. Beroep op 1:88 BW leidt evenmin tot vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 82176 / HA ZA 10-740

Vonnis van 6 juli 2011

in de zaak van

1. [dhr. X],

wonende te [woonplaats],

2. [mw. X],

wonende te [woonplaats],

3. [dhr. Y],

wonende te [woonplaats],

4. [mw. Y],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. S. van Gessel,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK BORGER-KLENCKELAND U.A.,

gevestigd te Borger,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.J. Reiziger.

Eisers worden hierna, als het gaat om [dhr. X] en [dhr. Y], de kredietnemers en, als het gaat om [mw. X] en [mw. Y], de echtgenotes genoemd. Gedaagde wordt hierna de Rabobank genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 december 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 22 maart 2011;

- de conclusie van antwoord in reconventie van 22 maart 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De rechtbank zal bij de beoordeling uitgaan van de navolgende feiten die tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist, vaststaan.

2.2. De kredietnemers, via tussengeschakelde vennootschappen, de besloten vennootschap Adel Personeelsdiensten B.V. opgericht.

2.3. Ten behoeve van de bedrijfsvoering van Adel Personeelsdiensten B.V. hebben de kredietnemers bij de Rabobank een krediet afgesloten met een kredietruimte van € 130.000,--.

2.4. De financieringsovereenkomst is door partijen neergelegd in de daarvan door hen op 9 oktober 2007 opgemaakte akte. De akte wijst onder meer de kredietnemers aan als debiteur.

2.5. Op de bladzijde die voor de ondertekening van de partijen is opgemaakt, is voorgedrukt:

Toestemming van de gehuwde/ geregistreerde partner artikel (80b samen met) 88 Boek 1 BW)

2.6. De echtgenotes hebben daaronder hun handtekening geplaatst.

2.7. De kredietnemers hebben met het oog op de overname van aandelen in een besloten vennootschap ieder een tweede financieringsovereenkomst bij de Rabobank afgesloten met een kredietruimte van € 132.500,--. Deze financieringsovereenkomsten zijn door partijen neergelegd in de daarvan door hen op 13 maart 2008 opgemaakte akten. De akten wijzen onder meer de kredietnemers aan als debiteur.

2.8. De Rabobank spreekt de kredietnemers aan tot betaling van al wat zij uit hoofde van de financieringsrelatie te vorderen heeft.

3. Het geschil in conventie en reconventie

3.1. De kredietnemers en hun echtgenotes vorderen, verkort weergegeven, dat de rechtbank voor recht verklaart dat de zij niet aansprakelijk zijn jegens de Rabobank. Daarnaast vorderen zij veroordeling van de Rabobank in de kosten van deze procedure. Daartoe wordt gesteld dat de financieringsovereenkomsten buitengerechtelijk zijn vernietigd. Volgens de kredietnemers hebben zij nooit gewild dat zij zichzelf zouden binden. Bovendien heeft de Rabobank haar algemene en haar bijzondere, op de Wet op het financieel toezicht (Wft) te gronden, zorgplicht geschonden. Daarom is de Rabobank tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst en heeft zij tevens onrechtmatig gehandeld. Verder wordt aangevoerd dat het enkele feit dat de echtgenotes hun handtekening hebben geplaatst onder de financieringsovereenkomsten van 13 maart 2008, niet betekent dat zij daadwerkelijk toestemming hebben verleend voor het aangaan van een financering, omdat de echtgenotes uit de tekst van de overeenkomst niet konden afleiden dat hun echtgenoten ook zelf aansprakelijk zouden worden.

3.2. Het verweer van de Rabobank strekt tot niet-ontvankelijkheid van de kredietnemers en de echtgenotes, althans afwijzing van hun vordering en veroordeling van de kredietnemers en hun echtgenotes in de kosten van deze procedure. Daartoe voert de Rabobank aan, samengevat weergegeven, dat de financiersingsovereenkomsten niet nietig of vernietigbaar zijn. De Rabobank vordert daarom in reconventie, verkort weergegeven, veroordeling van ieder van de kredietnemers tot betaling van een bedrag van € 256.756,16 vermeerderd met rente en kosten.

3.3. De kredietnemers en de echtgenotes voeren in reconventie verweer. Op dat verweer en wat partijen verder over en weer in conventie en reconventie hebben gesteld wordt, voor zover van belang, hiernaingegaan.

4. De beoordeling in conventie

Inleiding

4.1. Het geschil in conventie komt, samengevat weergegeven, op het volgende neer. De kredietnemers hebben met de Rabobank verscheidene financieringsovereenkomsten gesloten, waarbij zij hebben gehandeld in hun hoedanigheid van (middellijk) bestuurder ten behoeve van besloten vennootschappen waarvan zij (middellijk) aandeelhouder zijn. De Rabobank spreekt de kredietnemers aan op grond van een door de Rabobank vooronderstelde hoofdelijke aansprakelijkheid, voor al wat de Rabobank uit hoofde van de financieringsovereenkomsten te vorderen heeft gekregen. Tegen deze achtergrond vorderen de kredietnemers en de echtgenotes een verklaring voor recht die hierop neerkomt dat de kredietnemers niet aansprakelijk zijn, naar de rechtbank begrijpt, omdat de financieringsovereenkomsten zijn vernietigd. Gegeven de bij dagvaarding en later niet gewijzigde of aangevulde grondslag van de vordering, valt het geschil in conventie in de navolgende onderdelen uiteen:

(i) hebben de echtgenotes de financieringsovereenkomsten van 13 maart 2008 op de voet van wat art. 1:88 BW bepaalt, vernietigd?

(ii) hebben de kredietnemers de financieringsovereenkomsten met hun beroep op dwaling vernietigd?

(iii) welke betekenis kan toekomen aan de door de kredietnemers betrokken stelling dat de Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten en onrechtmatig heeft gehandeld, omdat zij tekort is geschoten in haar algemene en/of bijzondere zorgplicht?

Ad (i) hebben de echtgenotes de financieringsovereenkomsten op de voet van wat art. 1:88

BW bepaalt vernietigd?

4.2. De echtgenotes stellen dat zij de financieringsovereenkomsten die op 13 maart 2008 tot stand zijn gekomen, hebben vernietigd omdat zij voor de totstandkoming daarvan geen toestemming hebben gegeven.

4.3. Art. 1:88 lid 1 BW bepaalt dat een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot nodig heeft voor onder meer het aangaan van overeenkomsten die ertoe strekken dat hij zich als hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een derde verbindt, tenzij het een rechtshandeling betreft in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf. Uit de rechtspraak volgt dat laatstgenoemde uitzondering beperkt moet worden uitgelegd. Alleen wanneer sprake is van een overeenkomst waarvan het aangaan kenmerkend is, zodat het aangaan daarvan past in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf is de uitzondering van toepassing (vergelijk: HR 21 februari 1992, NJ 1992, 336). Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank dat de financieringsovereenkomsten van 13 maart 2008 zijn gesloten met het oog op het overnemen van aandelen in een besloten vennootschap. Niet gesteld noch overigens blijkt blijken dat dat bestedingsdoel kenmerkend is voor het beroep of bedrijf van de kredietnemers. Dit brengt met zich dat toestemming van de echtgenotes nodig was voor het aangaan van de op 13 maart 2008 gesloten financieringsovereenkomsten.

4.4. Aldus komt de rechtbank voor de vraag te staan of die toestemming is verleend. Bij beantwoording van die vraag stelt de rechtbank voorop dat de financieringsovereenkomsten zijn neergelegd in een onderhandse akte. Dat brengt op de voet van wat art. 157 lid 2 Rv bepaalt met zich mee dat de akte dwingend bewijs oplevert ten aanzien van de verklaring van de echtgenotes dat zij toestemming hebben verleend. Behoudens tegenbewijs heeft de rechtbank dit dan ook als vaststaand aan te nemen. Te beoordelen staat daarom of de echtgenotes voor bewijs vatbare feiten hebben gesteld waaruit volgt dat hun verklaring dat zij toestemming hebben verleend, in strijd met de waarheid is afgelegd.

4.5. De echtgenotes voeren ter onderbouwing van hun stelling dat de financieringsovereenkomsten vernietigbaar zijn aan dat zij in de veronderstelling verkeerden dat zij door medeondertekening toestemming verleenden dat de besloten vennootschap van hun man een bedrijfskrediet afsloot. Bovendien voeren zij aan dat zij uit de tekst van de overeenkomst niet hebben kunnen afleiden dat hun echtgenoten hoofdelijk medeschuldenaar zouden worden.

4.6. Met deze feiten acht de rechtbank het tegenbewijs niet geleverd. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.7. De akten waarin de overeenkomsten zijn neergelegd, noemen in de aanhef niet alleen de namen van de besloten vennootschappen die zich jegens de Rabobank binden, maar ook namen van de kredietnemers. In de aanhef is opgenomen:

Hierna (zowel samen als ieder afzonderlijk) te noemen: debiteur of rekeninghouder

4.8. Verder wordt in de akten steeds gesproken over de debiteur/rekeninghouder, waarbij uit de context waarbinnen deze woorden worden gebruikt, volgt dat de kredietnemers en de door hen vertegenwoordigde besloten vennootschappen zowel samen als ieder afzonderlijk jegens de bank zich binden en/of aansprakelijk zijn. Voor zover die context nog ruimte laat voor een andersluidende opvatting, moet het de kredietnemers duidelijk zijn geworden uit de verwijzing die de Rabobank geeft onder het kopje verbintenis, die voor zover van belang luidt:

Verbintenis De bank attendeert u, debiteur/rekeninghouder, er op dat u zich door ondertekening van het financieringsvoorstel jegens de bank bindt (…).

4.9. De akte is door de kredietnemers ondertekend. Zij hebben hun handtekening gezet in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger van de door hen (middellijk) bestuurde besloten vennootschappen. Zij hebben echter ook een afzonderlijke, tweede, handtekening gezet onder de voorgedrukte zinsnede "De debiteur/rekeninghouder" waaronder de naam is gezet van ieder van de kredietnemers.

4.10. Tegen deze achtergrond kan de rechtbank niet inzien hoe de echtgenotes van de onjuiste voorstelling van zaken konden uitgaan en zij konden denken dat alleen de besloten vennootschappen jegens de Rabobank tot nakoming zouden zijn gebonden. Dit leidt tot de slotsom dat de echtgenotes toestemming hebben verleend en dat zij daarom niet met succes de op 13 maart 2008 gesloten financieringsovereenkomsten hebben vernietigd.

4.11. Hieraan kan niet afdoen dat de echtgenotes ook aanvoeren dat de bank hen onvoldoende heeft voorgelicht. Daargelaten de vraag of die stelling zich vertaalt in een voor bewijs vatbaar feit, geldt dat het niet de bank is die de overeenkomsten ter ondertekening aan de echtgenotes heeft voorgelegd. Dat hebben de kredietnemers gedaan. Waarom onder zodanige omstandigheden het de Rabobank had moeten zijn om een voorlichtende rol te vervullen, is zonder nadere toelichting die de echtgenotes niet geven, voor de rechtbank niet begrijpen.

Ad (ii) hebben de kredietnemers de financieringsovereenkomsten met hun beroep op

dwaling de financieringsovereenkomsten vernietigd?

4.12. De kredietnemers stellen dat zij bij het aangaan van de financieringsovereenkomsten hebben gedwaald, omdat zij zich toen niet hebben gerealiseerd dat zij naast de vennootschappen ook zelf aansprakelijk zouden zijn en, wanneer zij dat wel zouden hebben geweten, zij de financieringsovereenkomsten niet zouden zijn aangegaan. In dit verband kennen de kredietnemers betekenis toe aan de gesprekken die zij met de Rabobank hebben gevoerd voorafgaand aan de totstandkoming van de financieringsovereenkomst en de tekst van de financieringsovereenkomsten.

4.13. Op grond van wat art. 6:228 lid 1 BW bepaalt is voor een succesvol beroep op dwaling tenminste vereist dat, kort gezegd, de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, schending van de mededelingsplicht van de wederpartij of wederzijdse dwaling.

4.14. De rechtbank oordeelt dat, daargelaten de vraag of bij de kredietnemers sprake is geweest van dwaling in de zin dat bij het aangaan van de financieringsovereenkomsten een juiste voorstelling van zaken heeft ontbroken, wat de kredietnemers ter onderbouwing van het beroep op dwaling stellen, geen zicht geeft op feiten of omstandigheden waaruit volgt dat voorafgaand aan de totstandkoming van de financieringsovereenkomsten de Rabobank een inlichting heeft verstrekt die de onjuiste voorstelling van zaken heeft veroorzaakt.

4.15. Voor zover de kredietnemers aanvoeren dat de Rabobank in haar mededelingsplicht tekort is geschoten, kan hen dat niet baten. Op grond van wat de rechtbank hiervoor in rov. 4.7 e.v. heeft overwogen, kan geen mededelingsplicht van de Rabobank worden aangenomen.

4.16 De kredietnemers stellen niet dat sprake is van wederzijdse dwaling.

4.17. Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt met zich mee dat het beroep op dwaling niet rust op stellingen die dat beroep kunnen dragen. Het beroep op dwaling faalt.

Ad (iii) welke betekenis kan toekomen aan de stelling dat de Rabobank toerekenbaar tekort

is geschoten en onrechtmatig heeft gehandeld, omdat zij tekort is geschoten in haar

algemene of bijzondere zorgplicht

4.18. De kredietnemers voeren aan dat de Rabobank tekort is geschoten èn onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de Rabobank tekort is geschoten in haar algemene en bijzondere zorgplicht.

4.19. De rechtbank kan al wat de kredietnemers in dit verband hebben aangevoerd onbesproken laten. Daarvoor is redengevend dat de wet aan toerekenbaar tekortschieten en/of een onrechtmatige daad niet het rechtsgevolg vernietiging verbindt. Een eventueel tekortschieten van de Rabobank kan met zich brengen dat een bevoegdheid tot ontbinding van de overeenkomst ontstaat. Dat van die bevoegdheid gebruik is gemaakt en de overeenkomst is ontbonden, is gesteld noch gebleken. De wet verbindt aan een onrechtmatige daad als rechtsgevolg een verplichting tot vergoeding van schade en niet het rechtsgevolg vernietiging. In deze zaak wordt geen aanspraak gemaakt op vergoeding van schade.

4.20 Een en ander brengt met zich mee dat zonder nadere toelichting die de kredietnemers niet geven, niet begrijpelijk is hoe op grond van de stelling dat de Rabobank tekort is geschoten èn onrechtmatig heeft gehandeld de aansprakelijkheid van de kredietnemers voor hun contractuele verplichtingen jegens de Rabobank zijn komen te vervallen. Aldus valt niet in te zien welk belang de kredietnemers kunnen hebben bij een bespreking van al wat zij over het tekortschieten en het onrechtmatig handelen van de bank hebben aangevoerd, omdat wat zij aanvoeren niet kan leiden tot toewijzing van hun vordering.

4.21. Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat de gevorderde verklaring voor recht niet kan worden gegeven.

5. De beoordeling in reconventie

5.1. Het gaat in reconventie, samengevat weergegeven, om het volgende. De Rabobank heeft aan onder meer de kredietnemers de financieringsrelatie opgezegd. Haar vordering strekt te komen tot incasso van al wat zij uit hoofde van de financieringsovereenkomsten te vorderen heeft gekregen. De Rabobank houdt de kredietnemers tot betaling aansprakelijk. Het daartegen gerichte verweer valt in de navolgende onderdelen uiteen:

(i) de Rabobank is op een vijftal punten tekort geschoten in haar zorgplicht

(ii) de financieringsovereenkomsten zijn op grond van dwaling vernietigd

(iii) de Rabobank heeft misbruik van omstandigheden gemaakt

(iv) de hoogte van de vordering wordt betwist en is onvoldoende gespecificeerd

Ad (i) de Rabobank is op een vijftal punten tekort geschoten in haar zorgplicht

5.2. Op uiteenlopende gronden betogen de kredietnemers dat de Rabobank tekort is geschoten in haar zorgplicht en dat de Rabobank onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld (zie randnummer 8 van de conclusie van antwoord in reconventie). Daaraan verbinden de kredietnemers als gevolg dat "de hoofdelijke aansprakelijkheid daarom niet te gelde kan worden gemaakt". Deze zienswijze geeft naar het oordeel van de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De wet verbindt aan toerekenbaar tekortschieten noch aan een onrechtmatige daad het rechtsgevolg dat een hoofdelijke aansprakelijk niet te gelde kan worden gemaakt. Dit brengt met zich mee dat ook in reconventie geen belang bestaat bij een bespreking van al wat ten aanzien van de zorgplicht wordt aangevoerd.

Ad (ii) de financieringsovereenkomsten zijn op grond van dwaling vernietigd

5.3. In reconventie wordt het in conventie aangevoerde herhaald ter onderbouwing van een beroep op dwaling. Gelet op wat de rechtbank in conventie over het beroep op dwaling heeft overwogen, faalt dit verweer.

Ad (iii) de Rabobank heeft misbruik van omstandigheden gemaakt

5.4. De kredietnemers voeren aan dat de Rabobank misbruik van omstandigheden heeft gemaakt doordat zij bij de totstandkoming van de financieringsovereenkomsten van 13 maart 2008 tijdsdruk heeft gecreëerd waardoor de kredietnemers onvoldoende tijd hadden om de gevolgen van de financieringsovereenkomsten te kunnen realiseren.

5.5. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het aldus gedane beroep op misbruik van omstandigheden voorop, dat voor een succesvol beroep tenminste bijzondere omstandigheden zijn vereist. De wet geeft in artikel 3:44 lid 4 BW als voorbeeld een noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid. Daarbij is verder vereist dat de ander moet begrijpen dat de betrokkene door dergelijke bijzondere omstandigheden tot het verrichten van een rechtshandeling wordt bewogen. De rechtbank stelt vast dat de kredietnemers tekort schieten in hun stelplicht; zij stellen geen bijzondere omstandigheden en voor zover de geschetste tijdsdruk al een bijzondere omstandigheid zou kunnen zijn, geldt dat niet is gesteld en ook overigens niet kan blijken dat die omstandigheid aan de Rabobank kenbaar was in de hiervoor bedoelde zin. Reeds hierom faalt het beroep op misbruik van omstandigheden.

Ad (iv) de hoogte van de vordering wordt betwist en is onvoldoende gespecificeerd

5.6. De kredietnemers betwisten de hoogte van de vordering, die volgens hen niet is gespecificeerd. Dat verweer treft doel. De Rabobank volstaat met het stellen van de bedragen die de kredietnemers schuldig zijn. Ondanks het daarop gerichte verweer heeft de Rabobank geen specificatie gegeven.

5.7. Dit brengt met zich dat het beloop van de vordering (nog) niet is komen vast te staan. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen en zij gelast dat de Rabobank haar vordering bij akte specificeert.

6. De beslissing

De rechtbank

1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 augustus 2011 teneinde de Rabobank in de gelegenheid te stellen de in rov. 5.7 bedoelde akte te nemen,

2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. B.R. Tromp, mr. H.H. Kielman en mr. S. Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011.