Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BR0296

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
19.830076-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bewijsoverwegingen

De raadsvrouwe van verdachte heeft onder meer als haar uitdrukkelijk standpunt aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Zij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat verdachte niet het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer], ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Niet bewezen kan worden dat verdachte zich bewust was van een kans op de dood van [slachtoffer] en dat hij die kans welbewust heeft aanvaard. Voorts stelt de raadsvrouwe dat er in het onderhavige geval sprake was van zeer gering letsel bij het slachtoffer en dat onder deze omstandigheden niet kan worden bewezen dat er sprake was van het aanvaarden van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] door verdachte. De rechtbank kan zich niet met dit standpunt verenigen en overweegt dienaangaande het volgende.

Op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan feitelijk worden bewezen dat

verdachte op 20 maart 2011 opzettelijk het slachtoffer [slachtoffer] van de fiets heeft getrokken en vervolgens, terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag, meermalen met kracht tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] heeft gestompt en geschopt.

De rechtbank dient te beoordelen of deze feitelijke handeling oplevert een poging tot doodslag.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als gericht op de dood van het slachtoffer. Verdachte heeft meerdere malen met kracht tegen en in de richting van het hoofd van het slachtoffer geschopt, terwijl hij op de grond lag. Het slachtoffer zag de aanval van verdachte niet aankomen en heeft niet teruggevochten. Hij heeft enkel getracht de klappen en trappen af te weren. Het is de geluksfactor die de goede afloop heeft bepaald, verdachte had hier geen enkele controle over. Het is een algemene ervaringsregel dat het hoofd dusdanig kwetsbaar is dat, indien daartegen bewust en met kracht meerdere malen wordt geschopt, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moet ook verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Door niettemin te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou kunnen overlijden. Aldus was bij verdachte sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen.

Kwalificatie

Het primair bewezen geachte levert op:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830076-11

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 5 juli 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [adres],

thans preventief gehecht [detentieadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 21 juni 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. A.M. Crouwel, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 20 maart 2011 te [plaats delict], althans in de gemeente [plaats delict] ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] van de fiets

heeft getrokken en/of (vervolgens, terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag)

meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen

en/of gestompt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 20 maart 2011 te [plaats delict], althans in de gemeente [plaats delict], ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die

[slachtoffer] tegen het hoofd, althans tegen het lichaam heeft geslagen en/of

gestompt en/of geschopt, (terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag), terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht

volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 20 maart 2011 te [plaats delict], althans in de gemeente [plaats delict],

opzettelijk mishandelend [slachtoffer] van de fiets heeft getrokken en/of

(vervolgens) die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt

(terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag), waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. B.D. van der Burg acht hetgeen primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, hetgeen mede kan inhouden een klinische opname in DOK3 of een soortgelijke instelling. Voorts vraagt zij de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van 2.042,56 euro onder oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- de aangifte van [slachtoffer] inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij in de nacht van zaterdag 19 op zondag 20 maart 2011 uit was in [plaats delict]; dat hij bij discotheek [naam discotheek] was; dat hij daar ongeveer tussen 03.00 en 04.00 uur ruzie kreeg met [bezoeker 1] om een meisje; hij is toen door de portiers met [bezoeker 1] uit [de discotheek] gezet; toen hij buiten was werd hij uitgescholden door een groep mensen en door iemand bij de keel gepakt en geduwd; hij is hierop naar de politie gegaan omdat hij zich bedreigd voelde; de politie heeft hem naar zijn fiets begeleid; vervolgens is aangever samen met [een vriendin] en [een vriend] weggefietst; toen zij bij de [naam winkel] fietsten werd aangever ineens van achteren aangevallen en is hij met de fiets gevallen; vervolgens is hij buiten bewustzijn geraakt; pas in de ambulance kwam bij weer bij; aangever heeft pijn aan zijn hoofd en pijn aan zijn rechter ringvinger; verder heeft hij last van de linkerzijkant van zijn lichaam ter hoogte van zijn ribbenkast en doet zijn rechterenkel zeer en zijn kaak en zijn nek.

- de verklaring van de getuige [getuige 1] inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij op 20 maart 2011 in het Centrum van [plaats delict] was; dat hij in de richting van de [naam winkel] keek en daar een paar mensen zag fietsten; hij zag een jongen achter die fietsers aanrennen; hij zag dat die jongen een fietser van achteren om de nek pakte en dat de fietser daardoor met fiets en al onderuit ging; hij zag dat de fietser bleef liggen en dat de aanvaller meteen opstond; hij zag vervolgens dat de aanvaller de fietser die op de grond lag enkele keren achter elkaar tegen het hoofd schopte; hij deed dat zeker 2 tot 3 keer; het slachtoffer huilde en de aanvaller was heel agressief; het slachtoffer kroop een beetje in elkaar en deed zijn armen en handen voor zijn hoofd; desondanks werd het slachtoffer aan het hoofd geraakt; getuige verklaart dat hij het gevoel had dat de jongen op de grond total loss gemept en geschopt werd en hij kon het eigenlijk niet aanzien; na enige tijd stopte de aanvaller en liep weg;

- de verklaring van de getuige [getuige 2] inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat zij aan het stappen was in [plaats delict]; zij liep op de [straatnaam] in de richting van de [straatnaam]; zij zag twee fietsers, een jongen en een meisje, fietsen in de richting van de [straatnaam]; zij zag dat de jongen op de fiets werd aangevallen; zij zag dat een jongen de jongen van zijn fiets af trok of sloeg; zij zag dat de fietser daardoor hard op de grond terecht kwam; zij zag dat de aanvaller meerdere keren met kracht op de zijkant van het lichaam van de fietser schopte terwijl deze op de grond lag; zij zag dat hij dat wel 3 of 4 maal, misschien wel vaker, deed en tussendoor van been wisselde; zij zag dat de aanvaller door ging en de fietser zeker tweemaal hard met zijn voet tegen het hoofd trapte; zij hoorde dat de fietser harde kreten slaakte van pijn en angst; zij zag dat de aanvaller vervolgens naast de fietser op de grond ging staan en dat hij zich vooroverboog; zij zag dat de fietser zich probeerde te verweren met zijn armen en handen voor zijn gezicht; zij zag dat de aanvaller vervolgens nog driemaal met erg veel kracht harde vuistslagen gaf in het gezicht van de fietser op de grond; na de klappen in zijn gezicht bleef de fietser stil liggen; getuige is naar hem toe gerend en zag dat de fietser duidelijk in de war was en begon te huilen; zij zag dat hij verwondingen en bloed aan zijn gezicht had.

- de verklaring van de getuige [getuige 3] inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat zij samen met [slachtoffer] (aangever) op de [straatnaam] fietste; zij zag dat [slachtoffer] in zijn rug werd aangevallen en dat hij helemaal over de kop, over zijn stuur, ten val kwam; zij zag dat [slachtoffer] met zijn hoofd hard op de grond terecht kwam; zij zag dat de aanvaller begon met trappen tegen [slachtoffer] terwijl [slachtoffer] op de grond lag; de aanvaller trapte heel hard en met veel kracht tegen het hoofd van [slachtoffer]; zij zag dat [slachtoffer] wel 4 of 5 keer hard tegen zijn hoofd werd geraakt; getuige heeft geprobeerd om de aanvaller bij [slachtoffer] weg te trekken maar zij werd door hem weggeduwd; getuige zag dat de aanvaller [slachtoffer] vervolgens met zijn vuisten hard en krachtig in het gezicht sloeg; [slachtoffer] lag nog steeds op de grond; nadat [slachtoffer] zo getrapt en geslagen was zag zij wel verwondingen, een van zijn handen was verwond, hij bloedde rond zijn neus en zijn rechteroog was helemaal dik; getuige zag dat [slachtoffer] even helemaal weg was, bewusteloos.

- de verklaring van [getuige 4] (pag. 62 pv) inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij met verdachte in [plaats delict] was; dat hij zag dat verdachte ineens keihard begon te rennen; hij rende achter een paar fietsers aan; hij zag dat verdachte een van de fietsers van achteren aan viel, zijn arm om de nek van die fietser deed en hem naar de grond werkte; die fietser had geen schijn van kans en het ging heel snel; die fietser kwam met fiets en al op de grond terecht; hij zag dat verdachte de fietser een aantal keer met zijn vuist sloeg en daarbij flink uithaalde in de richting van het gezicht van de fietser; hij hoorde een meisje roepen dat de fietser een bloedneus had; [getuige 4] vond zelf ook dat het wel genoeg was; hij denkt dat verdachte 2 of 3 keer heeft geslagen en 1 of 2 keer heeft geschopt; van één schop zag hij dat verdachte de fietser op de knie raakte;

- de verklaring van de verdachte inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat aangever eerder op de avond problemen had gehad met [bezoeker 1]; toen verdachte later op de avond aangever zag fietsen sloegen bij hem de stoppen door; verdachte is op hem afgerend en heeft aangever met zijn rechterarm om de nek gepakt; verdachte is met aangever op de grond gevallen; verdachte verklaart verder: toen ik opstond heb ik hem sowieso in zijn gezicht geslagen, dat weet ik zeker, dat was met mijn rechtervuist met kracht en ik raakte hem op zijn hoofd; misschien heb ik nog een tik gegeven, ik weet het niet precies meer; ik heb hem wel geschopt, op zijn benen; ik had een waas voor mijn ogen tijdens het vechten en ik had ook redelijk wat gedronken; die jongen, aangever, heeft niets gezegd en hij heeft ook niet teruggevochten; alsmede zijn ter terechtzitting afgelegde verklaring;

- de geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] d.d. 23 maart 2011 van J. Groote, chirurg, die schaaf- en kneusplekken heeft geconstateerd aan oor en hoofd en aan de middel- en ringvinger van aangever, alsmede de medische informatie zoals deze blijkt uit de bij de vordering benadeelde partij overgelegde stukken.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit met name de verklaringen van -de onafhankelijke- getuigen [getuige 2] en [getuige 1], gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte meermalen met kracht tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt. Het enkele feit dat [getuige 2] in eerste instantie op straat tegen de politie heeft gezegd dat ‘verdachte zeker eenmaal heel hard met zijn voet waaraan hij een schoen droeg intrapte op het hoofd van de jongen’, brengt niet mee dat haar later afgelegde verklaring minder betrouwbaar is. Het verweer van de raadsvrouwe dat uit de bewijsmiddelen slechts volgt dat verdachte hooguit één keer heeft getrapt tegen het hoofd van [slachtoffer], volgt de rechtbank derhalve niet.

Bijzondere bewijsoverwegingen

De raadsvrouwe van verdachte heeft onder meer als haar uitdrukkelijk standpunt aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Zij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat verdachte niet het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer], ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Niet bewezen kan worden dat verdachte zich bewust was van een kans op de dood van [slachtoffer] en dat hij die kans welbewust heeft aanvaard. Voorts stelt de raadsvrouwe dat er in het onderhavige geval sprake was van zeer gering letsel bij het slachtoffer en dat onder deze omstandigheden niet kan worden bewezen dat er sprake was van het aanvaarden van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] door verdachte. De rechtbank kan zich niet met dit standpunt verenigen en overweegt dienaangaande het volgende.

Op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan feitelijk worden bewezen dat

verdachte op 20 maart 2011 opzettelijk het slachtoffer [slachtoffer] van de fiets heeft getrokken en vervolgens, terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag, meermalen met kracht tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] heeft gestompt en geschopt.

De rechtbank dient te beoordelen of deze feitelijke handeling oplevert een poging tot doodslag.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als gericht op de dood van het slachtoffer. Verdachte heeft meerdere malen met kracht tegen en in de richting van het hoofd van het slachtoffer geschopt, terwijl hij op de grond lag. Het slachtoffer zag de aanval van verdachte niet aankomen en heeft niet teruggevochten. Hij heeft enkel getracht de klappen en trappen af te weren. Het is de geluksfactor die de goede afloop heeft bepaald, verdachte had hier geen enkele controle over. Het is een algemene ervaringsregel dat het hoofd dusdanig kwetsbaar is dat, indien daartegen bewust en met kracht meerdere malen wordt geschopt, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moet ook verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Door niettemin te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou kunnen overlijden. Aldus was bij verdachte sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 maart 2011 te [plaats delict], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] van de fiets heeft getrokken en (vervolgens, terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag)

meermalen tegen het hoofd en het lichaam heeft gestompt en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het primair bewezen geachte levert op:

Poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsvrouw van de verdachte, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 24 mei 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld, alsmede het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport d.d. 20 juni 2011.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Verdachte heeft het slachtoffer van de fiets getrokken waardoor deze ten val kwam. Terwijl het slachtoffer op de grond lag, heeft verdachte hem, onder meer, meermalen tegen diens hoofd geschopt. Het slachtoffer, maar ook verdachte, mogen van geluk spreken dat het schoppen tegen en in de richting van het hoofd geen fatale afloop heeft gehad. Dit alles komt in een nog kwalijker daglicht te staan nu hier tevens sprake is van een vorm van ernstig zinloos geweld op de openbare weg. De gevoelens van onveiligheid worden hiermee vergroot en alleen al uit oogpunt van normhandhaving dient een forse strafrechtelijke reactie te volgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hier sprake is van een ernstig feit dat in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank houdt echter rekening met het volgende.

Ten aanzien van verdachte stelt de rechtbank vast dat hij niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. In het reclasseringsrapport wordt aangegeven dat sprake is van zowel alcohol als drugsproblematiek. Tevens kampt verdachte met psychische problemen en is hij gediagnosticeerd met ADHD. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog gemiddeld. Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder een behandelverplichting in DOK 3 van VNN of een soortgelijke instelling hetgeen meebrengt een klinische behandeling die van aanzienlijke duur kan zijn. De rechtbank zal dit advies overnemen met dien verstande dat zij daarbij uitkomt op een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn blanco strafblad en het belang dat verdachte heeft bij een spoedige start van zijn behandeling. De rechtbank gaat niet mee met het verzoek van de raadsvrouwe om op verdachte het jeugdstrafrecht van toepassing te achten, aangezien het verzoek onvoldoende is onderbouwd. De jeugdige leeftijd, zowel in absolute als in relatieve zin, weegt de rechtbank zoals hiervoor aangegeven, wel mee in de strafmaat.

Op grond van bovenstaande zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met bijzondere voorwaarden, één en ander zoals hierna te formuleren.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade (gederfd loon en kosten manuele therapie) ten bedrage van respectievelijk 157,56 en 135 euro. De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de materiële schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen.

De rechtbank acht voorts de gevorderde immateriële schadevergoeding ten bedrage van 1.750 euro voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk.

De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het primair bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden waarvan een gedeelte groot 12 (twaalf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, hetgeen mede inhoudt dat de verdachte zich voor een klinische behandeling zal laten opnemen en behandelen in DOK 3 van VNN of een soortgelijke instelling, echter maximaal voor de tijd van 2 jaren, met opdracht aan die instelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van de som van € 2.042,56 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag van € 2.042,56 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 40 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mrs. E.C.M. Wolfert en M. van der Veen, rechters in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 5 juli 2011, zijnde mr. Van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.