Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BR0293

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
19.605540-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft onder meer als zijn uitdrukkelijk standpunt aangevoerd dat verdachte weliswaar heeft bekend dat hij de foto’s heeft gemaakt maar dat dit geen ontuchtige handeling of een handeling van seksuele aard oplevert. Verdachte heeft de foto’s als grap gemaakt en hij had daarmee geen seksuele bedoeling. Verdachte moet volgens de verdediging gelet hierop worden vrijgesproken van de ten laste gelegde aanranding van de eerbaarheid. De rechtbank kan zich niet met dit standpunt verenigen en overweegt dienaangaande het volgende.

Op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan feitelijk worden bewezen dat verdachte met een camera aan de onderzijde van een toilethokje foto’s heeft gemaakt van een vrouwelijke bezoekster van de [plaats delict] tijdens haar toiletgebruik. De rechtbank dient te beoordelen of deze feitelijke handeling een strafbaar feit is, of – zoals de verdediging heeft betoogd – dat sprake is van een niet strafbare -ongepaste- grap.

Volgens het openbaar ministerie is in deze zaak door verdachte art. 246 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) overtreden. In dat artikel staat – onder meer – dat strafbaar is hij die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt tot het dulden van ontuchtige handelingen. In deze zaak moet worden beoordeeld of verdachte door foto’s van het slachtoffer in half ontkleedde toestand te maken terwijl zij gebruik maakte van het toilet, het slachtoffer heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. De vragen die moeten worden beantwoord zijn dus – kort samengevat – of sprake is van dwang en of sprake is van ontuchtig handelen.

Dwang

Van door een feitelijkheid dwingen tot het dulden van handelingen als in art. 246 Sr bedoeld kan slechts sprake zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan (vgl. HR 20 april 1999, NJ 1999, 512; HR 22 juni 2004, NJ 2004, 439; HR 2 juni 2006, NJ 2009, 307; HR 12 december 2006, NJ 2007, 422; HR 2 juni 2009, NS 2009, 268).

In de lagere rechtspraak is de laatste jaren geoordeeld dat bij het heimelijk filmen of fotograferen van personen die op de WC zitten, zich omkleden in een kleedhokje, zich ophouden in hun slaapkamer, staan te douchen of topless liggen te zonnen, de bespiede personen door een feitelijkheid worden gedwongen de handeling (het filmen of fotograferen) te ondergaan. In die gevallen, zo oordeelde de rechter telkens, weet de dader door onverhoeds handelen te voorkomen dat de niets vermoedende slachtoffers zich tegen de handeling kunnen verzetten (vgl. rechtbank Haarlem, 24 juli 2008, LJN BD8449; rechtbank Haarlem, 16 maart 2010, NJFS 2010, 168; gerechtshof Arnhem 9 juli 2010, NJFS 2010, 263; rechtbank ’s-Gravenhage, 12 augustus 2010, NJFS 2010, 287; rechtbank Amsterdam, 07-04-2011, LJN BQ3268). Ook in dit geval komt de rechtbank tot dit oordeel.

Het slachtoffer in de onderhavige zaak heeft zich afgezonderd in een toilethokje buiten het gezichtsveld van derden om gebruik te maken van dat toilet. Zij waande zich onbespied, maar werd onverhoeds gefotografeerd door verdachte. Het slachtoffer kon zich hiertegen niet verzetten en werd zo door verdachte gedwongen die handelingen te dulden. De ten laste gelegde dwang kan worden bewezen.

Ontuchtig karakter

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of voornoemde handeling, het heimelijk fotograferen van het slachtoffer met (gedeeltelijk) ontbloot onderlichaam terwijl zij gebruik maakt van het toilet, moet worden aangemerkt als ontuchtig.

In de jurisprudentie wordt als uitgangspunt genomen dat van ontuchtig handelen sprake is, wanneer de handelingen een seksuele lading hebben die in strijd is met sociaalethische normen. Naar het oordeel van de rechtbank valt het handelen van verdachte onder voornoemd uitgangspunt.

Het stiekem fotograferen van het ontblote onderlichaam van een andere persoon tijdens toiletbezoek, heeft reeds naar zijn aard een seksuele lading. Het door verdachte ter terechtzitting gegeven antwoord op de vraag van de voorzitter waarom hij zulke foto’s maakt, te weten: “welke man kijkt nu niet graag naar vrouwen?” bevestigt dit nog eens.

Deze handeling is uit zijn aard eveneens aan te merken als zijnde volstrekt in strijd met de normaal in acht te nemen fatsoensnormen en daarmee in strijd met sociaalethische normen.

Kwalificatie

Het primair bewezen geachte levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.605540-10

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 5 juli 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 21 juni 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen.

De tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 26 juni 2010 in de gemeente [plaats delict], door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen

en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het maken

van fotografische opnamen van die [slachtoffer 1] toen zij tijdens

toiletbezoek haar onderlichaam (gedeeltelijk) ontblootte en/of op het toilet

zat en/of ging zitten

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die

fotografische opnamen onverwachts en/of heimelijk heeft gemaakt;

art 246 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 26 juni 2010 in de gemeente [plaats delict], gebruik makende van een

technisch hulpmiddel, te weten een (digitale) fotocamera, waarvan de

aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en

wederrechtelijk van een of meer perso(n)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], die aanwezig waren/was op een niet voor het

publiek toegankelijke plaats, te weten een wc-ruimte/-hokje op/bij het

[plaats delict], een of meer afbeelding(en) heeft vervaardigd;

art 139f ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. B.D. van der Burg acht hetgeen primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ten bedrage van 1000 euro, subsidiair 20 dagen hechtenis, dat de rechtbank de inbeslaggenomen camera van verdachte zal verbeurd verklaren en dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal worden toegewezen tot een bedrag van 358 euro onder oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- De aangifte van [slachtoffer 1] dat zij op zaterdag 26 juni 2010 tussen 09.30 en 10.00 uur op het toilet van het [plaats delict] op het toilet is gefotografeerd. Zij verklaart: Ik ging naar de WC. Ik trok mijn legging uit en keek daarom naar de vloer. Ik zag dat er iets zilverkleurigs aan mijn rechterkant over de vloer van de WC in kwam en weer uit ging. Ik zag duidelijk dat dit om een camera ging. Ik schrok heel erg en ben uit de WC gegaan en heb het tegen mijn vriend verteld. Er kwam toen een ander meisje uit de WC. Ik hoorde haar zeggen dat iemand een foto van haar had gemaakt. De persoon die de foto heeft gemaakt zat in het derde wc hokje. Ik zat in het tweede en het andere meisje in het vierde hokje. Hierna hebben we de security ingeschakeld en even later is de man in hokje 3 aangehouden en naar de politiepost gebracht.

- De verklaring van de getuige [getuige/slachtoffer 2] dat zij de WC in liep en zag dat de bril nat was. Zij pakte papier om het schoon te maken. Toen zag zij ineens een camera links onder het zijwandje vandaan komen. Zij heeft naar de camera getrapt. De camera was zilverkleurig met een uitschuiflens. Zij is naar buiten gegaan en heeft het aan haar vriendin verteld. Een ander meisje hoorde dat en vertelde dat het bij haar ook was gebeurd.

- Het proces-verbaal van inbeslagname onder verdachte van een fotocamera (compact) merk Sony Dsc- W210, zilverkleurig, met een Sandisk 8 gigabyte memorycard .

- Het proces-verbaal van onderzoek aan de onder verdachte in beslag genomen camera : in het toestel was een geheugenkaart geplaatst van het merk Sandisk met een opslagcapaciteit van 8 gigabyte. De gegevens op de geheugenkaart zijn door verbalisant veiliggesteld. Er zijn op de geheugenkaart een aantal opnames aangetroffen welke kennelijk buiten medeweten van het gefotografeerde object gemaakt zijn terwijl zij gebruik maakt van het toilet.

- Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant] inhoudende dat op 12 juli 2010 een collega haar de foto’s toonde die waren veiliggesteld op de inbeslaggenomen camera van verdachte; zij herkende de dame op de foto als de vrouw van wie zij op de dag van het incident een getuigenverklaring had opgenomen: [getuige/slachtoffer 2].

- De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij met zijn fotocamera foto’s heeft gemaakt van dames die het toilet bezochten. Nadat hij betrapt was heeft hij de foto’s verwijderd.

Bijzondere bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft onder meer als zijn uitdrukkelijk standpunt aangevoerd dat verdachte weliswaar heeft bekend dat hij de foto’s heeft gemaakt maar dat dit geen ontuchtige handeling of een handeling van seksuele aard oplevert. Verdachte heeft de foto’s als grap gemaakt en hij had daarmee geen seksuele bedoeling. Verdachte moet volgens de verdediging gelet hierop worden vrijgesproken van de ten laste gelegde aanranding van de eerbaarheid. De rechtbank kan zich niet met dit standpunt verenigen en overweegt dienaangaande het volgende.

Op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan feitelijk worden bewezen dat verdachte met een camera aan de onderzijde van een toilethokje foto’s heeft gemaakt van een vrouwelijke bezoekster van de [plaats delict] tijdens haar toiletgebruik. De rechtbank dient te beoordelen of deze feitelijke handeling een strafbaar feit is, of – zoals de verdediging heeft betoogd – dat sprake is van een niet strafbare -ongepaste- grap.

Volgens het openbaar ministerie is in deze zaak door verdachte art. 246 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) overtreden. In dat artikel staat – onder meer – dat strafbaar is hij die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt tot het dulden van ontuchtige handelingen. In deze zaak moet worden beoordeeld of verdachte door foto’s van het slachtoffer in half ontkleedde toestand te maken terwijl zij gebruik maakte van het toilet, het slachtoffer heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. De vragen die moeten worden beantwoord zijn dus – kort samengevat – of sprake is van dwang en of sprake is van ontuchtig handelen.

Dwang

Van door een feitelijkheid dwingen tot het dulden van handelingen als in art. 246 Sr bedoeld kan slechts sprake zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan (vgl. HR 20 april 1999, NJ 1999, 512; HR 22 juni 2004, NJ 2004, 439; HR 2 juni 2006, NJ 2009, 307; HR 12 december 2006, NJ 2007, 422; HR 2 juni 2009, NS 2009, 268).

In de lagere rechtspraak is de laatste jaren geoordeeld dat bij het heimelijk filmen of fotograferen van personen die op de WC zitten, zich omkleden in een kleedhokje, zich ophouden in hun slaapkamer, staan te douchen of topless liggen te zonnen, de bespiede personen door een feitelijkheid worden gedwongen de handeling (het filmen of fotograferen) te ondergaan. In die gevallen, zo oordeelde de rechter telkens, weet de dader door onverhoeds handelen te voorkomen dat de niets vermoedende slachtoffers zich tegen de handeling kunnen verzetten (vgl. rechtbank Haarlem, 24 juli 2008, LJN BD8449; rechtbank Haarlem, 16 maart 2010, NJFS 2010, 168; gerechtshof Arnhem 9 juli 2010, NJFS 2010, 263; rechtbank ’s-Gravenhage, 12 augustus 2010, NJFS 2010, 287; rechtbank Amsterdam, 07-04-2011, LJN BQ3268). Ook in dit geval komt de rechtbank tot dit oordeel.

Het slachtoffer in de onderhavige zaak heeft zich afgezonderd in een toilethokje buiten het gezichtsveld van derden om gebruik te maken van dat toilet. Zij waande zich onbespied, maar werd onverhoeds gefotografeerd door verdachte. Het slachtoffer kon zich hiertegen niet verzetten en werd zo door verdachte gedwongen die handelingen te dulden. De ten laste gelegde dwang kan worden bewezen.

Ontuchtig karakter

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of voornoemde handeling, het heimelijk fotograferen van het slachtoffer met (gedeeltelijk) ontbloot onderlichaam terwijl zij gebruik maakt van het toilet, moet worden aangemerkt als ontuchtig.

In de jurisprudentie wordt als uitgangspunt genomen dat van ontuchtig handelen sprake is, wanneer de handelingen een seksuele lading hebben die in strijd is met sociaalethische normen. Naar het oordeel van de rechtbank valt het handelen van verdachte onder voornoemd uitgangspunt.

Het stiekem fotograferen van het ontblote onderlichaam van een andere persoon tijdens toiletbezoek, heeft reeds naar zijn aard een seksuele lading. Het door verdachte ter terechtzitting gegeven antwoord op de vraag van de voorzitter waarom hij zulke foto’s maakt, te weten: “welke man kijkt nu niet graag naar vrouwen?” bevestigt dit nog eens.

Deze handeling is uit zijn aard eveneens aan te merken als zijnde volstrekt in strijd met de normaal in acht te nemen fatsoensnormen en daarmee in strijd met sociaalethische normen.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 juni 2010 in de gemeente [plaats delict], door een feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handelingen, bestaande uit het maken

van fotografische opnamen van die [slachtoffer 1] toen zij tijdens toiletbezoek haar onderlichaam (gedeeltelijk) ontblootte en op het toilet ging zitten en bestaande die feitelijkheid hierin dat verdachte die fotografische opnamen onverwachts en heimelijk heeft gemaakt.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het primair bewezen geachte levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid,

strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit; de omstandigheden waaronder dit feit is begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsman van de verdachte;

de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 24 mei 2011, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke geldboete van na te noemen omvang passend en geboden is.

De rechtbank heeft bij het vaststellen van de op te leggen geldboete rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte voorzover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, in de mate waarin de rechtbank dat nodig acht met het oog op een passende bestraffing van de verdachte.

Motivering van de verbeurdverklaring

De rechtbank acht de in beslag genomen geheugenkaart vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien het een voorwerp is met behulp waarvan het primair bewezenverklaarde feit is begaan.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij vordert vergoeding van 58 euro voor geleden materiële schade (een toegangskaartje voor de [plaats delict]) en vergoeding van 300 euro voor geleden immateriële schade.

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de materiële schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De rechtbank acht voorts een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van 150 euro voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering, voor dit deel kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het primair bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 36f, 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete ten bedrage van € 500,00 met bevel dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank verklaart verbeurd het navolgende in beslag genomen voorwerp:

- een geheugenkaart.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van het navolgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

- een digitale fotocamera merk Sony.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van de som van € 208,00 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag van € 208,00 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mrs. E.C.M. Wolfert en M. van der Veen, rechters in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 5 juli 2011, zijnde mr. Van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.