Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BQ7823

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
14-06-2011
Zaaknummer
19.605732-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak

De rechtbank overweegt met betrekking tot de tenlastegelegde diefstal dat verdachte ontkent dat hij de diefstal heeft gepleegd en dat er overigens teveel tijd zit tussen het moment waarop de quad werd gestolen op 18 augustus 2010 en het moment dat verdachte rijdend op de quad werd gesignaleerd op 23 augustus 2010, om verdachte, ondanks zijn ontkenning, aan de diefstal te linken.

Met betrekking tot de tenlastegelegde opzetheling overweegt de rechtbank dat hiervoor evenmin wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

De verdachte dient derhalve van het primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Bewijsmotivering

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Op grond van de aangifte van [slachtoffer], in samenhang met de omstandigheid dat verdachte op de quad is gaan rijden terwijl hij geen helderheid kan verschaffen over de wijze waarop de quad bij hem voor de deur is terechtgekomen en de omstandigheid dat hij de quad op ‘alternatieve wijze’ moest starten omdat er geen sleutel bij was, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het niet goed zat met de quad en dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan schuldheling. De verklaring van verdachte dat hij dacht dat zijn broer [naam broer] de quad had gekocht voor de handel, dat hij dacht dat zijn broer de quad bij hem voor de deur had gezet en dat hij dacht dat zijn broer de sleutel had passeert de rechtbank nu voornoemde broer desgevraagd bij de politie en als getuige ter terechtzitting heeft ontkend dat de quad van hem was, dat hij de quad niet bij verdachte voor de deur heeft gezet en dat hij geen sleutel had van de quad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.605732-10

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 14 juni 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 31 mei 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. R.J.J. Bosma, advocaat te Spier.

De Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 18 augustus 2010 te [plaats delict], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een quad (merk: Kawasaki, kleur: groen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2010 tot en met 23 augustus 2010, te [plaats delict], in elk geval in Nederland, een quad (merk: Kawasaki, kleur: groen) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die quad wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2010 tot en met 23 augustus 2010, te [plaats delict], in elk geval in Nederland, een quad (merk: Kawasaki, kleur: groen) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die quad redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. B. van der Burg acht hetgeen is tenlastegelegd niet wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De rechtbank overweegt met betrekking tot de tenlastegelegde diefstal dat verdachte ontkent dat hij de diefstal heeft gepleegd en dat er overigens teveel tijd zit tussen het moment waarop de quad werd gestolen op 18 augustus 2010 en het moment dat verdachte rijdend op de quad werd gesignaleerd op 23 augustus 2010, om verdachte, ondanks zijn ontkenning, aan de diefstal te linken.

Met betrekking tot de tenlastegelegde opzetheling overweegt de rechtbank dat hiervoor evenmin wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

De verdachte dient derhalve van het primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Bewijsmotivering

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Op 18 augustus 2010 werd door [slachtoffer] aangifte gedaan. Hij verklaarde, kort en zakelijk weergegeven, dat op 18 augustus 2010 tussen 12.45 en 14.30 uur uit een schuur bij zijn boerderij een groenkleurige quad is gestolen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat zij op 23 augustus 2011 de haar bekende verdachte [verdachte] in [plaats delict] heeft zien rijden op een groenkleurige quad. Verdachte is kort hierna in de nabijheid van de quad aangehouden en heeft bekend dat hij op de quad reed.

Op grond van de aangifte van [slachtoffer], in samenhang met de omstandigheid dat verdachte op de quad is gaan rijden terwijl hij geen helderheid kan verschaffen over de wijze waarop de quad bij hem voor de deur is terechtgekomen en de omstandigheid dat hij de quad op ‘alternatieve wijze’ moest starten omdat er geen sleutel bij was, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het niet goed zat met de quad en dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan schuldheling. De verklaring van verdachte dat hij dacht dat zijn broer [naam broer] de quad had gekocht voor de handel, dat hij dacht dat zijn broer de quad bij hem voor de deur had gezet en dat hij dacht dat zijn broer de sleutel had passeert de rechtbank nu voornoemde broer desgevraagd bij de politie en als getuige ter terechtzitting heeft ontkend dat de quad van hem was, dat hij de quad niet bij verdachte voor de deur heeft gezet en dat hij geen sleutel had van de quad.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 18 augustus 2010 tot en met 23 augustus 2010, te [plaats delict], een quad (merk: Kawasaki, kleur: groen) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die quad redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het meer subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het meer subsidiair bewezen geachte levert op:

schuldheling,

strafbaar gesteld bij artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, het pleidooi van de raadsvrouw van de verdachte, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 18 mei 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven is veroordeeld.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke geldboete van na te noemen omvang passend en geboden is.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade niet bewezen De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en hij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 27, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.830086-10

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie afwijzen gelet op de verhouding tussen de aard van het bewezenverklaarde strafbare feit, schuldheling, en de zwaarte van de straf waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het meer subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete ten bedrage van € 1.000,00 met bevel dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van € 50 per in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van het navolgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

- een kassabon van tankstation [naam tankstation].

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.830086-10

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H. de Wit, voorzitter en C.P. van Gastel en J.M.M. van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 14 juni 2011, zijnde mr. Van Gastel buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.