Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BQ6661

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
83752 / HA ZA 10-941
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure van een voormalig journalist van het Dagblad van het Noorden tegen de Provincie Drenthe en tegen een gedeputeerde inzake vermeend onrechtmatig handelen.

De vorderingen tegen de gedeputeerde zijn afgewezen, omdat de gedeputeerde als natuurlijk persoon is gedagvaard, terwijl de gedeputeerde drager c.q. vertegenwoordiger is van het ambt. Diens handelen geldt in het maatschappelijk verkeer derhalve als gedraging van de Provincie, zodat er geen basis was om de gedeputeerde als persoon te dagvaarden.

Ook de vorderingen tegen de Provincie zelf zijn afgewezen, onder meer omdat het vereiste causale verband tussen het lijden van de inkomensschade - waar de vorderingen van de journalist op zien - en het gestelde handelen van de gedeputeerde niet vaststaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 83752 / HA ZA 10-941

Vonnis van 1 juni 2011

in de zaak van

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.L. Stroink-van Son te Groningen,

tegen

1. PROVINCIE DRENTHE,

gevestigd te Assen,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Daalder,

2. [GEDAAGDE SUB 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. C. Hellingman.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 maart 2011, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- het proces-verbaal van comparitie van 3 mei 2011;

- de akte van eiswijziging van [eiser] van 3 mei 2011;

- de ingebrachte producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

De rechtbank legt de navolgende feiten, voor zover bij de beoordeling niet nog feiten worden vastgesteld, ten grondslag aan haar beslissing:

a. Bij verzoekschrift van 8 juli 2009 heeft de besloten vennootschap

NDC MEDIAGROEP B.V (NDC) de kantonrechter te Emmen verzocht de arbeidsovereenkomst met [eiser] per de eerst mogelijke datum te ontbinden vanwege een gewichtige reden als bedoeld in artikel 7:685 BW, bestaande uit een dringende reden dan wel uit een zodanige verandering van omstandigheden dat beëindiging van het dienstverband op korte termijn noodzakelijk moet worden geacht.

Tot kort daarvoor was tussen NDC en [eiser] gesproken over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Dit is voor het eerst gebeurd tijdens een ontmoeting van [eiser] met zijn hoofdredacteur

[hoofdredacteur DvhN] in Grollo. Besproken is de mogelijkheid om op basis van de kantonrechtersformule 2008, die ook nog ten grondslag lag aan het sociaal plan 2010 van NDC, de arbeidsovereenkomst met [eiser] te beëindigen. Dat bleek niet acceptabel en kort daarna heeft personeelszaken voorgesteld om met wederzijds goedvinden afscheid te nemen tegen betaling aan [eiser] van

€ 70.000,00. Dat zou de reputatie van [eiser] niet aantasten maar [eiser] vond integendeel dat dit juist zou kunnen worden opgevat als het bekennen van schuld van zijn kant. Hij heeft het aanbod afgewezen. Kort daarop heeft [hoofdredacteur DvhN] hem geadviseerd de onderhandelingen te heropenen. Daarvan is het niet gekomen. De ontbindingsprocedure volgde.

b. In die procedure heeft [eiser] het standpunt ingenomen dat hij zich niet verzet tegen ontbinding, in die zin dat hij de kantonrechter verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 september 2009, onder toekenning aan hem van € 385.638,00.

Ter zitting is desgevraagd verklaard dat verzet volgens [eiser] weinig zin had.

c. De aanleiding tot de ontbindingsverzoeken van zowel NDC als van [eiser] is gelegen in het volgende.

d. [eiser] was in dienst van NDC als verslaggever van het Dagblad van het Noorden (DvhN).

Samen met een collega heeft hij in het Dagblad frequent verslag gedaan over de zogeheten EuroChamp-affaire. De aanleiding was een verdenking van malversaties.

De provincie Drenthe raakte hierbij betrokken omdat zij subsidies verleende aan de betreffende stichting.

e. Na een eerste onderzoek heeft de provincie Deloitte Forensic & Dispute Services (hierna: Deloitte Forensic) opdracht gegeven verder onderzoek te doen en daarover aan de provincie te rapporteren.

Dit heeft geresulteerd in een rapport, waarvan intern bij de provincie werd besloten dat dit op 27 november 2008 openbaar zou worden gemaakt, met anonimiseringen die nog zouden worden aangebracht.

Dit rapport is op 10 november 2008 in geschrift in 10-voud bezorgd bij het Provinciehuis en diezelfde dag om 14.11 uur in pdf-formaat bezorgd in het elektronische postvak van een medewerker van het directiesecretariaat.

f. De collega van [eiser], M. [collega van eiser], heeft kort daarna van een informant(e) een (kopie van een) exemplaar van het rapport gekregen, dan wel van het pdf-bestand of een uitdraai daarvan. Hij heeft [eiser] een schriftelijke kopie gegeven. Hij heeft daarbij niet verteld hoe hij aan het toen nog vertrouwelijke rapport was gekomen.

[collega van eiser] en [eiser] hebben in het Dagblad van het Noorden van 15 november 2008 een artikel geschreven over de EuroChamp-affaire, met daarin verwerkt informatie uit het toen nog vertrouwelijke rapport van Deloitte Forensic, onder de expliciete vermelding dat die informatie afkomstig is van ‘vorsers van Deloitte’ en dat zij inzage hebben gekregen in dat rapport.

g. [eiser] had in die tijd ook een informant(e). Hij kreeg van die persoon inzage in een ander, eveneens vertrouwelijk, provinciaal document. Daarin stond de volgorde van afhalen van het toen nog vertrouwelijke rapport van Deloitte Forensic en wie er voor de ontvangst tekende.

Veel later heeft [eiser] verteld dat de gedeputeerde [gedaagde sub 2] (VVD) zijn informant was en dat hij het document in haar woning heeft ingezien.

Dit handelen was strijdig met de regels waaraan de gedeputeerden zich dienen te houden. Hierover is in het politieke forum een debat gevoerd.

h. [eiser] stelde na de inzage een concept op voor een artikel in het Dagblad van het Noorden over het voortijdig laten uitlekken van het rapport van Deloitte Forensic. Toen hij dit concept met [collega van eiser] besprak bleken zij principieel van mening te verschillen. [collega van eiser] stelde bescherming van zijn informant(e) voorop.

Hun leidinggevende, [chef Drenthe DvhN] (chef Drenthe), heeft hen bij e-mail van 24 november 2008 voorgehouden:

‘We staan voor een dilemma: Hoe verder met Eurochamp nu de zaak zich dreigt toe te spitsen op de vraag wie heeft er gelekt naar DvhN. Ik denk te weten dat het goede antwoord op die vraag tot politieke beroering en wellicht gevolgen zal leiden. Juist omdat wij min of meer betrokken zijn bij deze zaak, we zijn de ontvangers van het lek, is alles wat wij doen ook in zekere zin verdacht. Het verstandigste nu is denk ik stil zitten en ons houden bij en aan de feiten. In mijn optiek is het beschermen van de bron nu van groter belang dan het aanzwengelen van de -op zich terechte- discussie of er op het hoogste bestuurlijke orgaan wellicht een politieke doodzonde is begaan door te lekken. Als krant verspelen we enorm veel gezag, invloed, betrouwbaarheid als wij nu mede aankoersen op onthulling (door nogmaals foei en schande te roepen) van de bron. We zijn een soort helers die tegen de dief roept dat ie in het gevang moet. Bronbescherming gaat bij mij boven alles, mijn opinie geef ik daar graag (tijdelijk) voor op.

Groet en wijsheid gewenst.’

i. Op diezelfde dag had [eiser] contact met [woordvoerder], woordvoerder van de gedeputeerde [gedeputeerde] (PvdA). [eiser] had hiertoe het initiatief genomen.

[eiser] ging het er om of er een verband te leggen was tussen het laten uitlekken van het rapport van Deloitte Forensic en ‘het Provinciehuis’. Hij heeft

[woordvoerder van gedeputeerde] vragen gesteld.

[woordvoerder van gedeputeerde] is hierdoor ontstemd geraakt en heeft meteen gebeld met [collega van eiser]. Die heeft de (hoofd)redactie ingelicht.

j. De hoofdredactie heeft vervolgens op 25 november 2008 een gesprek georganiseerd tussen adjunct-hoofdredacteur [adjunct-hoofdredacteur DvhN], [chef Drenthe DvhN], [collega van eiser] en [eiser]. In dat gesprek is al snel de vraag gesteld of [collega van eiser] en [eiser] elkaar nog wel vertrouwden.

[eiser] zegde het vertrouwen in [collega van eiser] op. [eiser] gaf daarbij wel aan dat hij op het dossier wilde blijven om het karwei af te maken.

[adjunct-hoofdredacteur DvhN] heeft daarop aangegeven dat [eiser] van de zaak werd afgehaald en dat hij zich er niet meer mee mocht bemoeien. [collega van eiser] werd aangewezen als de verantwoordelijk verslaggever voor de verdere berichtgeving over de EuroChamp-affaire.

[eiser] heeft zich vervolgens ziek gemeld.

k. Gedeputeerde Staten van de provincie hebben KPMG een onderzoek laten doen naar het laten uitlekken van het rapport Deloitte Forensic (‘Is het definitieve rapport van Deloitte Forensic & Dispute Services inzake Stichting Eurochamp Foundation voortijdig verspreid vanuit het Provinciehuis? Zo ja, op welke wijze, wanneer en door wie?’).

KPMG heeft in dit verband een voorgesprek met [eiser] gehad over zijn voorwaarden om medewerking te verlenen aan dit onderzoek. [gedaagde sub 2] had [eiser] toen al gevraagd die medewerking te verlenen. KPMG heeft vertrouwelijkheid verzekerd.

KPMG heeft gerapporteerd op 10 maart 2009. Geconcludeerd is dat niet kan worden bewezen wie het rapport van Deloitte Forensic naar het DvhN heeft gelekt.

In het rapport staat onder meer dat:

1. de fractievoorzitter van het CDA, de heer [fractievoorzitter CDA], op 21 november 2008 om een onderzoek heeft gevraagd naar het uitlekken van het rapport van Deloitte Forensic (dat toen dus nog openbaar moest worden gemaakt) en dat ‘de regionale media’ het hebben;

2. dat hij heeft verteld dat hij in de middag van 21 november 2008 contact heeft gehad met een informant die hem heeft meegedeeld over het rapport te beschikken;

3. dat hij toen van die informant inzage heeft gehad in dat rapport;

4. dat hij toen een kopie van dat rapport heeft gemaakt;

5. en dat de informant hem had verteld dat hij het rapport al op 13 november 2008 ’s ochtends had.

l. Provinciale Staten hebben dit rapport besproken op 18 maart 2009.

[fractievoorzitter CDA] heeft ook toen gemeld dat hij nog voor de openbaarmaking, en wel op 21 november 2008, óók in het bezit was gekomen van een kopie van het rapport van Deloitte Forensic.

Bovendien meldde hij dat hij interne stukken van het Dagblad van het Noorden had, waaronder de e-mail van [chef Drenthe DvhN] van 24 november 2008.

m. Daarop concludeerde de leidinggevenden van [eiser] dat er nu ook bij de krant was gelekt. De hoofdredacteur [hoofdredacteur DvhN] heeft vervolgens op 7 april 2009 een gesprek met [eiser] gehad. Daarna hebben zij nog schriftelijk van gedachten gewisseld.

Tegenover zijn hoofdredacteur ontkende [eiser], in strijd met de waarheid, dat hij interne e-mails aan derden had gegeven. Hij had, zo gaf hij later (zie

onderdeel r) toe, [fractievoorzitter CDA] de e-mail van [chef Drenthe DvhN] gegeven.

Over de overhandiging aan [fractievoorzitter CDA] op 21 november 2008 van een kopie van het toen nog vertrouwelijke rapport van Deloitte Forensic, heeft hij gezegd dat hij wel wist wie dat had gedaan, maar dat hij zijn bron wilde beschermen.

Dit was ook gelogen, hij had geen bron die hem daarover had verteld, hij had zelf de kopie aan [ fractievoorzitter CDA] gegeven.

n. De hoofdredactie heeft zich niet tevreden laten stellen door deze verklaringen. Er is een vervolggesprek georganiseerd tussen [eiser] enerzijds en [hoofdredacteur DvhN] en [chef Drenthe DvhN] anderzijds, onder meer met de bedoeling om, zo mogelijk, het vertrouwen over en weer te herstellen.

Dat is toen niet gelukt. [hoofdredacteur DvhN] heeft dit gemeld bij brief van 24 april 2009. Bij die brief heeft hij vragen gesteld aan [eiser].

Deze heeft een gemachtigde in de arm genomen. Die persoon heeft bij brief van

5 mei 2009 gemeld dat [eiser] er verder niet meer op in wilde gaan.

o. Op 7 mei 2009 is er telefonisch contact geweest tussen [eiser] en [chef Drenthe DvhN]. Op 8 mei 2009 heeft [eiser] telefonisch aan [chef Drenthe DvhN] gemeld dat hij op 11 mei 2009 op therapeutische basis zijn werkzaamheden in Emmen zou hervatten. Vervolgens meldde [eiser] zich op 11 mei 2009 weer op kantoor in Emmen en ging hij aan het werk. [eiser] heeft met het oog daarop een e-mail naar [chef Drenthe DvhN] gestuurd met de volgende inhoud:

‘vanaf maandag present, zij het op therapeutische basis; heb jij nog eea van [..] vernomen?’

p. Bij brief van 20 mei 2009 heeft [hoofdredacteur DvhN] [eiser] meegedeeld:

‘In mijn laatste brief aan jou heb ik je verzocht om bij hervatting van je werk eerst een gesprek met mij te hebben over de vragen die er nog liggen. Daarop heb je niet gereageerd; wel heb ik een brief ontvangen van je advocaat, waar ik niks mee kan beginnen. Intussen ben je weer aan het werk. Ik heb even gewacht met reageren, om je de kans te geven met een reactie te komen. [chef Drenthe DvhN] heeft je intussen geattendeerd dat onderhoud met mij te hebben. Ook dat heeft niet geleid tot een afspraak. Je weigering met mij te spreken kan ik niet over mij kant laten gaan. Het heeft nu ook lang genoeg geduurd. Daarom leg ik je het volgende voor. Open staat de vraag wie de bron is van [ fractievoorzitter CDA], de bron die jij zegt te kennen en te willen beschermen, een opstelling waarvan ik de reden alleen maar kan raden. Als de bron een externe partij is, is er geen reden tot bescherming tegen de krant. Jij dient als verslaggever van Dagblad van het Noorden het belang van de krant; als werknemer ben je ook gehouden gevraagde informatie aan de werkgever te verstrekken.

De andere mogelijkheid is dat de bron een collega ter redactie is; dan zou jouw bescherming een vorm van collegialiteit zijn. Daarom vraag ik je nu, indien dit het geval is, de naam van de betreffende collega toch te noemen, onder toezegging van vrijwaring van hoofdredactionele sancties jegens deze persoon, behoudens een opvoedend gesprek.

Samenvattend: graag ontvang ik een antwoord op de vraag wie de bron van

[fractievoorzitter CDA] is. Ik wens dat antwoord uiterlijk op donderdag 27 mei te hebben ontvangen. Mocht dat antwoord uitblijven, dan ga ik over tot maatregelen.

In de ontstane situatie acht ik het onwenselijk dat je je werkzaamheden voor de krant nu voortzet. Vandaar dat ik je bij deze tot nader order op non-actief stel.’.

q. Bij brief van 26 mei 2009 heeft [eiser] zich tegen dit besluit verzet. Daarbij is een verklaring gevoegd van [ fractievoorzitter CDA], dat deze [eiser] onder verwijzing naar de privacywetgeving verbiedt de naam van diens informant te noemen.

r. Ondertussen was een Onderzoekscommissie van Provinciale Staten begonnen met een eigen, diepgaander en uitgebreider, onderzoek naar het lekken van het rapport van Deloitte Forensic (derde onderzoek).

De redactie heeft toen afgesproken dat geen der verslaggevers zijn of haar medewerking aan dat onderzoek zou verlenen.

Op 8 juni 2009 heeft [hoofdredacteur DvhN] [eiser] telefonisch benaderd met het verzoek om zich aan dit beleid van de redactie, strekkend tot bronbescherming, te conformeren.

Een dag later hebben [hoofdredacteur DvhN] en [eiser] een gesprek onder vier ogen gehad. Als vervolg daarop heeft [eiser] in een e-mail van 10 juni 2009 aan [hoofdredacteur DvhN] opening van zaken gegeven over zijn positie en de contacten die hij had met een provinciaal politicus, waarop [hoofdredacteur DvhN] reageerde bij e-mail van 14 juni 2009, luidend onder meer als volgt:

‘1. Met ons gesprek in Grolloo hebben we de band hersteld, tenminste wat mij betreft. Je hebt opening van zaken gegeven, zij het niet op alle punten. Met deze brief geef je in feite antwoord op de vraag die ik je heb gesteld. Daarmee is in mijn ogen onze arbeidsrelatie -ik gebruik hier bewust de juridische term- ook hersteld. Het ging en gaat er om dat je de hoofdredactie in vertrouwelijkheid op de hoogte stelt van je doen en laten in een gevoelige zaak als deze. Het oordeel over dat handelen is niet de kwestie, hoewel het natuurlijk wel een rol speelt.

2. Daarmee is tevens de grond weggevallen onder de opnonactiefstelling (drie keer woordwaarde). Ik stel voor dat je zo snel mogelijk je werkzaamheden hervat.

3. Met [chef Drenthe DvhN]] moet ik een en ander nog afstemmen. [chef Drenthe DvhN] zal blij zijn met deze gang van zaken, dat verzeker ik je. Om jou persoonlijk, om de onverkwikkelijkheid van de ontwikkelingen, en omdat hij je nodig heeft.

4. Jij en ik zijn nog niet uitgepraat. Allereerst is daar de zaak zelf; laten we zoals afgesproken de hoorzittingen afwachten alvorens we de inhoudelijke kant van de zaak definitief afsluiten. Ook moeten we het hebben over jouw handelen zelf. Daar zet ik grote vraagtekens bij. Het komt er op neer dat ik vind dat je veel te weinig afstand heb betracht van zowel deze bron als van [ fractievoorzitter CDA].

[fractievoorzitter CDA] heeft je, zo is mijn indruk, ook nog eens voor de gek gehouden. (Ik ken de zaak nu van drie kanten; mijn beeld wordt aardig compleet. Het strookt precies met de omschrijving die je eens eerder gaf over het provinciehuis: een slangenkuil.)

5.[chef Drenthe DvhN]] moet met jou het functioneringsgesprek voeren. Dat betekent dat jij en ik moeten afspreken wat we hem precies vertellen en wat niet.

6. Je terugkeer op de burelen zal vragen opleveren. Mijn inschatting is dat het verstandig is dat ik zelf naar Emmen kom om uitleg te geven, en om duidelijk te maken hoe zeer de hoofdredactie hecht aan deze oplossing. Of is dat overdreven?’.

s. Vervolgens heeft in Grolloo een tweede ontmoeting plaatsgevonden tussen [eiser] en [hoofdredacteur DvhN]. Tijdens die ontmoeting is de mogelijkheid besproken om op basis van de kantonrechtersformule 2008, die ten grondslag ligt aan het sociaal plan 2010 bij NDC, de arbeidsovereenkomst met [eiser] te beëindigen. Een kleine week later heeft de manager P & O bij NDC, [manager P & O NDC], in het overleg met [eiser] en [hoofdredacteur DvhN] een beëindigingsvergoeding van € 70.000,00 voorgesteld. Dat aanbod wordt door [eiser] ervaren als het bekennen van schuld en afgewezen.

Daarna is het ontbindingsverzoek gevolgd.

t. De kantonrechter heeft beslist dat de beschikbare gedingstukken en het verhandelde op de zitting tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat zowel [eiser] als NDC geen voortzetting van de arbeidsovereenkomst wensten. Waar ook niet was gebleken dat het verzoek verband hield met enig opzegverbod, zag de kantonrechter derhalve geen beletsel om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De vraag waar partijen bij de kantonrechter wel over streden (de kantonrechter vermeldt: ‘tot aan het eind van de mondelinge behandeling’), was of aan die ontbinding een vergoeding ten laste van NDC moest worden verbonden en, zo ja, wat de hoogte van die vergoeding moest zijn.

In dat verband heeft de kantonrechter vastgesteld dat NDC het vertrouwen in

[eiser] definitief had verloren en dat NDC onder geen beding het dienstverband met [eiser] wenste voort te zetten. Volgens NDC was er zelfs sprake van een reden voor ontslag op staande voet, zijnde een gewichtige reden die ontbinding rechtvaardigde.

Volgens [eiser] was de arbeidsverhouding tussen partijen weliswaar onwerkbaar geworden, maar lag de oorzaak daarvan aan de handelwijze van en schending van het vertrouwen door NDC. Daarom verzocht hij ontbinding onder toekenning van een vergoeding gebaseerd op de kantonrechtersformule 2008 met correctiefactor 2.

De kantonrechter heeft dit verzoek niet ingewilligd, maar heeft ook niet gedaan was NDC wenste. Hij heeft beslist dat de arbeidsovereenkomst alleen maar per

1 oktober 2009 wordt ontbonden indien NDC een vergoeding van € 192.819,00 bruto aan [eiser] zal betalen. NDC heeft dit vervolgens geaccepteerd.

u. De kantonrechter heeft aldus deels het verzoek van NDC (ontbinding zonder vergoeding) afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe onder meer beslist dat niet is komen vast te staan dat [eiser] de informant is geweest van [fractievoorzitter CDA] en dat hij niet onomstotelijk heeft kunnen vaststellen dat de verwijten van NDC jegens [eiser] terecht en gegrond zijn. Dit betrof onder meer, in de woorden van de kantonrechter, ‘het beweerdelijk door [eiser] aan [fractievoorzitter CDA] verstrekken van een kopie van het rapport van Deloitte & Touche en van e-mails en sms’jes vanuit het DvhN’.

De kantonrechter heeft ook overwogen dat ‘[eiser] (als goed werknemer) wellicht eerder en duidelijker opening van zaken had moeten geven over zijn contacten met (en in het bijzonder over de informant van) [ fractievoorzitter CDA]’, maar dat uiteindelijk niet is aangetoond dat de ernstige verstoring van de arbeidsverhouding in overwegende mate aan [eiser] is te wijten. Daaruit heeft hij de gevolgtrekking verbonden niet alleen dat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding voor [eiser] zal moeten worden verbonden, maar ook dat die vergoeding niet kan worden gebaseerd op een lagere correctiefactor dan factor 1.

v. [eiser] is na de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst tot op heden werkloos. Hij geniet een werkloosheidsuitkering die afloopt in 2013.

3. De vordering

Eiser vordert:

Primair:

Gedaagden, hoofdelijk, des dat de een betalend, de ander zal zijn bevrijd, uitvoerbaar bij voorraad, de door eiser ten gevolge van het onrechtmatig handelen jegens eiser waarvan zijn ontslag het gevolg is geweest, geleden en nog te lijden schade te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag dat de schade opeisbaar is, zulks tot aan de dag der algehele betaling, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van gedaagden, hoofdelijk, in de kosten van de procedure.

Subsidiair:

Gedaagden, hoofdelijk, des dat de een betalend, de ander zal zijn bevrijd, uitvoerbaar bij voorraad, de door eiser ten gevolge van het onrechtmatig en/of onrechtmatig nalaten van handelen jegens eiser waarvan zijn geleden en nog te lijden vermogenschade en/of geleden en nog te lijden ander nadeel dan vermogenschade het gevolg is geweest, te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag dat de schade opeisbaar is, zulks tot aan de dag der algehele betaling, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van gedaagden, hoofdelijk, in de kosten van de procedure.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank gaat uit van de gewijzigde eis en zal eerst de eis tegen [gedaagde sub 2] beoordelen.

4.2. [gedaagde sub 2] verzet zich tegen toewijzing. Zij ontkent door [eiser] gestelde feiten en acht zich niet verantwoordelijk voor de door hem gestelde schade.

Ter zitting heeft de rechtbank aan de orde gesteld in welke hoedanigheid [gedaagde sub 2] is gedagvaard en waarop dat berust.

Het proces-verbaal bevat de volgende passages:

‘De gedeputeerde is ook in privé aansprakelijk gesteld, omdat zij zelf ook steeds niet duidelijk onderscheid maakt tussen privé en werk. De Provincie heeft onrechtmatig gehandeld in de hoedanigheid van overheidslichaam ten opzichte van [eiser].

Mr. Lennaerts: Zit mevrouw [gedaagde sub 2] hier dan in persoon?

Mr. Stroink-van Son: Het leek ons beter om beide, dus de provincie en mevrouw [gedaagde sub 2] te dagvaarden, omdat [gedaagde sub 2] onder meer in de statenstukken aangeeft dat cliënt alles door elkaar haalt.

Mr. Lennaerts: Het gaat dus niet om privé handelen van [gedaagde sub 2] begrijp ik?

[eiser]: Er ontstond op enig moment een zakelijke relatie en dan zijn we allebei in hoedanigheid en in die hoedanigheid is informatie verstrekt, dus inderdaad vanuit een werkrelatie.’

4.3. Dit houdt in dat het handelen van [gedaagde sub 2], dat door [eiser] als onrechtmatig wordt betiteld, handelen is, niet van [gedaagde sub 2] als natuurlijk persoon, maar als gedeputeerde, drager van het ambt (ook wel geduid als ‘vertegenwoordiger’ van het ambt).

Dit handelen geldt in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de provincie Drenthe (vgl. Knabbel en Babbel, HR 6 april 1979, AB 1979/356).

Hieruit volgt dat er geen basis was om [gedaagde sub 2] te dagvaarden als persoon, hetgeen wel is geschied (de dagvaarding is uitgebracht aan ‘mevrouw [gedaagde sub 2] ’ aan haar woonhuis).

De vorderingen tegen [gedaagde sub 2] worden afgewezen met veroordeling van [eiser] in de kosten van [gedaagde sub 2] die gelet op de hoedanigheid waarin zij is gedagvaard naar de rechtbank aanneemt, zelf voor de kosten van de procedure staat.

De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden begroot op:

- griffierecht € 255,00

- salaris advocaat 3.870,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 4.125,00.

4.4. De vorderingen tegen de Provincie strekken er toe om door toewijzing van die vorderingen een vergoeding te krijgen voor de inkomensschade die [eiser] heeft geleden en lijdt als gevolg van de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met NDC (in plaats van ‘rimpelloos’ zijn pensioen te halen, zie hierna).

Dit geldt zowel voor de primaire als voor de subsidiaire vordering. De grondslag is verschillend maar het doel is gelijk.

In beide gevallen speelt dus de vraag of er, ongeacht de kwalificatie van het door [eiser] gewraakte handelen van de gedeputeerde [gedaagde sub 2], een verband is tussen het lijden van de inkomensschade en dit handelen, en als dit er is, of het een causaal verband is in de zin van artikel 6:162, eerste lid BW; tot uitdrukking gebracht door de term ‘dientengevolge’.

De Provincie stelt dat dit niet het geval is.

4.5. [eiser] meent dat de Provincie zijn inkomensschade heeft veroorzaakt doordat -kort gezegd- hem vertrouwelijkheid was toegezegd voorafgaande aan zijn medewerking aan het onderzoek van KPMG, dat de inhoud van het rapport van KPMG zodanig was dat die vertrouwelijkheid werd geschonden zonder dat zijn naam in dat rapport werd genoemd, en dat dit hem zijn baan heeft gekost. Zoals de dagvaarding onder 2 als eindconclusie stelt: ‘nu hij, door zijn vertrouwelijke medewerking te verlenen aan het KPMG-onderzoek, door zijn werkgever is ontslagen’. Daaraan voorafgaand is gesteld dat dit is veroorzaakt doordat gedeputeerde [gedaagde sub 2] ‘zich niet aan de afspraak van vertrouwelijkheid heeft gehouden’, terwijl zij daartoe wel in staat was door [eiser] de gelegenheid te geven te reageren op het concept van het rapport met het recht van schrapping van passages die hem in moeilijkheden konden brengen bij zijn werkgeefster, al dan niet met toevoeging van een geheim aanhangsel aan het nog in de openbaarheid te brengen rapport.

Hetgeen herhaald is ter zitting: ‘Zij heeft echter de vertrouwelijkheid/anonimiteit bewust geschonden door mijn vertrouwelijk verstrekte achtergrondinformatie als voorgrondinformatie in het KPMG-rapport over het lekken van het geheime Deloitte-rapport inzake EuroChamp naar buiten te brengen. De hoofdredactie van Dagblad van het Noorden kon daardoor moeiteloos de identiteit achterhalen van de anonieme informant en zette de arbeidsrechtelijke jacht op mij in… Louter de kale hoofdconclusie van KPMG.. was in mijn journalistieke ogen het vermelden waard geweest in het KPMG-rapport. En in dat geval was ik nu nog een gewaardeerd en gerespecteerd journalist van Dagblad van het Noorden geweest, die rimpelloos zijn pensioen bij de krant zou hebben gehaald.’

4.6. De Provincie heeft een geheel andere visie op de loop van de gebeurtenissen.

Zij stelt dat het Dagblad van het Noorden heeft verklaard dat het ontslag van [eiser] is veroorzaakt door een diepe vertrouwensbreuk die is ontstaan nadat het Dagblad duidelijk is geworden hoe [eiser] in de zaak EuroChamp als verslaggever van het Dagblad heeft gehandeld. Het Dagblad wist tevoren dat [eiser] mee zou werken aan het onderzoek van KPMG, hij had dit zelf laten weten.

Maar zijn gedrag ging in tegen de afspraken die hij met het Dagblad had over het onderzoek in die zaak en met name de verklaring van [fractievoorzitter CDA] dat hij de e-mail van [chef Drenthe DvhN] in zijn bezit had heeft een belangrijke rol gespeeld in de beslissing van het Dagblad om uiteindelijk [eiser] te ontslaan. Zijn ontslag is een gevolg geweest van zijn eigen handelen, dat blijkt uit de beschikking van de kantonrechter, en de heer [hoofdredacteur DvhN] heeft dat nog eens uitdrukkelijk bevestigd bij brief van 23 december 2010, luidend onder meer:

‘kan ik u meedelen dat het ontslag van de heer [eiser] was gebaseerd op een diepe vertrouwensbreuk, die was ontstaan nadat ons duidelijk was geworden hoe hij in de zaak EuroChamp als verslaggever van het Dagblad van het Noorden had gehandeld.. Uiteindelijk is het ’t totaal aan handelingen geweest die de heer [eiser] in de perikelen die ontstaan zijn rondom de Eurochampzaak de kop heeft gekost. Hij is buiten zijn boekje gegaan als verslaggever, heeft zijn chef en de hoofdredactie onvoldoende in zijn handelingen betrokken en weigerde duidelijkheid te verschaffen over een aantal cruciale feiten. Mede als gevolg daarvan heeft de reputatie van de krant schade geleden.’

4.7. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van de heer [hoofdredacteur DvhN] overeenstemt met de door de rechtbank als vaststaand aangenomen feiten. Daaruit volgt inderdaad dat [eiser] onwaarheden heeft gesproken tegenover zijn collega-journalist(en) en de inhoudelijk verantwoordelijke leidinggevende(n) van de krant, dat hij zich in handelingen heeft begeven die behoren tot het politieke circuit, en dat hij zich niet heeft willen houden aan het beleid dat de krant er in dit opzicht op nahield, met een reden waaraan de krant in de gegeven omstandigheden prioriteit kon geven: bronbescherming.

Daarop was hij niet of slechts onder toegenomen druk aanspreekbaar, om welke privé of zakelijke reden dan ook. Dat is de rechtbank niet helder geworden.

De conclusie is dat uitsluitend het gedrag van [eiser] voor zijn werkgeefster reden is geweest om een ontbindingsverzoek in te dienen, en dat reeds daaruit volgt dat het, voor toewijzing van de vordering tegen de Provincie vereiste causale verband, niet vast staat.

Bovendien speelt ook het volgende feit dat in de weg staat aan de vereiste causaliteit.

4.8. Partijen spreken over ontslag, doch daarvan is geen sprake.

De arbeidsovereenkomst is ontbonden door de kantonrechter te Emmen. [eiser] heeft zich hiertegen niet verzet, integendeel hij heeft daaraan meegewerkt door ook ontbinding te vragen. Daaraan was de thans gestelde schade inherent verbonden nu hij geen vergoeding vroeg om daarmee rimpelloos zijn pensioen te halen en een tot zijn pensioengerechtigde leeftijd opgebouwd pensioen te gaan genieten, bij leven en welzijn.

En, voor zover hij een bedrag vroeg dat een deel van de thans gestelde schade dekt, namen hij en zijn rechtsgeleerde gemachtigde het risico dat dit niet zou worden toegewezen.

Dit risico heeft zich ook verwezenlijkt, de Provincie staat daar volledig buiten.

Ten overvloede wordt hier bij opgemerkt dat, als de kantonrechter had geweten wat thans bekend is, namelijk dat [eiser] lekte en daarover loog tegen zijn werkgeefster, kennelijk in vereniging met of rugdekking van [ fractievoorzitter CDA], dan de kans verre van denkbeeldig was dat NDC haar zin had gekregen: ontbinding wegens een dringende reden en derhalve zonder enige vergoeding.

4.9. Reeds deze overwegingen leiden er toe dat de vorderingen worden afgewezen.

Hierbij wordt aangetekend dat [eiser] kennelijk niet anders dan door partijgetuigenbewijs kan aantonen dat hij een toezegging heeft gekregen die volgens hem geschonden is, en dat dergelijk bewijs (een ja tegen een nee) onvoldoende is om de toezegging als gedaan te beschouwen.

4.10. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Daarbij wordt het liquidatietarief toegepast met toekenning van 2 punten en indeling in tariefgroep VII. Dit laatste op grond van de inschatting van de rechtbank dat de claim van [eiser] minder dan € 1.000.000 beloopt maar zeker meer dan € 390.000.

De kosten aan de zijde van de Provincie Drenthe worden begroot op:

- griffierecht € 255,00

- salaris advocaat 3.870,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 4.125,00.

BESLISSING

De rechtbank

1. wijst de vorderingen af,

2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van

de Provincie Drenthe tot op heden begroot op € 4.125,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na de dag van betekening van dit vonnis indien en voorzover alsdan niet is betaald,

3. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van

[gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 4.125,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na de dag van betekening van dit vonnis indien en voorzover alsdan niet is betaald,

4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.J. Lennaerts en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.