Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BQ6620

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
19.810415-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte samen met een ander of anderen cocaïne heeft ingevoerd en dat hij heeft gedeald in cocaïne en heroïne.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte [medeverdachte 1] bewogen om voor hem cocaïnebolletjes mee te nemen vanuit Curaçao. De geïmporteerde cocaïne was kennelijk bestemd voor de dealactiviteiten van verdachte.

Door het ingrijpen van de politie kon worden voorkomen dat die cocaïne verkocht kon worden en dat de dealactiviteiten een grotere omvang konden nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.810415-10

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 31 mei 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende [adres],

verblijvende in [detentieadres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 17 mei 2011.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 24 november 2010 in de gemeente(n) Assen en/of Haarlemmermeer en/of Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 24 november 2010 in de gemeente Assen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. A.M. de Vries acht hetgeen onder 1 en 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 24 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarden toezicht reclassering en ambulante behandeling bij de VNN of soortgelijke instelling;

* beslissingen ten aanzien van het beslag.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden geacht.

De rol van verdachte bij de import van de bolletjes cocaïne is dusdanig dat gesproken kan worden van medeplegen. De officier leidt dat af uit de verklaring van [medeverdachte] en de daarbij behorende tapgesprekken. Zonder de connecties van verdachte met zijn kennis [naam kennis] had [medeverdachte 1] de invoer nooit kunnen realiseren.

Op grond van verklaringen van gebruikers en de bij verdachte aangetroffen hoeveelheid harddrugs, de versnijdingsmiddelen en attributen die wijzen op handel in drugs, komt de officier tot bewezenverklaring van het dealen in harddrugs vanaf juli 2010.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten.

Met betrekking tot feit 1 is de rol van verdachte beperkt gebleven tot het ophalen van [medeverdachte 1], op diens verzoek, vanaf Schiphol en het in contact brengen van [medeverdachte 1] met de kennis van verdachte genaamd [naam kennis]. Deze rol is onvoldoende om te kunnen spreken van medeplegen aan de invoer van cocaïne.

Ook met betrekking tot het dealen in drugs acht de verdediging onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden. De verklaringen van de gebruikers worden weersproken. Verdachte heeft bovendien geruime tijd verbleven bij zijn vriendin in Rotterdam in de periode waarover de gebruikers spreken. De rechtbank zou tot bewezenverklaring kunnen komen van het aanwezig hebben van cocaïne. Verdachte versneed de cocaïne voor eigen gebruik en had daarvoor attributen aanwezig in zijn kamer in Assen.

De rechtbank gaat van de volgende bewijsmiddelen uit.

Feit 1.

de verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 30 november 2010 1 waarin [medeverdachte 1] verklaart dat hij heroïne en cocaïne gebruikt. [medeverdachte 1] verklaart dat hij cocaïne heeft ingevoerd in Nederland vanuit Cuaraçao. Op 5 november 2010 is [medeverdachte 1] naar Curaçao gevlogen en op 14 november 2010 is hij geland op Schiphol.

[medeverdachte 1] is door zijn onderbuurman [verdachte], ook wel [verdachte] genoemd, benaderd om voor hem naar Curaçao te gaan en om wat mee terug te nemen. [medeverdachte 1] had toen wel door dat het om cocaïne ging. [verdachte] kon zelf niet gaan omdat hij al eens betrapt was. [medeverdachte 1] zou voor de klus 5000 euro ontvangen. [verdachte] is met [medeverdachte 1] naar het reisbureau in de [adres reisbureau] gegaan en heeft de reis contant betaald.

[medeverdachte 1] verklaart dat hij vanaf Curaçao telefonisch contact heeft gehad met [verdachte]. Op 13 november 2010 als [medeverdachte 1] in het vliegtuig zit heeft hij nog telefonisch contact met [verdachte] en tegen hem gezegd dat hij de bollen met cocaïne had geslikt en dat alles goed was.

[medeverdachte 1] bevestigt dat hij op 14 november 2010 door [verdachte] werd gebeld nadat hij geland was op Schiphol. [verdachte] zou [medeverdachte 1] naar Assen brengen. [medeverdachte 1] verklaart dat [verdachte] hem ook naar Schiphol had gebracht.

De bedoeling was dat [medeverdachte 1] 60 bollen zou meenemen maar dat zijn er minder geworden.

[medeverdachte 1] bevestigt zijn verklaring die hij op 24 november 2010 bij de Koninklijke Marechaussee heeft afgelegd en waarin hij verklaart dat hij 21 bollen cocaïne had ingevoerd.

Bij de verklaring van [medeverdachte 1] zijn tapgesprekken 2 gevoegd waaruit blijkt dat er telefonisch contact is geweest tussen verdachte en [medeverdachte 1] op 12, 13 en 14 november 2010 waarin wordt gevraagd of alles goed is, dat [medeverdachte 1] in het vliegtuig naar Nederland zit en dat hij op Schiphol geland is.

De verklaring van verdachte d.d. 26 november 2010 3 waarin verdachte verklaart dat hij eenmaal met [medeverdachte 1] is meegeweest naar het reisbureau. Verdachte verklaart dat hij met hem heeft gezeten en dat [medeverdachte 1] zelf zijn ding heeft gedaan.

De verklaring van [medeverdachte 2] d.d. 25 november 2010 4 waarin [medeverdachte 2] aangeeft dat hij bekend is met [verdachte] die ook wel Pet wordt genoemd.

[medeverdachte 2] bevestigt dat hij op 15 november 2010 telefonisch met [verdachte] heeft gesproken. [verdachte] had hem verteld dat hij iemand naar Curaçao had gestuurd. Die ging iets voor hem doen. [medeverdachte 2] had van mensen op de straat gehoord wie naar Curaçao was gegaan en dat hij daar bolletjes ging slikken. Het ging om de jongen die boven [verdachte] woont.

Het gesprek met [verdachte] ging over die bolletjesslikker.

De verklaring van verdachte afgelegd op de openbare terechtzitting van 17 mei 2011 waar verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] geld wilde maken met het smokkelen van drugs. Verdachte heeft [medeverdachte 1] in contact gebracht met [naam kennis] die verdachte nog kende vanuit het verleden en van wie hij wist dat deze zich met drugs bezig hield. Verdachte heeft [naam kennis] op zijn kamer aan het [adres verdachte] in contact gebracht met [medeverdachte 1] en was in de kamer aanwezig waar het gesprek plaatsvond.

Feit 2.

De verklaring van [getuige 1] d.d. 01 december 2010 5 waarin [getuige 1] aangeeft dat hij gebruiker is van harddrugs. De laatste tijd neemt hij zijn drugs af van [verdachte] die aan het Kerkplein in Assen woont. Sinds de zomer van 2010 neemt [getuige 1] de drugs bij [verdachte] af. [getuige 1] nam ongeveer 2 tot 3 keer per week drugs af bij [verdachte]. Hij kocht meestal een halve tot een hele gram heroïne en een bolletje cocaïne per keer. De heroïne was een enkele keer versneden.

[verdachte] woog de cocaïne af in aanwezigheid van [getuige 1].

De verklaring van [getuige 2]d.d. 02 december 2010 6 waarin [getuige 2] verklaart dat hij een gebruiker van cocaïne is. [getuige ] verklaart dat hij zijn cocaïne wel kocht bij [verdachte]. Dat is voor een week terug tweemaal voorgekomen.

In het Relaas Proces-verbaal d.d. 19 januari 2011 wordt aangegeven 7 dat bij de doorzoeking op het adres [adres verdachte] te [woonplaats] in de kamer van verdachte ongeveer 25 gram wit materiaal wordt aangetroffen. Dat materiaal is getest en gaf een indicatie voor cocaïne aan. Voorts is een hoeveelheid van ongeveer 167 gram wit materiaal aangetroffen dat na een test geen indicatie voor drugs aangaf. Ook werd een persmachine aangetroffen met restanten van wit poeder. Verdachte was bij zijn aanhouding in het bezit van 1590 euro. Uit de kennisgeving inbeslagneming 8 blijkt dat het bedrag bestaat uit 19 biljetten van 50 euro, 22 biljetten van 20 euro en 20 biljetten van 10 euro.

De verklaring van [getuige 3] d.d. 05 januari 2011 9 waarin [getuige 3] verklaart dat hij verslaafd is aan cocaïne en heroïne. Hij koopt zijn drugs wel van een Antilliaanse jongen die hij kent als [verdachte] of Patje en die woont aan het [adres verdachte]. Van hem heeft [getuige 3] een keer of 10-12 gekocht.

De drugs werden afgewogen als [getuige 3] dat kwam halen.

De verklaring van [getuige 4] d.d. 13 december 2010 10 waarin [getuige 4] aangeeft dat [verdachte] ongeveer tweemaal per week bij haar komt en blijft slapen in haar woning aan de [adres getuige 4].

Als [verdachte] bij haar is belt hij wel en maakt dan korte afspraken. [verdachte] gaat dan even weg en komt daarna weer terug.

Op 24 november 2010 heeft [verdachte] een zakje bij [getuige 4] achtergelaten dat door de politie is gevonden. Dat zakje heeft [getuige 4] in het nachtkastje opgeborgen toen zij het zag liggen. [verdachte] had tegen [getuige 4] gezegd dat hij het later die dag weer kwam ophalen.

[getuige 4] heeft gekeken wat er in zat en zij zag dat er twee witte dingen inzaten.

In het Relaas Proces-verbaal d.d. 19 januari 2011 wordt aangegeven 11 dat bij de doorzoeking op het adres [adres getuige 4] in de slaapkamer van [getuige 4] ongeveer 10 gram wit materiaal wordt aangetroffen. Dat materiaal is getest en gaf een indicatie voor cocaïne aan.

Een tapgesprek met het nummer 210 van de taplijn 3843 12 d.d. 19 november 2010 om 20.12 uur waar verdachte belt met medeverdachte [medeverdachte 2].

Verdachte en [medeverdachte 2] spreken over (naar mag worden aangenomen) de kwaliteit van drugs. Verdachte geeft aan dat hij aan twee mensen geleverd heeft en die zeiden dat het hartstikke goed was. Verder gaat het gesprek over die 'kale kop' die sinds 4 à 5 dagen elke dag bij verdachte komt. Verdachte bedoelt een Nederlander, een kale man met een grote snor. Dan weet verdachte weer hoe de man heet namelijk [bedoelde persoon]. Hij komt voor beide.

De verklaring van verdachte afgelegd op de openbare terechtzitting van 17 mei 2011 dat de bij hem thuis gevonden persmachine in een oranje tas zat en dat hij deze tas ook bij zich had bij zijn bezoek aan [getuige 4].

Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte als medepleger kan worden beschouwd aan de invoer van cocaïne door [medeverdachte 1]. De stelling van verdachte dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet op waarheid berusten, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.

De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen van cocaïne en heroïne op grond van voormelde bewijsmiddelen. De aangetroffen hoeveelheden cocaïne in de kamer van verdachte en in de woning [getuige 4] met daarbij de aangetroffen attributen en geld coupures duiden naar het oordeel van de rechtbank op de verkoop van drugs. De verklaring van verdachte dat hij alleen gebruiker was van cocaïne acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 24 november 2010 in de gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 juli 2010 tot en met 24 november 2010 in de gemeente Assen telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 en 2 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank acht met name niet bewezen dat verdachte in het dealen heeft samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte 2] op een wijze dat daaruit medeplegen kan worden afgeleid. Het dossier biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte samen met een ander of anderen cocaïne heeft ingevoerd en dat hij heeft gedeald in cocaïne en heroïne.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte [medeverdachte 1] bewogen om voor hem cocaïnebolletjes mee te nemen vanuit Curaçao. De geïmporteerde cocaïne was kennelijk bestemd voor de dealactiviteiten van verdachte.

Door het ingrijpen van de politie kon worden voorkomen dat die cocaïne verkocht kon worden en dat de dealactiviteiten een grotere omvang konden nemen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen een gevaar voor de volksgezondheid vormen en verdachte heeft er mede toe bijgedragen het drugscircuit in stand te houden door zijn dealactiviteiten. De import en de verkoop van verdovende middelen moet als ernstig strafbaar en verwerpelijk worden beschouwd.

Aangaande de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte. Voorst met de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 20 april 2011 waaruit blijkt dat verdachte eerdere voor Opiumwetdelicten is veroordeeld.

Gelet op de oriëntatiepunten met betrekking tot de bewezen verklaarde dealperiode is in beginsel een gevangenisstraf van 8 maanden op zijn plaats.

Verdachte is betrokken geweest bij de organisatie van de import van cocaïne, voor dit feit acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden op zijn plaats omdat de cocaïne uiteindelijk niet bij verdachte terecht is gekomen.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een straf geboden is van 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Om verdachte te ondersteunen bij zijn voornemen zich verder te onthouden van drugsgerelateerde activiteiten zal de rechtbank daarenboven een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden opleggen. In de houding van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om geen bijzondere voorwaarden op te leggen zoals de officier van justitie die heeft gevorderd.

Motivering van de verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna te vermelden in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoort en met betrekking tot de strafbare feiten zijn begaan of voorbereid of zijn verkregen.

Met name het in beslag genomen geld duidt, gelet op de aangetroffen coupures en telkens de hoeveelheid daarvan, op het dealen in verdovende middelen. Door verdachte is niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij het geld op andere wijze heeft verkregen.

Motivering van de maatregel onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de hierna te vermelden in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien deze voorwerpen met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

* gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN MAANDEN waarvan een gedeelte groot ZES MAANDEN voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank verklaart verbeurd de navolgende in beslag genomen voorwerpen:

- 19 biljetten van 50 euro, 22 biljetten van 20 euro, 20 biljetten van 10 euro, 1 muntstuk van 2 euro, 1 muntstuk van 1 euro, 6 muntstukken van 50 eurocent, 3 muntstukken van 10 eurocent en 2 muntstukken van 5 eurocent;

- 1 weegschaal kleur zwart merk Tanta;

- 1 lepel.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende in beslag genomen voorwerpen:

- 1 GSM kleur rood merk LG;

- 1 GSM kleur wit merk LG;

- 1 GSM kleur zwart merk LG;

- 1 simkaart western Union bank;

- 1 kopie van een paspoort van [naam paspoorhouder];

- 1 tas met zilveren bakje, patroon, + 4 houder;

- 1 plastic tas/zak met witte stof (94196);

- 1 plastic tas/zak met witte stof (94199);

- 3 simkaarten (94206);

- 1 simkaart Vodafone (94207);

- 1 simkaart Vodafone (94208);

- 1 simkaart T-mobile (94211);

- 6 simkaarten met respectievelijk de nummers 94213, 94214, 94217, 94219, 94221, 94225.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mr. J.J. Schoemaker en mr. M. van der Veen, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 31 mei 2011, zijnde mr. Van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 pag. 251 van zaaksdossier "Valk"

2 pag. 265 - 267 van zaaksdossier "Valk"

3 pag. 31 van persoonsdossier "Valk"

4 pag. 83 ev van persoonsdossier "Valk"

5 pag. 296 van zaaksdossier "Valk"

6 pag. 311 van zaaksdossier "Valk"

7 pag. 22 van zaaksdossier "Valk"

8 pag. 47 van persoonsdossier "Valk"

9 pag. 215 ev van persoonsdossier "Valk"

10 pag. 246 ev van persoonsdossier "Valk"

11 pag. 23 van zaaksdossier "Valk"

12 map tapgesprekken "Valk"

??

??

??

??

Parketnummer: 19.810415-10

Uitspraak d.d.: 31 mei 2011 8

vonnis