Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BQ5127

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
13-05-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
19.830277-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte moet hebben geweten dat hij door het raam uit de deur te schoppen of te duwen deze deur zou beschadigen.

Het gaat om de beantwoording van de vraag of er sprake was van een zodanige noodtoestand dat het handelen van verdachte voldoende is gerechtvaardigd.

De rechtbank volgt de stelling van de raadsman niet. Verbalisanten hebben verdachte er immers van op de hoogte gesteld dat er een arts gewaarschuwd zou worden.4 Dat de verdachte dit zo niet begrepen heeft, is niet voldoende om een noodtoestand aan te nemen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 350
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/376
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830277-10

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 13 mei 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

wonende te [woonplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 29 april 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. hij op of omstreeks 22 december 2010, te Hoogeveen, althans in de gemeente Hoogeveen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend - die [slachtoffer 1] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp getoond/voorgehouden en/of met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] gemaakt en/of - (daarbij) die [slachtoffer 1] heeft toegevoegd de woorden "ik gooi jou hardstikke dood, ik maak jullie dood", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;

2. hij in of omstreeks de periode van 23 september 2010 tot en met 22 december 2010, te Schoonoord, althans in de gemeente Coevorden en/of te Hoogeveen, althans in de gemeente Hoogeveen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- op 23 september 2010, te Schoonoord, opzettelijk dreigend tegen voornoemde [slachtoffer 2] gezegd: "ik maak je dood", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- op 22 december 2010, te Hoogeveen, opzettelijk dreigend tegen [slachtoffer 1] gezegd: "ik maak [slachtoffer 2] hardstikke dood, ik maak jullie dood", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;

3. hij op of omstreeks 22 december 2010, te Hoogeveen, althans in de gemeente Hoogeveen, opzettelijk en wederrechtelijk (een ruit van) een deur van een ophoudkamer in het politiebureau, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Regiopolitie Drenthe, in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4. hij op of omstreeks 23 september 2010 te Schoonoord, gemeente Coevorden, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] de woorden toegevoegd: "ik zweer op de dood van mijn moeder dat ik jullie dood maak", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of heeft hij (daarbij) met zijn (twee) vinger(s) zijn voorhoofd aangeraakt, (terwijl die [slachtoffer 2] wist dat met jullie, zij en die [slachtoffer 1] werd bedoeld en terwijl die [slachtoffer 1] dit terstond erna ter ore is gekomen);

5. hij op of omstreeks 21 september 2010 te Erm, althans in de gemeente Coevorden, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (tegen het hoofd/gezicht) heeft geslagen/gestompt en/of (hard) heeft aangeduwd, tengevolge wwarvan die [slachtoffer 2] tegen een muur viel, waardoor die [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De rechtbank zal het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaren voor het in de dagvaarding tenlastgelegde onder 2, als onderdeel van het dossier met parketnummer 19.830277-10 en voorzover dit feit betrekking heeft op 23 september 2010, omdat dit feit eveneens onder 4 ten laste is gelegd, en dan als onderdeel van het dossier met parketnummer 19.605652-10.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Wilbrink acht hetgeen onder 1 en onder 2 is tenlastegelegd niet wettig en overtuigend bewezen en hij vordert dat de rechtbank verdachte van deze feiten zal vrijspreken.

Hij acht hetgeen onder 3, onder 4 en onder 5 aan de verdachte is tenlastegelegd wel wettig en overtuigend bewezen.

Hij vordert voor deze feiten een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 70 uren, bij niet naar behoren verrichten van deze werkstraf te vervangen door 35 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf van één maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, hetgeen mede zal inhouden dat verdachte:

- verplicht een behandeling ondergaat door de A.F.P.N. of een soortgelijke instelling;

- zich houdt aan een locatieverbod voor de straat [adres] in Hoogeveen;

- zich houdt aan een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

De officier van justitie heeft verder gevorderd, dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij onherroepelijk geworden vonnis van 30 juni 2010 van de politierechter in deze rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 1 week, ten aanzien waarvan bevel was gegeven dat deze voorwaardelijk niet zou worden tenuitvoergelegd.

Vrijspraak

De verdachte dient van het hem onder 1 en het hem onder 2, voor zover dit feit betrekking heeft op 22 december 2010 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank deze feiten, evenals de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De verdachte dient ook van het hem onder 5 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit feit, evenals de raadsman, maar anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen acht.1

De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de verklaring van het slachtoffer, [slachtoffer 2] niet blijkt dat zij door de 'drukker' die verdachte haar gegeven heeft letsel heeft bekomen of pijn heeft ondervonden.2

Bewijsmotivering

Ten aanzien van feit 3:

Inleiding

Op 22 december 2010 is verdachte aangehouden door de politie. De verdachte is overgebracht naar het politiebureau te Hoogeveen. Verdachte is hartpatiënt en heeft na zijn insluiting meerdere malen om medicijnen gevraagd. De agenten hebben gezegd dat er een arts gebeld zou worden. Na enige tijd heeft verdachte een raam uit de deur van de ophoudkamer geschopt of geduwd om zo de aandacht te trekken van de agenten.3

Standpunt van verdachte en diens raadsman

Als verdachte opgesloten zit weet hij van zijn medische klachten. Hij heeft in zijn optiek medicijnen nodig en krijgt deze niet. Hij vraagt hier wel aandacht voor. Het kan zijn dat de verbalisanten hebben gezegd dat ze deze zouden halen, maar dat heeft de verdachte niet zo begrepen. Als dat zo was had hij zich in kunnen houden. Nu ontstaat er spanning. Er ontstaat een noodsituatie. Is dit dan opzettelijk en wedderrechtelijk onbruikbaar maken? Het is wel opzettelijk gebeurd, maar omdat dit in de beleving van verdachte niet anders kon. Hij heeft in deze situatie wel zo moeten handelen. Dat is een voldoende rechtvaardiging. Hij kan voor dit feit niet veroordeeld worden. Daarom moet vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging volgen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Een beroep op overmacht of noodtoestand gaat niet op nu de politie wel degelijk aandacht heeft besteed aan het verzoek om medicijnen door de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De verdachte moet hebben geweten dat hij door het raam uit de deur te schoppen of te duwen deze deur zou beschadigen.

Het gaat om de beantwoording van de vraag of er sprake was van een zodanige noodtoestand dat het handelen van verdachte voldoende is gerechtvaardigd.

De rechtbank volgt de stelling van de raadsman niet. Verbalisanten hebben verdachte er immers van op de hoogte gesteld dat er een arts gewaarschuwd zou worden.4 Dat de verdachte dit zo niet begrepen heeft, is niet voldoende om een noodtoestand aan te nemen.

Ten aanzien van feit 4:

Standpunt van de verdachte en diens raadsman

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet weer weet wat er precies gezegd is.

Hij gelooft niet dat hij dat gezegd heeft, hij zou zijn moeder er nooit bij betrekken. De raadsman betoogt verder dat er sprake is van een getuige van hetzelfde laken een pak. Er is over en weer gescholden, waarbij over en weer bedreigingen zijn geuit. Het kan niet zo zijn dat de één wordt gestraft voor bedreiging en dat van de ander geen werk wordt gemaakt. Niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk bedreiging heeft plaatsgevonden, zeker niet met de woorden zoals in de tenlastelegging wordt gesteld.

Standpunt van de officier van justitie

Dit feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. Er is voldoende bewijs. De aangifte van [slachtoffer 2], de verklaring van [getuige] die zich zeer kritisch uitlaat over zijn zus en de de auditu verklaring van [slachtoffer 1]. Ook geeft de verdachte ter zitting aan zeer boos te zijn geweest.

Oordeel van de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte tegen haar zei: 'ik zweer op de dood van mijn moeder dat ik jullie allebei dood maak'.5 Getuige [getuige] zegt in zijn verhoor bij de politie dat hij verdachte heeft horen zeggen: 'ik zweer op het graf van mijn moe dat ik jou en Ben dood zal maken'.6

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een dergelijke tekst nooit zou gebruiken. Hij zou zijn moeder er nooit bij betrekken.7

Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige] gaat de rechtbank er vanuit dat, ondanks de ontkenning van verdachte, verdachte opzettelijk dreigend de woorden 'ik zweer op de dood van mijn moeder dat ik jullie dood maak', althans woorden van gelijke aard of strekking heeft uitgesproken tegen [slachtoffer 2].

De getuige [slachtoffer 1] heeft verdachte dit zelf niet horen zeggen, maar heeft van de getuige [getuige] gehoord dat verdachte hem met de dood heeft bedreigd en dat hij direct dingen zou gaan regelen om dit te bewerkstelligen.

De rechtbank acht in het bijzonder de verklaring van [getuige] geloofwaardig, nu deze zich ook kritisch uitlaat over zijn zus [slachtoffer 2].

Gezien bovenstaande kon bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een redelijke vrees ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Dit blijkt ook uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij de politie.8

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onder 3 en onder 4 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het hem onder 3 en onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3. hij op 22 december 2010, te Hoogeveen, opzettelijk en wederrechtelijk een deur van een ophoudkamer in het politiebureau toebehorende aan Regiopolitie Drenthe, heeft beschadigd;

4. hij op 23 september 2010 te Schoonoord, gemeente Coevorden, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] de woorden toegevoegd: "ik zweer op de dood van mijn moeder dat ik jullie dood maak", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking (terwijl die [slachtoffer 2] wist dat met jullie, zij en die [slachtoffer 1] werden bedoeld en terwijl die [slachtoffer 1] dit terstond erna ter ore is gekomen).

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 3 en onder 4 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het onder 3 en onder 4 bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

3. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht;

4. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten; de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsman van de verdachte; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 5 april 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder en ook ter zake soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

De officier van justitie heeft een taakstraf gevorderd in de vorm van een werkstraf voor de duur van 70 uren, bij niet naar behoren verrichten van deze werkstraf te vervangen door 35 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf van één maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, hetgeen mede zal inhouden dat verdachte:

- verplicht een behandeling ondergaat door de A.F.P.N. of een soortgelijke instelling;

- zich houdt aan een locatieverbod voor de [adres] in Hoogeveen; en

- zich houdt aan een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

De raadsman bepleitte een voorwaardelijke straf. Verder heeft de raadsman betoogd dat de bijzondere voorwaarden niet mogelijk zijn omdat deze niet voldoende specifiek zouden zijn.

De verdachte heeft ten aanzien van het locatieverbod aangevoerd dat zijn familie en vrienden verspreid door Hoogeveen wonen, ook vlakbij de moeder van [slachtoffer 2]. Hij zou dan weg moeten blijven uit de [adres], maar ze zouden elkaar wel ergens anders tegen het lijf kunnen lopen.

Gelet op de genoemde omstandigheden, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel aan verdachte een vijftal feiten zijn ten laste gelegd zijn slechts twee feiten bewezen verklaard. Bewezen wordt geacht dat verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd.

De rechtbank acht ten aanzien van deze bedreiging relevant dat het hier een weliswaar ernstige maar slechts verbale bedreiging betrof. Deze bedreiging vond bovendien plaats direct nadat verdachte van zijn toenmalige partner [slachtoffer 2] te horen had gekregen dat zij een relatie had met [slachtoffer 1], de buurman van verdachte. Dit is zeker geen excuus voor het uiten van een bedreiging zoals verdachte deed, maar maakt dit wel in enige mate begrijpelijk.

Het andere feit dat bewezen wordt geacht is de vernieling van een deur van een politiecel in geëmotioneerde toestand, toen verdachte ten onrechte dacht dat geen aandacht voor zijn hartproblemen bestond.

De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat een passende bestraffing voor deze verdachte is:

een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 70 uren, waarvan een gedeelte groot 35 uren voorwaardelijk.

Gelet op hetgeen bewezen is verklaard ziet de rechtbank geen aanleiding bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen.

Hierbij komt dat verdachte reeds vrijwillig onder behandeling is van de A.F.P.N. en er geen aanleiding is te veronderstellen dat hij deze behandeling zal staken.

Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19/605370-09

De rechtbank acht de vordering van de officier van justitie toewijsbaar, nu de verdachte, eerder bij vonnis van 30 juni 2010 van de politierechter in deze rechtbank is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en hij zich tijdens de gestelde proeftijd, heeft schuldig gemaakt aan de strafbare feiten zoals hiervoor bewezen is verklaard.

De rechtbank zal gelasten dat het voorwaardelijk opgelegde deel van deze straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd, met dien verstande dat deze gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf van 14 uren.

Benadeelde partijen

De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaren nu er geen causaal verband is tussen de vorderingen van de benadeelde partijen en de bedreiging van 23 september 2010. De benadeelde partijen kunnen hun vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk voor het in de dagvaarding tenlastgelegde onder 2, voorzover dit feit betrekking heeft op 23 september 2010, nu dit feit eveneens onder 4 ten laste is gelegd.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, onder 2 en onder 5 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 3 en onder 4 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 en onder 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit 70 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 35 dagen zal worden toegepast,

met bevel dat van deze werkstraf een gedeelte groot 35 uren, met bevel voor het geval verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 17 dagen zal worden toegepast, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19/605370-09

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte, te weten 1 week van de bij vonnis d.d. 30 juni 2010 door de politierechter te Assen opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, met dien verstande dat in plaats van deze gevangenisstraf een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 14 uren dient te worden verricht, met bevel dat, voor het geval de verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 7 dagen zal worden toegepast.

Benadeelde partijen

De rechtbank verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat de benadeelde partijen deze vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aan kunnen brengen. De benadeelde partijen en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. H.T. van Voorst en mr. M. van der Veen, rechters in tegenwoordigheid van mr. A.M. Ariese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 13 mei 2011.

1 Wanneer hierna een proces-verbaal wordt aangehaald, betreft dit een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van aangifte van politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Coevorden/Nieuw Amsterdam, registratienummer PL032T 2010058707-1, d.d. 22 september 2010, houdende de aangifte van [slachtoffer 2] (p. 3-5), in het bijzonder p. 3 en 4.

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

4 Het proces-verbaal van aangifte van politie Drenthe, District Zuidwest, Basiseenheid Midden-Drenthe/Hoogeveen Oost, registratienummer: PL033K 2010081763-1, d.d. 22 december 2010, houdende de aangifte van [verbalisant], namens de benadeelde Regiopolitie Drenthe, (p. 69-75), in het bijzonder p. 70.

5 Het proces-verbaal van aangifte van politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Emmen Centrum/Borger-Odoorn, registratienummer: PL032R 2010058707-3, d.d. 23 september 2010, houdende de aangifte van [slachtoffer 2] (p. 6-8), in het bijzonder p. 7.

6 Het proces-verbaal van verhoor van politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Coevorden/Nieuw Amsterdam, registratienummer: PL032T 2010058707-9, d.d. 6 oktober 2010, houdende de verklaring van de getuige [getuige] (p. 14-16), in het bijzonder p. 15.

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

8 Het proces-verbaal van verhoor van politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Emmen Centrum/Borger-Odoorn, registratienummer: PL032R 2010058707-2, d.d. 23 september 2010, houdende de verklaring van de getuige [slachtoffer 1] (p. 10-13), in het bijzonder p. 10.

Parketnummer: 19.830277-10

Uitspraak d.d.: 13 mei 2011

vonnis