Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BQ4473

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
17-05-2011
Zaaknummer
76422 - HA ZA 09-873
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevordering van gezin na mishandeling vader en moeder in bioscoop. Daders mishandeling zijn strafrechtelijk veroordeeld. Nu geen tegenbewijs is aangeboden is in civielrechtelijke zin sprake van toerekenbaar onrechtmatig handelen. Ook hoofdelijke aansprakelijkheid. Gevorderde advocaatkosten straf- en klachtprocedure toegewezen ogv artikel 6:96 lid 2 a en b. De daarnaast gevorderde accountantskosten, immateriële schade, medische kosten, gederfd inkomen, kosten gemiste vakantiedagen en diner en overige kosten slechts ten dele toegewezen.

De gevorderde daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten afgewezen; er is aansluiting gezocht bij tarief obv het toegewezen bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 76422 / HA ZA 09-873

Vonnis van 16 maart 2011

in de zaak van

1. [EISER SUB 1],

2. [EISERES SUB 2],

3. [EISERES SUB 3],

4. [EISERES SUB 4],

5. [EISERES SUB 5],

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. C.A. de Jong,

tegen

1. [GEDAAGDE SUB 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Bos,

2. [GEDAAGDE SUB 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

toegevoegd advocaat mr. R.J. de Boer.

Partijen zullen hierna [eiser] respectievelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 januari 2010, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- het proces-verbaal van comparitie van 29 maart 2010;

- de conclusie van repliek van 12 mei 2010;

- de conclusie van dupliek tevens houdende akte wijziging van eis van [gedaagde sub 2] van

23 juni 2010;

- de conclusie van dupliek tevens antwoordakte wijziging van eis van [gedaagde sub 1] van

7 juli 2010;

- de bij de stukken gevoegde en overigens ingebrachte producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 5 mei 2005 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in verenigde samenwerking op de heer en mevrouw [eiser] geweld gepleegd toen deze met hun kinderen een middagje uit waren naar de bioscoop om daar een kinderfilm te bekijken als onderdeel van hun tot dan toe fijn verlopen vakantie in Drenthe. Zij waren niet bij die film. Wel een familielid van een van hen, dat heeft gebeld waarna zij zich speciaal voor de geweldpleging naar de bioscoop hebben begeven. Zij hebben daar, zonder enige aanleiding, de heer en mevrouw [eiser] allebei letsel toegebracht onder het oog van de kinderen [eiser].

Politie, ambulance en ziekenhuis hebben hulp moeten verlenen, de vakantie is afgebroken. Deze werd doorgebracht in een huis dat was gehuurd van Center Parks. Op dit recreatieterrein kan een tevoren gereserveerd diner worden gebruikt.

2.2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn tegen de zitting van 4 november 2006 gedagvaard om ten overstaan van de politierechter te Assen te verschijnen. Het OM was voornemens hen te vervolgens wegens eenvoudige mishandeling in het openbaar.

2.3. [eiser] heeft in verband met dit voornemen van het OM juridisch advies gevraagd over haar positie. Daartoe heeft zij zich gewend tot de strafrechtadvocaat

mr. C.N.G.M. Starmans. Op 30 mei 2005 is er voor het eerst advieswerk verricht door

mr. Starmans (bezoek aan diens kantoor). Mr. Starmans heeft gedeclareerd voor zijn diensten; de specificatie hiervan bevindt zich in het dossier. [eiser] heeft die declaraties voldaan tot een bedrag van € 9.639,00.

De diensten die door mr. Starmans zijn verleend bestonden uit het doen van onderzoek en het uitbrengen van advies. Eerst heeft hij zich gewend tot het OM in het arrondissement Assen en toen dit niet tot resultaat leidde heeft hij [eiser] geadviseerd om een klaagschrift ex artikel 12 Sv bij het Gerechtshof te Leeuwarden (hierna te noemen: het Gerechtshof) in te dienen. Dit advies heeft [eiser] opgevolgd.

Mr. Starmans heeft vervolgens op 16 januari 2006 het klaagschrift ingediend. Dit strekte er toe te betogen dat vrijspraak dreigt als de plaats delict wordt gekwalificeerd als ‘openbaar’, en dat ten minste sprake is van zware mishandeling, althans poging daartoe.

Verder heeft [eiser] van Slachtofferhulp het advies gekregen om zich voor haar schade in de strafprocedure te voegen. Op dat moment was niet bekend wat het standpunt van gedaagden ten aanzien van de schade was. Ook daarin heeft [eiser] zich juridisch laten bijstaan en ook daarvoor heeft zij betaald.

2.4. Op 3 augustus 2005 heeft J. Blankenstijn, kaakchirurg bij het Medisch Centrum Alkmaar (hierna te noemen: MCA), met betrekking tot mevrouw [eiser] vastgesteld dat zij zich op 15 juli 2005 heeft gemeld met een pijnlijke ooghoek links buitenzijde en enige hypo-esthesie van de nervus infraorbitalis, zich uitende in een dove wangkoon.

Met betrekking tot de diagnose is opgemerkt:

"(…) weke delen letsel met nabezwaren van de buitenste ooghoek links, stelde ik aan patiënte voor het letsel vooral goed te masseren en een afwachtende houding aan te nemen. Littekenweefsel heeft ongeveer een jaar nodig om zich te herstellen. Pas na een jaar kan beoordeeld worden wat blijvend letsel zou kunnen zijn."

2.5. [eiser sub 1] werkte op 5 mei 2005 als zelfstandige tegen een dagtarief van

€ 1.215,60. Zijn opdracht liep tot 1 september 2005. Op die dag zou degene hervatten wiens taak hij waarnam.

De heer [eiser] en mevrouw [eiser] vormden een maatschap waarbinnen de omzet (op 5 mei 2005 € 1.215,60 per dag) voor 60 procent gold als inkomen van de heer

[eiser] en voor 40 procent als inkomen van mevrouw [eiser] voor ‘administratief werk’. Kennelijk accepteerde de fiscus dit.

Daarbij werd voor de aangifte IB gebruik gemaakt van aftrekposten. Een van die posten betrof het gebruik van de auto van de heer [eiser].

Op 12 oktober 2005 heeft mr. R. Gorter, namens Gorter & Gorter Accountants en Belastingadviseurs onder meer schriftelijk verklaard:

(…) "In verband met ziekte ten gevolge van de gebeurtenissen heeft de heer [eiser] een groot aantal dagen/dagdelen geen arbeid kunnen verrichten.

Bijgevoegd zijn 2 specificaties van de gewerkte dagen en ziektedagen.

Het overeengekomen tarief bij deze opdracht was € 1.215,60 per gewerkte dag. (…)

Totaal 16,40 dagdeel.

De gederfde omzet bedraagt derhalve 16,4 x € 1.215,60 is totaal € 19.935,84.

Een schadevergoeding terzake wordt in zijn geheel voor de inkomstenbelasting belast, omdat geen sprake is van een vergoeding voor een blijvend verlies aan arbeidsvermogen. (…) ".

Aanvullend is op 22 april 2010 verklaard dat dit bedrag niet juist is omdat er variabele kosten (kosten die niet zijn gemaakt omdat niet is gewerkt) in mindering moeten worden gebracht. Uitgekomen wordt op € 19.099,73. Uitgelegd is dat dit bedrag bij betaling zal worden belast als het staat voor tijdelijk gederfd inkomen.

2.6. Behandelend fysiotherapeut P.A. Slinger van Fitness Oost (hierna te noemen: Slinger) heeft op 16 januari 2006 ten aanzien van mevrouw [eiser] het volgende gerapporteerd:

"Op 11-7-05 onder behandeling genomen met artritisbeeld links na een eerder doorgemaakt trauma (…)

Kapselletsel niet uitgesloten. Haar huisarts verwijst haar voor een specialistisch onderzoek, orthopeed MCA"

2.7. De huisarts, W. Hartong, (hierna te noemen: de huisarts) heeft behandeld orthopeed bericht 16 januari 2006 bericht dat neuroloog van het MCA, dr. M. Aramideh, 20 juli 2005 heeft geconcludeerd dat de klachten het meest passend zijn bij mogelijk contusie van deltoideus dan wel laesie ter hoogte van de aanhechting van de M. Deltoideus in de linker bovenarm. Deze neuroloog heeft geadviseerd een tijdje fysiotherapie te ondergaan.

De huisarts merkt verder op:

"Ze is inmiddels vele malen behandeld bij de fysiotherapeut, echt helpen doet het niet; ze heeft nog altijd pijn en een beperking in de Li schouder, mn elevatie, het voelt instabiel aan (alsof kop niet goed in de kom zit)

ze kan er niet op slapen"

2.8. De behandelend orthopedisch chirurg, J.H. Barentz van het MCA, heeft op 25 april 2006 terzake van mevrouw [eiser] meegedeeld:

(…) "Bij uitvoerig onderzoek van deze patiënte kan eigenlijk geen duidelijke afwijkingen worden gevonden, wel bestaat er een forse pijn in het abductie/anteflexie traject tussen 90 -130 ° . Aangezien de afwijkingen voordat patiënte werd mishandeld niet bestonden, moet toch een relatie worden gezien tussen de mishandeling en het thans haar bestaande klachten."

2.9. Slinger heeft op 16 mei 2006 ten aanzien van de heer [eiser] het volgende gerapporteerd:

“Schouderkl. re, maanden aanwezig, wijzend op A-C problematiek

Geeft beperking in adl. Eindstanden m.n. abductie, pijn en beperkt.

Kan niet inschatten hoe lang deze situatie blijft bestaan!"

Vervolgens heeft Slinger op 14 november 2006 - kort gezegd - gerapporteerd dat er geen verbetering is van de situatie na het laatste consult van 16 mei 2006.

2.10. Het Gerechtshof heeft bij beschikking van 23 oktober 2006 de kinderen van

[eiser] niet-ontvankelijk verklaard in hun klaagschrift ex artikel 12 Sv, terwijl ten aanzien van de heer en mevrouw [eiser] is bevolen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mede vervolgd zullen worden ter zake van poging tot zware mishandeling. Voor het overige is de klacht afgewezen.

2.11. De heer en mevrouw [eiser] hebben blijkens de rapportages van Slachtofferhulp op respectievelijk 31 augustus 2005, 7 mei 2006 en 17 januari 2007 contact gehad met Slachtofferhulp. In de laatste rapportage wordt er melding van gemaakt dat mevrouw nog onder behandeling is van specialisten en dat het incident nog steeds grote impact op de familie heeft.

2.12. De politierechter te Assen heeft bij vonnis van 22 januari 2007 [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veroordeeld wegens een misdrijf. Tevens is beslist op de vordering van benadeelde partij [eiser].

2.13. Naar aanleiding van het door [eiser] ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof bij arrest van 25 september 2007 [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voorwaardelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, alsmede tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uur.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft het Gerechtshof geoordeeld dat deze vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding en dat er evenmin ruimte is voor toewijzing van een voorschot op de schadevergoeding.

Voorts is geoordeeld dat, nu zij in het ongelijk zijn gesteld, de door [eiser] als benadeelde partij gevorderde kosten van rechtsbijstand voor hun eigen rekening komen.

2.14. Het Gerechtshof heeft bij genoemd arrest ter zake van [gedaagde sub 2] het volgende bewezen verklaard:

"hij op 05 mei 2005 te [woonplaats] met een ander in een voor publiek toegankelijke ruimte, te weten in de [naam]bioscoop, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en tegen goederen, welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen en schoppen en/of trappen van die [eiser sub 1] en

- het gooien van meubilair in de richting van die [eiser sub 1] en het slaan in het gezicht van die [eiseres sub 2];”

2.15. Het Gerechtshof heeft bij genoemd arrest ter zake van [gedaagde sub 1] het volgende bewezen verklaard:

"hij op 05 mei 2005 te [woonplaats] met een ander in een voor publiek toegankelijke ruimte, te weten in de [naam]bioscoop, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [eiser sub 1] en[eiseres sub 2] en tegen goederen, welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen en schoppen en/of trappen van die [eiser sub 1] en

- het gooien van meubilair in de richting van die [eiser sub 1] en het slaan in het gezicht van die [eiseres sub 2];

en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die[eiseres sub 2] ten gevolge heeft gehad;”

2.16. Op 30 januari 2008 heeft de (voormalige) raadsvrouwe van [eiser] zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 1] schriftelijk allebei volledig aansprakelijk gesteld voor de geleden schade ten bedrage ad € 72.965,21. Tevens is aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] een schikkingsvoorstel gedaan.

2.17. Op 27 april 2010 bericht Slinger aan de (voormalige) raadsvrouwe met betrekking tot de heer [eiser] het volgende:

"Op 26 april jl. onderzocht ik de re. schouder van [eiser sub 1].

Onderzoek levert een goede spierkracht op rond de schouder.

Qua mobiliteit een kapsulair patroon, wijzend op een artritisbeeld, rek op de m. Biceps

geeft vervroegde pijn aan.

Waarschijnlijk kapletsel, instabiele schouder.

Hij kan niet op de schouder liggen. In rust en tijdens a.d.i. een zeurende pijn, af en toe stekend.

Sport, waarbij de betreffende schouder wordt gebruikt, is niet of nauwelijks mogelijk.

Gezien het huidige klachtenbeeld zie ik niet snel een verbetering.

Daarbij aangetekend, dat ik niet beschik over specialistische diagnostiek, Ro- en/of MRI-uitslagen."

2.18. Met betrekking tot [eiseres sub 2] is bericht:

"Tijdens onderzoek op 26 april jl. van de li. schouder, vond ik drukpijn op het a.c,-gewricht (overgang schouderdak-sleutelbeen).

Abductie, zijwaarts bewegen, tegen weerstand pijnlijk. Niet onder tractie.

Drukpijn en verdikking m. Biceps.

Zij klaagt over een vaak zeurende pijn, af en toe een pijnscheut welke enige tijd blijft aanhouden.

Pijn in nek-schouder (C4-dermatoom) en bovenarm (C5-dermatoom).

Beperking in a.d.l., b.v. huishouding en sportuitoefening en kan moeilijk op de aangedane schouder liggen.

Mogelijk oorzaak is kalkafzetting onder en rond schouderdak.

Aanvullende specialistische informatie heb ik niet.

Zonder medisch ingrijpen hebben we m.i. qua klachtenbeeld een status quo."

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert na eiswijziging dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zal bepalen dat

I. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld om te voldoen een bedrag van € 9.639,00 voor vergoeding advocaatkosten benadeelde partij;

II. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld om te voldoen een bedrag van € 110.639,00 voor immateriële schadevergoeding, althans een zodanig bedrag dat de rechtbank in goede justitie vaststelt;

III. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld om te voldoen een bedrag van € 24.633,00 voor advocaatkosten;

IV. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld om te voldoen een bedrag van € 19.099,73 exclusief btw voor vergoeding van gederfde inkomsten;

V. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld om te voldoen een bedrag van € 528,25 voor accountantskosten;

VI. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld om te voldoen een bedrag van € 1.292.70 voor kosten fysiotherapie en tandheelkunde;

VII. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld om te voldoen een bedrag van € 400,55 voor gederfde vakantiedagen plus missen diner;

VIII. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld om te voldoen een bedrag van € 83,36 voor reiskosten:

IX. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld om te voldoen een bedrag van € 1.125,50 voor overige kosten;

X. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

Vertragingsschade in de vorm van wettelijke rente wordt na de eiswijziging niet meer gevorderd, en ook de aanvankelijk gevorderde verklaring voor recht is niet meer aan de orde.

3.2. [eiser] stelt ter onderbouwing van haar vordering dat de causaliteit ex artikel 6:98 jo artikel 6:162 BW tussen de schade van [eiser] en het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] jegens de heer en mevrouw [eiser] blijkt uit het feit dat hun verwondingen/letsel een direct gevolg zijn van het schoppen en slaan casu quo de zware mishandeling door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. [eiser] heeft ten gevolge van deze mishandeling kosten moeten maken met betrekking tot de vaststelling van het lestel casu quo de schade en de behandelingen daarvan. Daarnaast is ten gevolge van fysieke en mentale ongemakken schade geleden, zoals gederfde inkomsten en levensvreugde, het noodgedwongen afbreken van de vakantie, alsmede het niet langer beoefenen van sporten en het missen van een theorie-examen.

[eiser] stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op grond van alternatieve causaliteit als bedoeld in artikel 6:99 BW voor het geheel hoofdelijk aansprakelijk zijn.

[eiser] heeft verder per onderdeel van de vordering een nadere toelichting gegeven.

3.3. [gedaagde sub 2] heeft als juist erkend dat hij door de rechtbank Assen en het Gerechtshof is veroordeeld als gevolg van fysiek geweld gepleegd tegen [eiser]. [gedaagde sub 2] voert aan dat dit fysieke geweld een reactie was op eerder op dezelfde tijd en plaats gepleegd fysiek geweld jegens zijn stiefdochter.

Zowel bij conclusie van antwoord als bij dupliek is [gedaagde sub 2] ingegaan op de verschillende door [eiser] genoemde schadeposten. Dit komt er kort en in het algemeen gezegd op neer dat het gestelde wordt betwist en dat [eiser] de schadeposten onvoldoende heeft onderbouwd.

[gedaagde sub 2] concludeert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser]

niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen althans hen deze te ontzeggen, één en ander met veroordeling in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiser].

3.4. [gedaagde sub 1] erkent dat hij door het Hof inmiddels onherroepelijk is veroordeeld terzake het openlijk en in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad voor mevrouw [eiser].

[gedaagde sub 1] betwist dat hij aansprakelijk zou zijn voor de door [eiser] gestelde schade. Hij voert aan dat het causale verband tussen de geleden schade en handelen aan de zijde van [gedaagde sub 1] ontbreekt, dat de gestelde schade niet wordt onderbouwd door de ingediende stukken en dat het bedrag buitenproportioneel hoog is.

[gedaagde sub 1] is bij conclusie van antwoord en conclusie van dupliek vervolgens ingegaan op de verschillende door [eiser] gestelde schadeposten.

[gedaagde sub 1] concludeert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot het niet ontvankelijk verklaren van [eiser], althans tot afwijzing c.q. ongegrondverklaring van al het gevorderde, met hoofdelijke veroordeling in de kosten van dit geding.

Op de stellingen van partijen wordt in het kader van de beoordeling, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Gewijzigde eis

4.1. [eiser] heeft bij repliek haar eis gewijzigd. Nu zijdens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] geen bezwaar is gemaakt tegen deze gewijzigde eis en ook overigens niet is gebleken van strijd met de eisen van een goede procesorde, zal de rechtbank voor de beoordeling uitgaan van de gewijzigde eis.

Onrechtmatigheid en toerekening

4.2. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat tussen [gedaagde sub 2] en [eiser] vast dat het Gerechtshof met betrekking tot de strafbaar geachte gedraging van [gedaagde sub 2] jegens [eiser] in hoger beroep onder meer het navolgende ten aanzien van [gedaagde sub 2] bewezen heeft verklaard:

"hij op 05 mei 2005 te [woonplaats] met een ander in een voor publiek toegankelijke ruimte, te weten in de [naam]bioscoop, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en tegen goederen, welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen en schoppen en/of trappen van die [eiser sub 1] en

- het gooien van meubilair in de richting van die [eiser sub 1] en het slaan in het gezicht van die [eiseres sub 2];"

4.3. Verder staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] vast dat het Gerechtshof met betrekking tot de strafbaar geachte gedraging van [gedaagde sub 1] jegens [eiser] in hoger beroep onder meer het navolgende ten aanzien van [gedaagde sub 1] bewezen heeft verklaard:

"hij op 05 mei 2005 te [woonplaats] met een ander in een voor publiek toegankelijke ruimte, te weten in de [naam]bioscoop, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en tegen goederen, welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen en schoppen en/of trappen van die [eiser sub 1] en

- het gooien van meubilair in de richting van die [eiser sub 1] en het slaan in het gezicht van die [eiseres sub 2];

en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [eiseres sub 2] ten gevolge heeft gehad;"

4.4. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 161 Rv levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit, zulks behoudens tegenbewijs. Nu [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] geen (tegen)bewijs hebben aangeboden staat rechtens vast dat zij de hiervoor genoemde feiten hebben gepleegd. Dit levert in civielrechtelijke zin een aan hen toerekenbaar onrechtmatig handelen op.

Dergelijk handelen is gericht op het toebrengen van letsel en daarmee schade. Daarmee is de schade, indien opgetreden door hun handelen, aan gedaagden toerekenbaar.

Causaal verband

4.5. De strafbare en daarmee onrechtmatige gedragingen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] jegens [eiser] staan vast en zijn door de strafrechter als mishandeling gekwalificeerd; hetgeen in civielrechtelijke zin onrechtmatig handelen is.

Indien door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven en is het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Door de onrechtmatige gedraging van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1], hierin bestaande dat zij [eiser] hebben mishandeld, is een risico op het ontstaan van letsel en beschadiging van lijfsgoederen van de heer [eiser] en van mevrouw [eiser] in het leven geroepen.

Uit de vaststaande feiten volgt dat de heer en mevrouw [eiser] letsel hebben opgelopen op 5 mei 2005, de dag van de mishandeling, en dat daarvan gevolgen zijn voortgevloeid voor een kortere en voor een langere duur die als schade te kwalificeren zijn.

De aard van het letsel en die gevolgen zijn te verwachten bij zware mishandeling.

Daarmee is in beginsel gegeven dat dit is veroorzaakt door de mishandeling op 5 mei 2005.

Gedaagden hebben dit verband bestreden met de enkele stelling dat de strafrechter hen niet veroordeeld heeft voor letsel. Dit is een strafrechtelijke benadering en miskent voormelde bewijsregel.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn dan ook aansprakelijk voor alle schade waarop risico bestaat bij deze mishandeling, indien aan de overige voorwaarden voor aansprakelijkheid en het recht op schadevergoeding is voldaan.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

4.6. [eiser] stelt dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:99 BW.

4.7. Bij gelegenheid van de comparitie heeft [gedaagde sub 1] opgemerkt dat hem niet ten laste is gelegd dat enig handelen van [gedaagde sub 1] tot letsel bij de heer [eiser] heeft geleid en dat hij niet op die grond is veroordeeld. Zoals reeds gezegd, dit is een strafrechtelijke benadering die geen opgeld doet.

De rechtbank vat het zo op dat [gedaagde sub 1] stelt dat hij niet hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van de heer [eiser] omdat hij niet hem maar uitsluiten mevrouw [eiser] heeft mishandeld.

4.8. In artikel 6:99 BW is bepaald dat, indien de schade een gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en indien vast staat dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, de verplichting om deze schade te vergoeden rust op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewezenverklaringen van het arrest blijkt dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in vereniging geweld hebben gepleegd tegen [eiser] en tegen goederen, welk geweld heeft bestaan uit het slaan en/of stompen en schoppen en/of trappen van de heer [eiser] en het gooien van meubilair in de richting van de heer [eiser] en het slaan in het gezicht van mevrouw [eiser].

Artikel 161 Rv staat er niet aan in de weg om tot dit oordeel te komen.

De enkele stelling dat niet bewezen is verklaard dat enig handelen van [gedaagde sub 1] tot letsel bij de heer [eiser] heeft geleid, is dan ook geen bewijs als bedoeld in artikel 6:99 BW dat er toe leidt dat [gedaagde sub 1] niet aansprakelijk is voor de schade van de heer [eiser].

Schadebegroting en verschillende soorten schade

4.9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voor dat gedaagden aansprakelijk zijn voor alle schade die een gevolg is van de mishandeling van de heer [eiser] en mevrouw [eiser] en dat, bij het constateren dat er schade is die past bij zware mishandeling, die schade door hen vergoed zal moeten worden.

Alle door [eiser] opgesomde soorten schade passen bij zware mishandeling als waarvoor gedaagden zijn veroordeeld.

Beoordeeld moet nog worden of die schade daadwerkelijk is opgetreden, of dit leidt tot een vermogensverlies en zo ja, in welke omvang.

Artikel 6:95 BW bepaalt dat de schade die door gedaagden aan een of meer van de eisers moet worden vergoed, bestaat in vermogenschade en ander nadeel voor zover de wet voor dit andere nadeel een recht op vergoeding geeft.

Wat vermogensschade is, wordt bepaald door artikel 6:96 BW.

Artikel 6:97 BW schrijft daarbij voor dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld (hetgeen dus de hoofdregel is), dan schat de rechter die omvang, rekening houdend met wat billijk voorkomt.

Gelet op deze regels verschillen de eisen waaraan de stelplicht moet voldaan naar gelang de aard van de schade en de mogelijkheid tot nauwkeurig vaststellen van de schade.

In het onderhavige geval is dan van belang dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] opzettelijk het letsel hebben toegebracht: dit was waar het hen om te doen was. Daarmee hebben zij een ernstig strafbaar feit gepleegd en tevens opzettelijk in strijd met een veiligheidsnorm gehandeld. Dit brengt mee toepassing van de zogeheten omkeringsregel.

De gelijktijdige toepasselijkheid van deze regel en de billijkheid die bij de schadebegroting moet worden betracht als niet nauwkeurig kan worden begroot maar moet worden geschat, heeft tot gevolg dat, indien de gelaedeerde voor de onderscheiden posten voldoende aannemelijke wijze (dat kan dus per post verschillen), zijn schade en de omvang daarvan onderbouwt, de overtreders dienen te bewijzen dat dit niet juist is. Voor hen geldt dan ook een verhoogde stelplicht. Met ontkenningen en louter weerspreken kunnen zij niet volstaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op de gelaedeerden in het kader van de bewijsplicht van de overtreders een medewerkingsplicht ligt. Die is echter pas aan de orde als door de daders voldoende wordt gesteld en als zij tot bewijslevering worden toegelaten.

Advocaatkosten strafprocedure en klachtprocedure

4.10. [eiser] vordert dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 9.639,00 voor de advocaatkosten in de strafzaak.

Met de voeging is door [eiser], zakelijk en kort samengevat, beoogd dat zij op korte termijn een vergoeding van hun schade zouden krijgen. Om haar bewijspositie in verband met de werking van artikel 161 Rv veilig te stellen moest er ook worden ingegrepen in het voornemen van het OM. Dat is door het Gerechtshof gehonoreerd zodat dit terecht is geschied. Zou dit niet zijn gebeurd dan zou vrijspraak kunnen volgen omdat er geen sprake was van een openbare ruimte, terwijl er bij een veroordeling niet aangesloten werd bij de realiteit van de zware mishandeling.

Daarvoor zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] uiteindelijk ook veroordeeld en hun hele houding toont aan dat zij alles aangrijpen om overal onderuit te komen.

4.11. [gedaagde sub 2] voert aan dat een klachtprocedure ziet op een verschil van mening tussen het OM en de slachtoffers en dat hij niet verantwoordelijk c.q. aansprakelijk kan worden gesteld voor de kosten die verbonden zijn aan een dergelijke procedure. Ook de kosten verbonden aan de vordering benadeelde partij dienen te worden afgewezen, nu [eiser] als benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het feit dat de schade in die procedure onvoldoende is onderbouwd.

Ook [gedaagde sub 1] weerspreekt dat deze advocaatkosten voor zijn rekening dienen te komen, terwijl subsidiair is gesteld dat de gevorderde kosten buitensporig hoog zijn.

4.12. De aard van de handelingen waaraan de kosten zijn verbonden heeft tot gevolg dat hier sprake is van toepasselijkheid van onderdeel a en b van het tweede lid van artikel 6:96 BW.

Juist is dat een veroordeling of een vrijspraak invloed heeft op de bewijspositie ten aanzien van schade als gevolg van het misdrijf en juist is ook dat de aard van het misdrijf ook bijdraagt aan het bewijs van de soort, ernst en omvang van de schade. Dat [eiser] haar verhaalspositie door de geslaagde interventie met de klachtprocedure heeft verbeterd, staat daarom vast, en a fortiori staat daarmee vast dat het redelijk was om die interventie voor te bereiden en te plegen.

De kosten die daaraan zijn verbonden, beperken de kosten die zij, mocht nog een civiele procedure moeten volgen, zou moeten maken om de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vast te stellen (onderdeel a van het tweede lid van artikel 6:96 BW), en om een adequate positie te verwerven in de begrotingsprocedure bij de civiele rechter (onderdeel b). Dat blijkt uit hetgeen eerder is overwogen, waarbij onder meer het bepaalde in artikel 161 Rv van invloed is. Ook in dit opzicht was het redelijk om te handelen zoals is gedaan.

De kosten zijn exact bekend en dus nauwkeurig vast te stellen. Daarom zijn zij integraal toewijsbaar.

Dat de schadevordering in de strafprocedure is afgewezen heeft geen invloed. In de eerste plaats is dit te wijten aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf doordat zij zich hebben verzet tegen toewijzing. Zouden zij dit niet hebben gedaan, dan had de strafrechter de vordering moeten toewijzen.

In de tweede plaats is het niet van invloed omdat toewijzing van de schadevordering niet van belang is voor het toewijsbaar zijn van schade in de zin van artikel 6:96, tweede lid onder b, BW (HR 11 junli 2003, NJ 2005/50).

De rechtbank concludeert derhalve tot toewijzing van de gevorderde kosten ad € 9.639,00 exclusief BTW.

Overige kosten advocaat

4.13. [eiser] claimt nog meer kosten ter vaststelling en verhaal van haar schade. Deze zijn daadwerkelijk gemaakt en belopen het door hen geclaimde bedrag van

€ 24.633,00. Ter onderbouwing zijn de urenspecificaties overgelegd.

Echter, uit die specificaties is niet op te maken of er kosten zijn die niet onder het bereik van artikel 241 Rv vallen, zodat zij eventueel kunnen worden vergoed op grondslag van artikel 6:96 BW.

Niet duidelijk is bijvoorbeeld wat moet worden verstaan onder ‘processtuk’ op 17 oktober 2008 terwijl er toen, voor zover uit de stukken blijkt, geen procedure aanhangig was en de eerste dagvaarding pas in oktober 2009 is gevolgd.

Bij de proceskostenveroordeling zal verder worden beslist over de advocaatkosten.

Accountantskosten

4.14. [eiser] stelt dat [gedaagde sub 2] en Wolter op basis van het gestelde in artikel 6:92 lid 2 sub b BW de gemaakte accountantskosten in verband met de berekening van de gederfde inkomsten dienen te vergoeden. Deze kosten zijn bij repliek gesteld op € 528,25 in verband met een door de ingeschakelde accountant opgestelde aanvullende verklaring.

4.15. [gedaagde sub 2] erkent dat er werkzaamheden zijn verricht, maar is primair van mening dat de schadepost voor wat betreft de inkomensderving niet op basis van deze gegevens kan worden toegewezen, zodat de daarvoor gemaakte kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking komen. Subsidiair refereert [gedaagde sub 2] zich. Ten aanzien van de verhoging van het bedrag bij eiswijziging verzet [gedaagde sub 2] zich. Het loutere feit dat de post inkomensderving kennelijk onvoldoende onderbouwd is geweest, rechtvaardigt niet die aanvulling van die kosten op [gedaagde sub 2] te verhalen. Bovendien blijkt naar de mening van [gedaagde sub 2] dat de verhoging van € 201,00 niet de werkelijke kosten zijn, nu deze kosten bruto zijn doorberekend aan de maatschap van [eiser].

[gedaagde sub 1] betwist primair de aansprakelijkheid voor de kosten van het opstellen van de accountantsverklaring. Bij dupliek is nog aangevoerd dat nu de verklaring niet tot bewijs van enig feit kan dienen, [gedaagde sub 1] de aansprakelijkheid voor de kosten van de hand wijst.

4.16. De tweede verklaring is nodig geworden omdat de eerste verklaring niet voldeed aan de maatstaven die daarvoor gelden. De correctie komt voor rekening van [eiser] omdat niet gezegd kan worden dat corrigeren van een onvoldoende opgaaf een redelijkerwijs te plegen handeling is in het kader van schadebegroting en verhaal.

De rechtbank zal derhalve een bedrag ad € 327,25 toewijzen.

Immateriële schade

4.17. Ter onderbouwing van dit deel van de gestelde schade heeft [eiser] een inventarisatie gemaakt van alle medische berichten die zij in kopie hebben ontvangen. Aan de hand daarvan is het letsel toegelicht. Uit deze verslagen blijkt naar de mening van

[eiser] van het volgende letsel.

Bij de heer [eiser] gaat het om het volgende letsel:

a. schouder blijvend pijnlijk,

b. kan blijvend de arm niet hoger optillen dan schouderhoogte,

c. kan blijvend geen racketsporten meer beoefenen,

d. concentratiestoornissen,

e. ernstige duizelingen bij evenwichtorgaan,

f. blijvende hoofdpijnen,

g. slapeloosheid in verband met pijn aan schouder en psychische klachten,

h. posttraumatische stressstoornis.

Met betrekking tot mevrouw [eiser] blijkt uit de medische verslagen het volgende letsel:

i. forse pijn in schouder,

j. kaak forse pijn,

k. blijvend geen gevoel en een groot gedeelte van de linker wang,

l. blijvend litteken dat trekt/zeer gevoelig is,

m. wond aan linker oogkas: gehecht,

n. blijvende angst en trauma.

Ook ten aanzien van de kinderen van [eiser] wordt gesteld dat sprake is van trauma in de zin van blijvende angsten.

4.18. Ter onderbouwing van de vaststelling van immateriële schadevergoeding voor de geleden pijn en pijn die zij nog steeds en blijvend lijden, heeft [eiser] aansluiting gezocht voor de verschillende soorten letsel als vermeld in de Smartengeldgids.

[eiser] stelt dat zij deze bedragen als veel te laag beleven, doch dat aansluiting dient te worden gezocht bij de geldende normen. Het voorgaande resulteert in een totaal bedrag ad

€ 45.639,00 voor de heer [eiser] en voor mevrouw [eiser] in een totaal bedrag van

€ 16.508,00, welk bedrag gelet op de onevenredige belasting van mevrouw [eiser] naar boven (€ 20.000,00) dient te worden afgerond.

Met betrekking tot de kinderen [eiser] is gesteld dat zij psychisch hard geraakt zijn door de mishandeling van hun ouders, hetgeen een enorme impact op hun leven heeft. Een bedrag ad € 15.000,00 per kind (aanvankelijk € 2.167,00 per kind) is naar de mening van

[eiser] op zijn plaats.

In aanvulling hierop heeft [eiser] gesteld dat zij bereid te zijn mee te werken aan onderzoeken/second opinion, met dien verstande dat, indien uit deze onderzoeken blijkt dat de schade ernstiger is, zij zich het recht wensen voor te behouden hun eis met betrekking tot de immateriële schadevergoeding te verhogen.

4.19. [eiser] heeft op voet van het eerste lid, onderdeel b, van artikel 6:106 BW aanspraak op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Bij deze begroting dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden, in een geval als het onderhavige in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De rechter dient bij zijn begroting tevens te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding. (vgl. HR 17 november 2000, NJ 2001, 215). Daarin is echter géén lijn te vinden die zich hier nauwkeurig laat toepassen. De rechtbank acht iedere directe aanknoping bij een casus dan ook ondoelmatig.

De rechtbank moet dan vaststellen dat zowel [eiser] als [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] niet meer hebben gedaan dan zoeken in de Smartengeldgids naar gevallen die zij in hun voordeel denken te kunnen gebruiken.

[eiser] volgt daarbij de onjuiste methode om aan de hand van de rubricering in de Smartengeldgids casus te stapelen en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] gaan niet in op de bijzonderheden van hun mishandelende daden en de gevolgen daarvan, als blijkend uit de medische rapportages.

[gedaagde sub 1] is er in het geheel niet op ingegaan (conclusie van antwoord onder 7 ‘er zijn te veel verschillen’, ‘het geweld zou hebben bestaan uit slaan’, onder 8 ‘dan in het geval van mevrouw [eiser]’, onder 9 ‘niet bewezen verklaard dat het geweld ten aanzien van

[eiser] enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad’). [gedaagde sub 2] volgt dezelfde aanpak maar stelt bovendien ‘De hoofdpijnen, duizeligheid en concentratiestoornissen worden echter niet nader onderbouwd en blijkt voor het overige ook onvoldoende uit de overgelegde producties’, terwijl over de schouderklachten van de heer [eiser] wordt gesteld dat dit nog ‘geen medische eindtoestand is’ en dat dus niet mag worden teruggegrepen op Smartengeldgids 735.

4.20. Vast staat dat de heer [eiser] en mevrouw [eiser] door de mishandeling lichamelijk letsel hebben opgelopen en dat zij daaraan een tijd hebben geleden. Niet vast staat dat dit thans nog het geval is. De medische rapportages maken wel melding van persisterende klachten maar vermelden tevens dat daarvoor door de geraadpleegde artsen geen letsel is gevonden dat die klachten kan veroorzaken.

Voorstelbaar is dat de heer [eiser] en mevrouw [eiser] psychische klachten hebben ondervonden en dat enige tijd sprake is geweest van geestelijk letsel, dat kan worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon, die recht geeft op vergoeding van immateriële schade (vgl. HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366). Er is, ook met toepassing van voorgaande regel ten aanzien van de stelplicht, geen voldoende onderbouwing gegeven die tot de conclusie leidt dat dit langer dan enige tijd het geval is geweest. Als inderdaad, zoals de vrijwilliger van Slachtofferhulp, stelt er sprake was van ‘ernstige psychische traumatisering’, dan kan de rechtbank, zonder toelichting, die ontbreekt, niet inzien waarom op dit vlak geen zorg is verleend. Dit geldt ook voor de kinderen van [eiser], voor wie, zonder nadere onderbouwing, het gevorderde bedrag bij repliek is verhoogd van € 2.167,00 per kind naar € 15.000,00 per kind.

Alles bijeengenomen acht de rechtbank een bedrag van € 3.000,00 voor de heer [eiser] de rechtbank billijk, en een bedrag van € 5.000,00 voor mevrouw [eiser], die beduidend ernstiger verwondingen heeft opgelopen.

Medische kosten (fysiotherapie, tandheelkundige kosten, reiskosten)

4.21. [eiser] stelt dat zij de gevorderde fysiotherapie en tandheelkundige kosten zelf heeft voldaan en dat zij alles in het werk hebben gesteld deze kosten aan te tonen. Bij gelegenheid van de comparitie is door [eiser] (nader) bewijs aangeboden in die zin dat bankafschriften terzake de betaling van de nota's in het geding te brengen

Zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 1] hebben de gestelde kosten betwist en aangevoerd dat [eiser] geen, althans onvoldoende bewijs heeft aangedragen van het feit dat de kosten door henzelf zijn voldaan. [gedaagde sub 2] heeft in dit verband aangevoerd dat hij niet in staat is gesteld te verifiëren of de kosten wellicht door de verzekeraar zijn voldaan.

4.22. De rechtbank overweegt dat [eiser] heeft gesteld dat zij als gevolg van de mishandeling door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zich hebben moeten laten behandelen door een fysiotherapeut.

Met betrekking tot deze kosten wordt overwogen dat uit de patiëntendossiers van de huisarts en de berichten van de fysiotherapeut volgt dat is behandeld door het soort letsel dat bij de mishandeling past en dat door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] geen andere oorzaken zijn gesteld.

Dergelijke kosten horen niet tot het basispakket. Aannemelijk is dat zij niet zijn voldaan door een verzekeraar.

Gevorderd worden ook kosten van een tandspalk. Daarvoor geldt hetzelfde.

De rechtbank concludeert tot toewijzing van de gevorderde kosten ad € 1.292,70 voor fysiotherapie en tandheelkunde.

4.23. [eiser] stelt in verband met ziekenhuisbezoek (artsen en specialisten) reiskosten en parkeerkosten te hebben gemaakt ad € 83,36. Een gedetailleerd overzicht van de gemaakte kosten is bijgesloten.

[gedaagde sub 2] heeft zich voor wat betreft deze kosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

[gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat uit een als productie 17 overgelegd bankafschrift blijkt dat het brandstofgebruik wordt betaald van de ondernemersrekening van de vennootschap van R.T. [eiser] Interim Management, terwijl niet is gebleken dat deze kosten in privé aan [eiser] zijn doorbelast.

Duidelijk is dat dergelijke kosten noodzakelijk moesten worden gemaakt, echter niet aannemelijk is dat [eiser] deze kosten zelf heeft voldaan, zodat dit onderdeel van de vordering voor afwijzing gereed ligt.

Gederfd inkomen

4.24. [eiser] heeft een bedrag ad € 19.099,73 exclusief btw gevorderd in verband met gederfd inkomen. Ter onderbouwing is bij dagvaarding verwezen naar een verklaring van de ingeschakelde accountant Gorter, waarin is aangegeven dat in verband met ziekte (16,4 dagdeel in mei en juni 2005) sprake is van gederfde omzet van 16,4 gemiste dagdelen in mei en juni x € 1.215,60 (overeengekomen tarief per gewerkte dag exclusief btw).

Bij repliek zijn nog een tweetal verklaringen overgelegd van de adjunct-directeur van de opdrachtgever en een persoon die heeft bemiddeld bij de opdracht, alsmede een aanvullende verklaring van de ingeschakelde accountant.

4.25. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben ieder voor zich deze post betwist.

[gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat gesteld wordt dat sprake is van inkomensverlies, doch uit het accountantsrapport blijkt van geleden omzetverlies. [gedaagde sub 2] stelt dat inkomensverlies niet gelijk gesteld kan worden aan omzetverlies, terwijl het inkomensverlies (zonder nadere stukken) niet kan worden vastgesteld op basis van een verklaring van een accountant.

[gedaagde sub 1] voert aan dat uit de overgelegde producties, als de verklaring van de accountant, niet volgt dat het niet verrichten van arbeid het rechtstreeks gevolg is van het handelen van [gedaagde sub 1].

Ook wordt onduidelijk geacht of de opdracht op een later tijdstip zou kunnen worden hervat en afgerond en of er schadebeperkende maatregelen zijn genomen. De bij repliek door

[eiser] gegeven toelichting is volgens [gedaagde sub 1] onvoldoende aan te nemen dat sprake is van gederfde inkomsten.

4.26. Vast staat dat bij het ondervonden letsel past dat enige tijd niet het werk kan worden gedaan dat [eiser] deed. Het ging volgens de opdrachtgever om een zware taak en er werd veel gereisd.

Normaliter leidt dit tot inkomensderving voor een opdrachtnemer die als zelfstandige werkt, tenzij deze verlies maakt.

Uit de verklaringen van de opdrachtgever en de accountant Gorter volgt dat er geen sprake is van een verlies van inkomen dat in een later deel van het jaar kon worden gecompenseerd en dat er geen sprake (meer) is van het claimen van de omzet als inkomen. Het dagtarief, verminderd met kosten, gold als inkomen van de maten. Die vermindering is doorgevoerd en terecht beperkt tot variabele kosten.

Echter, bij de rechtsverhouding binnen de maatschap past niet dat [eiser] ook het inkomen claimt dat door de maatschap wordt toegedeeld voor administratief werk ten behoeve van de opdracht die tijdelijk niet volledig kon worden vervuld. Dat inkomen kwam hem niet toe en kon hij dus niet derven. In die zin claimt hij wel omzet (minus kosten).

Van de € 19.099,73 exclusief btw is derhalve niet meer dan 60 procent toewijsbaar:

€ 11.459,84.

Kosten Center Parks

4.27. [eiser] vordert een bedrag ad € 400,55 in verband met gemiste vakantiedagen en het gemiste diner. Ter onderbouwing is een bankafschrift op basis waarvan de betaling van de geboekte vakantie en het diner kan worden vastgesteld.

4.28. [gedaagde sub 2] heeft zich voor wat betreft de vakantiedagen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, terwijl ten aanzien van de kosten van het diner is aangevoerd dat niet gebleken is dat nu het diner niet is doorgegaan deze kosten niet zijn geretourneerd.

[gedaagde sub 1] voert - zonder aansprakelijkheid te erkennen - aan dat niet is gebleken dat

[eiser] in persoon voor deze kosten zijn opgedraaid, nu blijkens het afschrift dat terzake is overgelegd slechts blijkt dat de nota's zijn afschreven van de ondernemersrekening van de vennootschap van [eiser sub 1] Interim Management.

4.29. Niet voldoende gebleken is dat [eiser] in privé deze kosten hebben voldaan, zodat dit onderdeel van de vordering voor afwijzing gereed ligt.

Overige kosten

4.30. [eiser] stelt dat ten gevolge van de zware mishandeling ook nog de volgende schade is geleden. Er is een trui (€ 89,95) stuk getrokken, op de laarzen (€ 129,95) is bloed terecht gekomen. Als gevolg van de slechte fysieke gesteldheid is een theorie-examen

(€ 29,80) niet gevolgd. Verder is er contributie betaald over een periode waarin [eiser] niet in staat was om te sporten, te weten de tennisvereniging (7 maanden ad € 120,00) en de hockeyvereniging (periode mei tot en met oktober 2005 ad € 589,00). Daarnaast zijn er nog

kosten gemaakt voor het verkrijgen medische informatie ad € 41,80, alsmede de nodige kosten in verband met telefoon- , kopie- , en faxwerkzaamheden, die worden begroot op

€ 20,00.

4.31. [gedaagde sub 2] heeft zich voor wat betreft de kosten van de trui, de kosten voor wat betreft het verkrijgen van medische informatie en telefoonkosten theorie-examen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

[gedaagde sub 1] betwist in het algemeen niet aansprakelijk te zijn voor het totaalbedrag en voert aan dat de vordering vanwege gebrek aan causaal verband en onvoldoende onderbouwing te dient te worden afgewezen. Het gebrek aan causaal verband geldt in het bijzonder voor wat betreft de kosten van het theorie-examen, en de contributie van de tennis- en hockeyvereniging.

4.32. De rechtbank merkt in dit verband allereerst op dat bij repliek de post overige kosten zonder nadere onderbouwing is verhoogd van € 1.020,50 naar € 1.125,50. Nu een onderbouwing voor deze verhoging ontbreekt komt het meerdere niet voor vergoeding in aanmerking.

Voorts wordt overwogen dat de kosten van het vervallen examen, de trui, de laarzen, het verkrijgen van de medische informatie, de kosten in verband met telefoon- , kopie- , en faxwerkzaamheden en de derving van gemist genoegen (HR 5 december 2008,

RvdW 2009/2), naar hun aard zijn te verwachten bij het toegebrachte letsel en de gedragingen die de mishandeling vormden, zodat het causaal verband gegeven is. Dit is vervolgens onvoldoende weersproken.

De omvang van deze kosten is nauwkeurig onderbouwd en dus te begroten. Deze kosten worden toegewezen.

Resumé verschillende posten

4.33. Hiervoor zijn verschillende posten toewijsbaar geacht die zowel de heer

[eiser] als mevrouw [eiser] een vordering verschaffen. In totaal gaat het om

• € 31.000,49 opgebouwd uit de volgende bedragen:

• € 9.639,00 advocaatkosten strafprocedure/beklagprocedure

• € 327,25 accountantskosten

• € 1.292,70 medische kosten

• € 281,70 overige kosten (bestaande uit € 89,95 (trui), € 129,95 (laarzen), € 41,80

(medische informatie) en € 20,00 (telefoonkosten e.d.)

• € 29,80 examen

• € 840,00 sport

• € 589,00 sport

• € 12.999,45 in totaal en

• € 3.000,00 immateriële schade de heer [eiser]

• € 11.459,84 gederfde inkomsten de heer [eiser]

• € 5.000,00 immateriële schade mevrouw [eiser].

Proceskosten

4.34. [gedaagde sub 2] kan zich niet vereniging met een toekenning van de werkelijk gemaakte advocaatkosten in plaats van een forfaitaire vergoeding, omdat er kennelijk een incassorisico zou zijn. Voorts is aangevoerd dat niet is gebleken dat gepoogd is de advocaatkosten zoveel mogelijk te beperken, gelet op de aan de zaak bestede tijd. In dit verband wordt er ook op gewezen dat inmiddels een derde advocaat binnen hetzelfde kantoor zich met de zaak bezig houdt, hetgeen ook niet voor risico van [gedaagde sub 2] dient te komen.

[gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat kosten van de advocaat in het kader van de procesveroordeling voor rekening komen van de in het ongelijk gestelde partij. Voorts is aangevoerd dat er geen aanleiding is gesteld en/of bestaat om af te wijken van de gebruikelijke proceskostenveroordeling

4.35. De rechtbank is vrij om van het zogeheten Liquidatietarief af te wijken: ‘De begroting door de rechter van de kosten van het geding, ook voor zover het het salaris van de procureur betreft, is een feitelijke beslissing, die geen motivering behoeft. .. Daarbij verdient opmerking dat het Liquidatietarief .. geen recht is in de zin van art. 99 Wet RO, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn’ (HR 3 april 1998, NJ 1998/571).

De overheersende opvatting is dat slechts in bijzondere gevallen van de richtlijn wordt afgeweken. Een dergelijk geval is bijvoorbeeld gebleken misbruik van procesrecht.

De rechtbank volgt deze opvatting en is van oordeel dat er geen sprake is van een bijzonder geval. Gedaagden hebben op onderdelen terecht bezwaren tegen de schadeclaims en de mishandeling zelf, civielrechtelijk een onrechtmatige daad, maakt de zaak niet tot een bijzonder geval; hoe pijnlijk dit voor [eiser] in dit opzicht ook in financiële zin is.

4.36. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat voor wat betreft de proceskostenveroordeling aansluiting dient gezocht bij het tarief op basis van het toegewezen bedrag ad € 32.459,29. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaardingen € 171,96

- griffierecht 3.685,00

- salaris advocaat 1.737,00 (3,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 5.593,96.

BESLISSING

De rechtbank

1. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser sub 1] en

[eiseres sub 2] te betalen een bedrag van € 12.999,45,

2. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser sub 1] € 11.459,84 exclusief BTW en € 3.000,00 te betalen,

3. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres sub 2]

€ 5.000,00 te betalen,

4. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van

[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] tot op heden begroot op € 5.593,96,

5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.J. Lennaerts, bijgestaan mr. K. Wijmenga, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.