Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BQ4349

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
19.830145-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank neemt deze conclusies en adviezen en de gronden waarop zij berusten over en maakt deze tot de hare. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat, op grond van het strafdossier, het verhandelde ter zitting en de rapportages van voornoemde deskundigen, waaruit blijkt van de psychotische toestand en het syndroom waaraan verdachte leidt, voldoende vast is komen te staan dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het laste gelegde en bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte niet strafbaar is terzake van het hiervoor bewezenverklaarde. Op grond hiervan zal de rechtbank verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830145-10

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 1 februari 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

thans verblijvende te [verblijfadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 18 januari 2011.

De verdachte is niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen. Deze is door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren.

De tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 19 juli 2010, te Dalen, althans in de gemeente Coevorden,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [slachtoffer 1] en/of (een) medewerker(s) van [Restaurant] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid bier

en/of frisdrank en/of een maaltijd/voedsel, in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

zich voorgedaan als reguliere en/of bonafide klant, waardoor die [slachtoffer 1]

en/of die medewerker(s) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 19 juli 2010, te Dalen, althans in de gemeente Coevorden,

opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] (tegen het hoofd/gezicht) heeft

geslagen/gestompt, waardoor die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. A.M. de Vries acht hetgeen onder 1 en 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert ontslag van alle rechtsvervolging, omdat, gelet op de rapportages van de psycholoog en de psychiater, de bewezenverklaarde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte dient naar de mening van de officier van justitie te worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Met betrekking tot de vordering van € 42,05 van de benadeelde partij [slachtoffer 1] stelt zij dat verdachte een bedrag van € 42,00 heeft betaald en dat zij formeel gezien het resterende bedrag van € 00,05 moet vorderen. De officier van justitie vordert dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toewijst met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

- de aangifte van [slachtoffer 1], inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik en mijn man zijn eigenaar van restaurant [naam restaurant]. Op 19 juli 2010 kwam er kwam een onverzorgde man binnen die bestelde een cola en 9 biertjes. Daarna bestelde hij soep en een varkenshaas. De man is zaak uit gelopen zonder de rekening van

€ 42,00 te betalen. Ik ging de man achterna met de auto. Ter hoogte van bouwbedrijf [naam bouwbedrijf] sprak ik hem aan. Ik zei kom maar mee, eerst betalen, en pakte hem bij zijn arm. Ik kreeg een klap met de vuist van hem op mijn oog. Mijn linkeroog en wenkbrauw deden pijn. Ik heb hulp gezocht en later is de man door de politie aangehouden.

- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat zij naar aanleiding van een melding aangeefster aantroffen met een man. Deze man bleek later [verdachte] te zijn. Verbalisanten hebben een lichte zwelling op de wenkbrauw van [slachtoffer 1] geconstateerd.

- de verklaring van de getuige [getuige 1], inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Op 19 juli 2010 kwam er een man in Hotel [naam hotel] die zijn id-kaart (ten name van [verdachte]) op wilde halen. Die kaart was ingenomen nadat hij enig tijd eerder zonder betaling consumpties had genuttigd.

- de verklaring van de verdachte, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Die vrouw wilde mij gisteren in de kofferbak van de auto trekken. Die pakte mijn arm vast. Ik kan wel betalen maar ik had geen pinpas bij mij, die is mij afgenomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 juli 2010, te Dalen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse hoedanigheid [slachtoffer 1] en/of (een) medewerker(s) van [naam restaurant] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid bier

en frisdrank en een maaltijd, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk zich voorgedaan als bonafide klant, waardoor die [slachtoffer 1]

en/of die medewerker(s) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij op 19 juli 2010, te Dalen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] (tegen het gezicht) heeft gestompt, waardoor die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft

ondervonden.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 en onder 2 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1: oplichting,

strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ontslag van alle rechtsvervolging, omdat, gelet op de rapportages van de psycholoog en de psychiater, de bewezenverklaarde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging pleit voor ontslag van alle rechtsvervolging, omdat, gelet op de rapportages van de psycholoog en de psychiater, de bewezenverklaarde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op 4 november 2010 heeft drs. J.C.J. Fischer, GZ-psycholoog, een psychologische rapportage omtrent verdachte uitgebracht. Deze rapportage houdt onder meer, verkort en zakelijk weergegeven in:

Verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis der geestvermogens in de zin van een bipolaire I stoornis in combinatie met een manische psychose. Hiernaast is er sprake van alcoholafhankelijkheid. Deze stoornis bestond reeds voor en tijdens het tenlastegelegde. Op grond hiervan dient verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

De deskundige adviseert een behandeling in het kader van een strafrechtelijke machtiging ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. Deze behandeling dient plaats te vinden op een gesloten afdeling binnen de reguliere GGZ of op een FPA.

Op 20 november 2010 hebben C.M.I. Thewissen, a.i.o. psychiater en A.P. van der Woerdt, psychiater, een psychiatrische rapportage omtrent verdachte uitgebracht. Deze rapportage houdt onder meer, verkort en zakelijk weergegeven in:

Verdachte is een ernstig chronisch zieke man, die ernstig beperkt wordt door zijn kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van manisch (paranoïde) psychosen die hoogstwaarschijnlijk bestaan in het kader van een bipolaire I stoornis en zijn middelenafhankelijkheid en -misbruik. Het bestaan van een antisociale persoonlijkheidsstoornis (een as II stoornis) speelt een ondergeschikte rol in de differentiaal disgnostische beschouwing. Verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde manisch psychotisch.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde kan geconcludeerd worden dat dit voor een deel voort kan komen uit de geestesgesteldheid van verdachte.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde kan geconcludeerd worden dat dit volledig voort komt uit de geestesgesteldheid van verdachte.

Onderzoekers concluderen op grond daarvan met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit tot verminderde toerekeningsvatbaarheid en met betrekking tot het onder 2 tenlastgelegde tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

Herhalingsrisico wordt door onderzoekers als hoog ingeschat.

Aanbevelingen: verdachte is gebaat bij een langdurige, consequente, medicamenteuze behandeling en een gestructureerde omgeving en geen beschikking over alcohol en drugs op een gesloten (forensische) psychiatrische afdeling. Onderzoekers adviseren derhalve plaatsing in het kader van artikel 37 in een (gesloten) psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank neemt deze conclusies en adviezen en de gronden waarop zij berusten over en maakt deze tot de hare. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat, op grond van het strafdossier, het verhandelde ter zitting en de rapportages van voornoemde deskundigen, waaruit blijkt van de psychotische toestand en het syndroom waaraan verdachte leidt, voldoende vast is komen te staan dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het laste gelegde en bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte niet strafbaar is terzake van het hiervoor bewezenverklaarde. Op grond hiervan zal de rechtbank verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Motivering maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

De rechtbank heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen in de reeds genoemde rapportages van de gedragsdeskundigen Fischer, GZ psycholoog, en Thewissen en Van der Woerdt, psychiaters, het reclasseringsadvies (beknopt) d.d. 4 oktober 2010, opgemaakt door T. Wieringa en het trajectconsult van psychiater J.M. Westenbroek d.d. 9 augustus 2010.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 december 2010, waaruit blijkt dat verdachte vele malen eerder is veroordeeld wegens het plegen van (onder meer) soortgelijke strafbare feiten.

Door de gedragsdeskundigen, Fischer, GZ psycholoog, en Thewissen en Van der Woerdt, psychiaters, die de verdachte hebben onderzocht, zijn met redenen omkleedde, gedagtekende en ondertekende adviezen uitgebracht, zoals hiervoor weergegeven.

De conclusies in beide adviezen luiden dat verdachte in het kader van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal 1 jaar. Na afloop van dat jaar kan eventuele verdere behandeling plaatsvinden in het kader van een BOPZ maatregel.

De rechtbank verenigt zich met de bovenstaande conclusies en maakt die tot de hare.

De rechtbank is, mede gelet op die conclusies, van oordeel dat het bewezen verklaarde aan de verdachte niet kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en acht de verdachte gevaarlijk voor zichzelf en voor de algemene veiligheid van personen en goederen.

De rechtbank zal daarom gelasten dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst voor een termijn van één jaar.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade ten bedrage van € 42,05. Ter terechtzitting is gebleken dat namens de verdachte een bedrag van € 42,00 is vergoed. Er staat derhalve nog slechts een bedrag van € 00,05 open.

Gelet hierop zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 37, 300 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de stafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld, verklaart de verdachte deswege echter niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

De rechtbank gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor de termijn van één jaar.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter en mrs.C.P. van Gastel en J.M.M. van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en

uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 1 februari 2011, zijnde mr. Van Woensel buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.