Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BQ1615

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
18-04-2011
Zaaknummer
84742 KG ZA 11-19
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Eiser vordert in Kort geding nakoming van de omgangsregeling. Gedaagde heeft deze eenzijdig stop gezet, aangezien zij seksueel misbruik van de minderjarige vermoedt. Nu uit de stukken niet valt af te leiden dat dergelijk misbruik heeft plaatsgevonden, in het bijzonder niet uit de medische stukken, en nu ter zitting onvoldoende steun is gevonden voor de stelling van gedaagde, wijst de voorzieningenrechter de vordering gedeeltelijk toe. De eis in reconventie – de omgang moet de eiser ontzegd worden – wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 84742 / KG ZA 11-19

Vonnis in kort geding van 23 februari 2011

in de zaak van

[de man],

wonende te [adres],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

toegevoegd advocaat mr. H.J. Veen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [adres],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.S. Özsaran.

Partijen zullen hierna [de man ] en [de vrouw] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- het schrijven met bijlagen d.d. 11 februari 2011 namens [de vrouw];

- het schrijven met bijlage d.d. 16 februari 2011 namens [de man ];

- de eis in reconventie;

- de mondelinge behandeling;

- de pleitnota van [de man ];

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een relatie gehad.

2.2. Uit de relatie van partijen is het navolgende, thans nog minderjarige kind geboren: [de minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

2.3. [de minderjarige] heeft hoofdverblijf bij [de vrouw] en [de vrouw] is belast met het gezag over [de minderjarige].

2.4. Partijen zijn conform de door beide partijen op 29 maart 2007 - een kleine twee maanden voor de geboorte van [de minderjarige] - ondertekende overeenkomst een omgangsregeling overeengekomen.

2.5. De regeling is na de geboorte van [de minderjarige] in elk geval tot 23 november 2010 ten uitvoer gelegd. Daarna heeft [de vrouw] eenzijdig de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en [de man ] gestaakt. Sindsdien is er geen contact meer geweest tussen [de minderjarige] en [de man ].

3. Het geschil in conventie

3.1. [de man ] vordert samengevat – [de vrouw] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, tot nakoming van de overeengekomen omgangsregeling, inhoudende dat [de minderjarige] één weekend per veertien dagen van vrijdag 17:00 uur tot zondag 19:00 uur alsmede iedere zondag van 13:00 uur tot 19:00 uur bij eiser zal verblijven, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat [de vrouw] nalatig blijft aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,-, en voorts [de vrouw] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. [de vrouw] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [de vrouw] vordert samengevat – [de man ] te veroordelen tot ontzegging van het recht op omgang tussen [de man ] en [de minderjarige] en voorts [de man ] te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2. [de man ] voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. De reden van de vrouw voor stopzetting van de omgangsregeling is gelegen in de omstandigheid dat, naar [de vrouw] stelt, niet uit te sluiten valt dat er sprake is van seksueel misbruik van [de minderjarige]. Dit misbruik zou, zo verstaat de voorzieningenrechter [de vrouw], af te leiden, zijn uit de ook door de gynaecoloog vastgestelde aanwezigheid bij [de minderjarige] van zogeheten genitale wratten (condylomata acuminata).

5.2. Hoewel de conclusie van eis in reconventie, die namens [de vrouw] is opgesteld, niet met zoveel woorden vermeldt dat [de vrouw] [de man ] voormeld misbruik verwijt, ligt dit verwijt wel besloten in de stellingen die namens en door [de vrouw] ter zitting zijn betrokken. Niet uitgesloten moet echter worden dat [de vrouw] aangeeft te vermoeden dat het seksueel misbruik van [de minderjarige] in elk geval in de woning van [de man ] heeft plaats gevonden.

5.3. Een (impliciete) beschuldiging als de onderhavige is bezwaarlijk anders te bestempelen dan als een zeer ernstige beschuldiging. Gedragingen als die nu eiser worden verweten, zijn in het Wetboek van Strafrecht in Boek II, titel XIV als misdrijven tegen de zeden strafbaar gesteld. Indien dergelijke gedragingen bewezen zijn verklaard, wordt niet zelden een vrijheidsstraf van enige duur door de strafrechter opgelegd.

5.4. Daar komt bij dat de verdenking van een dergelijk feit een forse inbreuk maakt op de eer of de goede naam van degene die van dat feit wordt beticht.

5.5. Daarnaast is het gevolg van een dergelijke verdenking, ter zake waarvan de aanwijzingen voldoende concreet zijn, dat de omgang tussen de minderjarige en de van een dergelijk feit beschuldigde ouder die niet de dagelijkse zorg voor de minderjarige heeft, in het belang van het kind opgeschort dan wel beëindigd kan of dient te worden.

5.6. Een en ander brengt met zich mee dat in het kader van de beoordeling van het geding de stellingen van zowel [de man ] als [de vrouw] zorgvuldig en kritisch beoordeeld dienen te worden.

5.7. Het gaat met name om het belang van [de man ] om ongestoord zijn recht op family life in de betekenis van art. 8 EVRM te verwerkelijken enerzijds en anderzijds om het belang van [de vrouw] haar dochter in veiligheid en gezondheid op te voeden.

5.8. Niet in de laatste plaats staat het belang van [de minderjarige] om in veiligheid op te groeien centraal, alsmede haar belang om regelmatig omgang met haar vader te hebben.

5.9. In die sleutel zal de voorzieningenrechter de beoordeling van het geschil tussen beide ouders plaatsen.

5.10. [de man ] heeft aangevoerd dat [de vrouw] in eerste instantie als aanleiding voor het stopzetten van de omgangsregeling het feit dat het destijds nog geen twee-jarig (half-) broertje van [de minderjarige] haar onder de douche zou hebben betast. Later heeft, in de visie van [de vrouw], [de vrouw] aangevoerd dat [de man ] zich schuldig zou hebben gemaakt aan seksueel misbruik van [de minderjarige].

5.11. Namens [de vrouw] is ter zitting aangegeven dat [de minderjarige] gedrag vertoont dat niet bij een kind van die leeftijd zou passen. Zo zou [de minderjarige] in het bijzijn van haar moeder hebben gemasturbeerd en waarbij [de minderjarige] gezegd zou hebben dat [de man ] dat in het bijzijn van [de minderjarige] ook zou doen dan wel gedaan heeft. Tevens zou [de vrouw] signalen van school hebben opgevangen, waaruit zou blijken dat [de minderjarige] - meer dan normaal – aldaar op haar hoede zou zijn.

5.12. Op 14 december 2010 is [de vrouw] met [de minderjarige], naar aanleiding van haar bevindingen omtrent [de minderjarige], bij gynaecoloog dr. Y.S. Kurniawan, verbonden aan het Martiniziekenhuis te Groningen, geweest. In haar brief van 24 december 2010 gericht aan de, naar de voorzieningenrechter vermoedt, huisarts van [de vrouw], geeft dr. Kurniawan aan dat de auto-anamnese niet geleid heeft tot de informatie die zij nodig heeft om er achter te komen dat er sprake zou zijn van “seksuele kindermishandeling”. Haar conclusie, na fysiek onderzoek, is dat er sprake is van peri-anaal condylomata acuminata, oftewel genitale wratvorming die door middel van of langs seksueel contact kan ontstaan. Evenwel geeft de specialist aan dat zij “niet kan bewijzen dat er sprake is van seksueel misbruik”.

5.13. Namens [de man ] is aan de rechtbank overgelegd informatie over condylomata acuminata. Uit deze informatie komt naar voren dat dergelijke wratvorming zich ook kan voordoen bij jonge kinderen. Aangegeven wordt dat bij kinderen tot 3 jaar besmetting via de moeder (“verticale transmissie”) “meestal de oorzaak” is van voormelde aandoening. Seksueel misbruik als oorzaak wordt in de overgelegde overigens zeker niet uitgesloten geacht, met name niet als het besmette kind 3 jaar of ouder is. Aanbevolen wordt om bij een “serieuze verdenking” van dergelijk misbruik een vertrouwensarts in te schakelen. De voorzieningenrechter gaat op voorhand uit van de juistheid van deze informatie, hoewel hem de bron ervan niet geheel duidelijk is, aangezien de informatie enkel via www.huidziekte.nl blijkbaar de (raadsman van) [de man ] heeft bereikt. Overigens is laatstgenoemde informatie door [de vrouw] niet betwist.

5.14. Desgevraagd heeft [de vrouw] ter zitting aangegeven nog geen aangifte te hebben gedaan bij de politie. Op korte termijn zal [de vrouw] een zogeheten intake-gesprek met politiefunctionarissen voeren (dat, zo is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend, nog niet per se tot een aangifte hoeft te leiden). Het AMK is volgens de vrouw ingeschakeld; er zijn echter geen afschriften van stukken overgelegd waaruit blijkt dat het AMK deze kwestie in behandeling zou hebben.

5.15. De voorzieningenrechter heeft op grond van de hem ter beschikking gestelde informatie onvoldoende concrete aanwijzingen dat er sprake zou zijn van ook maar een vermoeden van seksueel misbruik van [de minderjarige]. De gynaecoloog heeft daaromtrent niets vastgesteld; uit hierboven genoemde bron leidt de voorzieningenrechter genoegzaam af dat vermelde aandoening bij [de minderjarige] evenzogoed anders dan door middel van seksueel contact veroorzaakt kan zijn. Zou er aanleiding zijn te veronderstellen dat de aanwijzingen voldoende concreet zijn, dan is het de vraag of de beschuldiging [de man ] zou treffen. Niet uit te sluiten valt immers dat anderen dan [de man ] [de minderjarige] misbruikt hebben. Overigens is hieromtrent niets aangevoerd.

5.16. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat bovenstaande leidt tot de vaststelling dat de inbreuk op het recht van [de man ], ontleend aan art. 8 EVRM, op grond van de aanwezige informatie, onevenredig groot is.

Daar komt bij dat het namens of door [de vrouw] aangevoerde vooralsnog niet zodanig is dat het de voorzieningenrechter gebleken is dat omgang tussen [de minderjarige] en haar vader ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] dan wel anderszins in strijd met haar belang zou zijn.

5.17. Al met al is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat de omgang tussen eiser en [de minderjarige] hersteld moet worden op de wijze zoals hieronder bepaald. De voorzieningenrechter wijst de eis in reconventie tot ontzegging van de omgang af.

5.18. Ter zitting is gebleken dat partijen over de inhoud van de overeenkomst van 29 maart 2007 van mening verschillen. [de man ] gaat uit van een vaststelling van de omgangsregeling, erop neerkomende dat [de minderjarige] één maal per veertien dagen gedurende weekeinde bij hem verblijft, te weten van vrijdagavond 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, alsmede elke zondag van 13.00 tot 17.00 uur. [de vrouw] heeft deze omvang ter zitting betwist en gesteld dat de regeling een weekeinde per veertien dagen omvat.

5.19. De - summiere - door beide partijen ondertekende overeenkomst bevat de clausule dat “de vader om de week het kind in het weekend [heeft], tenzij er anders wordt afgesproken”. Nu niet is gebleken dat er “anders” tussen partijen is afgesproken, kan er uit de tekst niets anders afgeleid worden dat de omgang tussen de vader en het kind - bedoeld zal zijn: [de minderjarige] - gedurende een weekeinde per twee weken zal zijn. Meer dan dat kan uit tekst noch bedoeling van de overeenkomst worden afgeleid.

5.20. De voorzieningenrechter bepaalt dan ook dat de omgang tussen [de man ] en [de minderjarige] zal plaatsvinden gedurende één weekeinde per veertien dagen, te weten van vrijdagavond 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur. De door [de man ] verzochte omgang op elke zondag van 13.00 uur tot 19.00 uur wordt om de in par. 5.19. gegeven reden afgewezen.

5.21. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat het partijen vrij staat om, ieder voor zich, een bodemprocedure inzake geschillen omtrent de omgang met [de minderjarige] aan de rechter voor te leggen. In deze procedure kan de rechter verzocht worden om de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek naar de veiligheid van [de minderjarige] te doen verrichten.

5.22. Nu geen afzonderlijk verweer is gevoerd tegen de gevorderde dwangsom zal deze eveneens worden toegewezen maar worden beperkt als na te melden.

5.23. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beoordeling in reconventie

6.1. Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en beslist zal de vordering van [de vrouw] zonder nadere bespreking daarvan worden afgewezen.

6.2. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. veroordeelt [de vrouw], binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, tot

nakoming van de omgangsregeling tussen [de man ] en voornoemde minderjarige zoals deze is overeengekomen door partijen, vastgelegd in de door partijen op 29 maart 2007 ondertekende overeenkomst, inhoudende dat de omgang één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur plaatsvindt;

7.2. bepaalt dat [de vrouw] voor iedere keer dat [de vrouw] in strijd handelt met het onder 7.1. bepaalde, aan [de man ] een dwangsom verbeurt van € 250,-, tot een maximum van € 2.500,- is bereikt;

7.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

7.5. wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

7.6. wijst de vorderingen af;

7.7. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2011.?