Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BQ0362

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
308956 - VV EXPL 11-13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet na handgemeen tussen werknemer en zijn werkleider. Werknemer doet primair beroep op nietigheid van het ontslag op staande voet.

Subsidiair kennelijk onredelijk ontslag en wedertewerkstelling. Afwijzing vorderingen. Werkgever is een werkvoorzieningschap dat uitvoering geeft aan de Wet Sociale Werkvoorziening. BBA is niet van toepassing op deze arbeidsovereenkomst. Regels omtrent ontslag moeten daarom worden getoetst aan de bepalingen van boek 7 BW. Uit artikel 7:677 BW volgt dat aan het niet in acht nemen van vormvereisten voor opzegging, niet de sanctie van nietigheid maar van schadeplichtigheid is verbonden.

Tevens is de sanctie van nietigheid niet verbonden aan de gestelde overtreding van een bepaling uit de arbeidsovereenkomst inhoudende het vragen van advies van het UWV.

De behandeling van subsidaire vordering gericht op de kennelijke onredelijkheid van het ontslag, leent zich daarnaast niet voor kort geding en evenmin is plaats voor wedertewerkstelling nu de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet op rechtsgeldige wijze is geëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Assen

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 308956 \ VV EXPL 11-13

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv van 28 maart 2011

in de zaak van

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [adres],

eisende partij,

gemachtigde: mr. B.R. Buwalda,

tegen

De publiekrechtelijke rechtspersoon Alescon,

hierna te noemen: Alescon,

gevestigd te 7903 AR Hoogeveen, Dieselstraat 3,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.J. Kragten.

De procedure

1.1. [eiser] heeft gevorderd om bij wege van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, uit te spreken dat het door Alescon gegeven ontslag nietig is en Alescon te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris vanaf 10 december 2010 tot aan 1 maart 2011, te weten € 6.656,35 bruto, de wettelijke verhogingen daarover, alsmede tot betaling van het gebruikelijke salaris van € 2.502,39 per maand vanaf 1 maart 2011 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen, kosten rechtens. [eiser] heeft zijn eis ter zitting aangevuld met een subsidiaire vordering inhoudende kennelijke onredelijkheid van het ontslag en wedertewerkstelling.

1.2. Nadat de zaak ter terechtzitting werd behandeld, van welke behandeling aantekeningen werden gemaakt, werd vonnis op heden bepaald.

1.3. De inhoud van alle stukken geldt als hier herhaald.

De vaststaande feiten

2.1. De kantonrechter zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de navolgende feiten en omstandigheden.

2.2. [eiser] is op basis van de Wet Sociale Werkvoorziening geïndiceerd op grond van lichamelijke beperkingen en is op 16 maart 1982 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Alescon. Alescon is een publiekrechtelijk lichaam (werkvoorzieningschap) dat uitvoering geeft aan de Wet Sociale Werkvoorziening.

2.3. Op 25 mei 1993 is het dienstverband van [eiser] beëindigd en op 1 november 1993 is hij opnieuw bij (de rechtsvoorganger van) Alescon in dienst getreden. [eiser] was laatstelijk werkzaam op de afdeling [X]. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Sociale Werkvoorziening van toepassing.

2.4. Op 19 juli 2010 heeft Alescon [eiser] een disciplinaire maatregel opgelegd in de vorm van een voorwaardelijke onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden.

2.5. Op 15 november 2010 heeft er, naar aanleiding van een incident op die dag tussen [eiser] en zijn werkleider [A], een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser], [A], de bedrijfsmanager [B] en HR-adviseur [C].

Na afloop van dit gesprek zijn afspraken gemaakt over onder meer de werkhouding van [eiser].

2.6. Op 8 december 2010 heeft een handgemeen tussen [eiser] en [A] plaatsgevonden. [eiser] is vervolgens geschorst gedurende het onderzoek naar deze gebeurtenis.

2.7. Bij schrijven van 10 december 2010 heeft Alescon [eiser] op staande voet ontslagen.

Bij schrijven van 3 januari 2011 heeft [eiser] de nietigheid van het gegeven ontslag ingeroepen. Alescon heeft het ontslag op staande voet bij schrijven van 14 januari 2011 gehandhaafd.

De grondslag van de vordering en het verweer

3.1. [eiser] stelt zich op standpunt dat de door Alescon aangevoerde redenen het ontslag op staande voet niet kunnen dragen aangezien zij [eiser] zelf in deze vervelende situatie heeft gebracht en het aan de handelswijze van Alescon is te wijten dat de situatie op 8 december 2010 is geëscaleerd. Bovendien heeft niet [eiser], maar zijn werkleider als eerste een slaande beweging gemaakt. [eiser] is van mening dat gelet op de werkomgeving van Alescon, het feit dat hij een dertigjarig dienstverband heeft en al geruime tijd arbeidsongeschikt is, hij niet zomaar ontslag op staande voet heeft kunnen krijgen en Alescon daarmee niet als een goed werkgever heeft gehandeld. Ten slotte is dit gegeven ontslag naar de mening van [eiser] in strijd met artikel 8 van de arbeidsovereenkomst nu Alescon geen advies van de commissie heeft gevraagd als bedoeld in artikel 12 WSW.

3.2. Alescon is van mening dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Zij heeft hiertoe primair aangevoerd dat het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) op grond van artikel 2 BBA niet van toepassing is op de arbeidsverhouding tussen [eiser] en Alescon waardoor het ontslag op grond van artikel 9 BBA niet vernietigbaar kan zijn. Subsidiair stelt Alescon zich op het standpunt dat zij de arbeidsovereenkomst met [eiser] op 10 december 2010 op goede gronden onverwijld heeft opgezegd. [eiser] heeft zich op 8 december 2010 ernstig misdragen door fysiek geweld te gebruiken tegen zijn werkleider. Deze gedragingen zijn aan te merken als een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW.

De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang wordt, gelet op de aard van de vorderingen van [eiser], voldoende aanwezig geacht.

4.2. De kantonrechter overweegt dat voor toewijzing van voorzieningen als door [eiser] gevorderd, het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat gelijkluidende vorderingen in een te voeren bodemprocedure zullen worden toegewezen.

4.3. [eiser] heeft zijn vorderingen primair gebaseerd op de vernietigbaarheid van het aan hem gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter overweegt voorshands dat nu tussen partijen niet in geschil is dat Alescon een publiekrechtelijk lichaam is, het BBA op grond van artikel 2 BBA niet van toepassing is op onderhavige arbeidsovereenkomst. Dit heeft tot gevolg dat de regels omtrent het ontslag van [eiser] niet beheerst worden door de artikelen 6 en 9 van het BBA, maar dienen te worden getoetst aan de bepalingen van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit artikel 7:677 BW volgt voorts dat aan het niet in acht nemen van vormvereisten voor opzegging van een arbeidsovereenkomst, niet de sanctie van nietigheid, maar van schadeplichtigheid is verbonden. Op grond van lid 4 van voornoemd artikel is het vervolgens de keuze van de wederpartij van degene die schadeplichtig is, om de zogenaamde gefixeerde schadevergoeding van artikel 7:680 BW dan wel volledige schadevergoeding te vorderen. Voor de vorderingen van [eiser] op de primaire grondslag, is op grond van voorgaande derhalve geen plaats.

4.4. Omtrent de door [eiser] opgevoerde subsidiaire grondslag van zijn vorderingen, te weten de nietigheid van het ontslag op grond van schending van artikel 8 van de arbeidsovereenkomst, overweegt de kantonrechter voorshands het volgende.

In artikel 8 van de door partijen gesloten arbeidsovereenkomst van 1 november 1993 staat

het volgende weergegeven: "Voordat werkgever de dienstbetrekking opzegt wegens een andere reden dan genoemd in de onderdelen a en b van het tweede lid van dit artikel, vraagt zij, conform artikel 6, derde lid WSW, advies van de commissie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, WSW."

De kantonrechter overweegt dat gelet op de wetswijzigingen van de Wet Sociale Werkvoorzieningen die sinds die tijd hebben plaatsgevonden, laatstelijk in 2008 (Stb. 2008, 600), in plaats van de dit artikel genoemde commissie, waar [eiser] ook naar verwijst, thans dient te worden gelezen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

Ongeacht de vraag of Alescon in onderhavig geval advies van het UWV had behoren te vragen, geldt evenwel dat aan overtreding van deze bepaling in de arbeidsovereenkomst niet de sanctie van nietigheid is verbonden waardoor het ontslag van [eiser] ook om deze reden dient te worden getoetst aan de bepalingen van boek 7 BW. Zoals in vorenstaande overwegingen is aangegeven, volgt uit artikel 7:677 BW dat aan het niet in acht nemen van vormvereisten voor opzegging van de arbeidsovereenkomst slechts de sanctie van schadeplichtigheid is verbonden. Gelet daarop is ook voor de vorderingen op de subsidiaire grondslag geen plaats. De kantonrechter voegt daaraan toe dat, blijkens artikel 11 lid 8 van de CAO voor de Sociale Werkvoorziening, bij een ontslag om dringende reden geen advies van het CWI, thans UWV is vereist.

4.5. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter bestaat er op grond van vorenstaande, wat er van de aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen ook zij, een gerede kans dat een bodemrechter in een eventuele bodemprocedure niet tot toewijzing van gelijkluidende vorderingen van [eiser] zal komen. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter deze vorderingen van [eiser] zal afwijzen.

4.6. Ten aanzien van de ter zitting aangevoerde subsidiaire vordering overweegt de kantonrechter voorshands dat aangezien een kort geding procedure zich niet leent voor een behandeling van een vordering gericht op de kennelijke onredelijkheid van het ontslag, de kantonrechter deze vordering eveneens zal afwijzen. De aard van de kort geding procedure, met name het voorlopig karakter daarvan, staat aan het wijzen van een constitutief vonnis in de weg. Nu de kantonrechter voorts voorlopig van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet op rechtsgeldige wijze is geëindigd, is er ten slotte voor de gevorderde wedertewerkstelling evenmin plaats.

4.7. Nu de vorderingen van [eiser] om vorenstaande redenen worden afgewezen, behoeven de overige stellingen en verweren van partijen geen bespreking meer.

4.8. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter recht doende als voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van Alescon begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G.J.J. Smits en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2011.

typ/conc: 181/ie

coll: