Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BP7636

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
19.700667-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens geweldpleging tegen burgers en politieambtenaren, gepleegd te Meppel op 20 november 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.700667-10

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 maart 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

[geboortedatum] 1993,

[adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 01 maart 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.E. Van der Zee, advocaat te Amsterdam.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 20 november 2010 te Meppel, opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 1]), meermalen, althans eenmaal, met kracht met zijn

vuist in het gezicht, althans op het hoofd heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 20 november 2010 te Meppel, opzettelijk mishandelend, een

persoon (te weten [slachtoffer 2]), meermalen, althans eenmaal, met kracht met

zijn vuist in het gezicht, althans op het hoofd heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 20 november 2010 te Meppel, opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 3]), meermalen, althans eenmaal, in het gezicht,

althans op het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 20 november 2010 te Meppel, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4],

werkzaam bij de regiopolitie Drenthe, gedurende en/of terzake van de

rechtmatige uitoefening van haar bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet met een geschoeide voet in haar gezicht,

althans op het hoofd heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 20 november 2010 te Meppel, opzettelijk mishandelend een

ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], werkzaam bij de regiopolitie Drenthe, gedurende

en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, met een

geschoeide voet in het gezicht, althans op het hoofd heeft getrapt, waardoor

voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 20 november 2010 te Meppel, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, te weten[slachtoffer 5],

werkzaam bij de regiopolitie Drenthe, gedurende en/of terzake van de

rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, een kopstoot

heeft gegeven in het gezicht, althans tegen het hoofd van[slachtoffer 5], terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 20 november 2010 te Meppel, opzettelijk mishandelend,

meermalen, althans eenmaal, een ambtenaar, te weten[slachtoffer 5], gedurende en/of

terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, een kopstoot heeft

gegeven in het gezicht, althans tegen het hoofd, waardoor voornoemde ambtenaar

letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 20 november 2010 te Meppel, [slachtoffer 6] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer6], dreigend de woorden

toegevoegd :"[slachtoffer 6], ik maak je dood. Voor jou wil ik wel zitten!", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Kromdijk acht hetgeen sub 1, 2, 3, 4 primair, 5 primair en 6 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 192 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde jeugdreclasseringstoezicht, hetgeen mede deelname aan ITB Harde Kern voor de duur van 6 maanden (vanaf de datum uitspraak) en een mogelijkheid tot behandeling dient in te houden;

* Een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen jeugddetentie.

* niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3] in haar vordering;

* toewijzing van de vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 5], groot € 250,00, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 5 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit, evenals de raadsvrouw van verdachte, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht met name niet bewezen, dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Bespreking van het bewijs

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft aangevoerd dat verdachte de mishandelingen ontkent en dat de naast de drie aangevers gehoorde getuigen niet melden dat verdachte één of meer van de aangevers heeft geslagen.

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, en 3 tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank komt tot dit oordeel op basis van de aangiftes van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], en de verklaringen van de getuigen [getuigen 1 en 2] en de verklaringen van verdachte ter terechtzitting. De rechtbank verstaat deze verklaringen van verdachte aldus dat hij respectievelijk de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geslagen.

De rechtbank baseert zich voor het bewijs op de navolgende bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 1] verklaart1 dat hij in november 2010 te Meppel is mishandeld. [slachtoffer 2] en hij zijn achter een jongen aangegaan die bij een auto zat. Hij kreeg van deze jongen, met een wit hemd aan, met kracht een klap met gebalde vuist in zijn gezicht. Hij had later pijn. Die jongen die hem had geslagen rende daarna op [slachtoffer 2] af en sloeg [slachtoffer 2]. Die jongen wilde vervolgens aangever weer aanvallen. Zijn tante [slachtoffer 3] kwam er tussen en zij ving tot twee keer toe de klap op.

Aangever [slachtoffer 2] verklaart2 dat hij, zijn vrouw [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] op 20 november 2010 te Meppel waren. Er zat een man bij een auto die wegliep toen aangever hem riep. [slachtoffer 1] en aangever renden achter die man aan. Die man, met wit shirt aan, werd aangesproken. Hij sloeg [slachtoffer 1] met de vuist op de wang en vervolgens gaf hij aangever een klap op de wang. Aangever voelde pijn. De vrouw van aangever kwam er bij. Die man sloeg met zijn vlakke hand de vrouw van aangever tweemaal op haar wang.

Aangeefster [slachtoffer 3] verklaart3 dat haar man [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de jongens liepen. Zij zag dat de jongen met het witte hemd [slachtoffer 1] sloeg op het gezicht. Haar man greep in en de jongen sloeg hierop haar man in het gezicht. Aangeefster zag dat die jongen over haar heen [slachtoffer 1] wou slaan, maar haar tweemaal op het gezicht raakte. Dit deed zeer en pijn en heeft een rode plek op de wang en hoofdpijn tot gevolg gehad.

Getuige [getuige 1] verklaart4 dat de man met het witte T-shirt om zich heen sloeg.

Getuige [getuige 2] verklaart5 dat de jongen met het witte hemd de hele tijd om zich heen sloeg en op een gegeven [slachtoffer 3] sloeg.

Uit de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] blijkt6 dat de aangehouden jongen met het witte shirt verdachte betreft.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de man bij de auto heeft (terug)geslagen en later de oudere man heeft geslagen.

Ten aanzien van feit 4:

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het onder 4 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letstel.

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door het met kracht met geschoeide voet trappen in het gezicht van het slachtoffer, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Deze gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.

De rechtbank baseert zich voor het bewijs op de navolgende bewijsmiddelen.

Aangeefster [slachtoffer 4] verklaart7 dat zij op 20 november 2010 te Meppel verdachte aantrof. Hij zat achterin in een auto. Zij stak haar hoofd door het geopende portier. Zij zag de linkervoet met kracht naar haar hoofd komen en voelde dat de voet haar met kracht raakte op haar voorhoofd waardoor hoofdpijn en een bult op haar hoofd is veroorzaakt.

Aangever [slachtoffer 5] verklaart8 dat verdachte op zijn rug in de auto op de achterbank lag, met zijn voeten naar het geopende portier waar verbalisant [slachtoffer 4] bijstond. Hij zag dat een voet met kracht uit de auto kwam en dat deze trap verbalisant [slachtoffer 4] vol in het gezicht raakte.

Verbalisant [verbalisant 2] verklaart9 dat verdachte in de auto zat. Verbalisant zag collega [slachtoffer 4] voorover bukken om tegen verdachte te praten. Hij zag een voet van verdachte met kracht richting het hoofd van collega [slachtoffer 4] trappen.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij in de auto zat en in het rond trapte en mogelijk daarbij verbalisant in het gezicht heeft geraakt.

Ten aanzien van feit 5:

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsvrouw vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer 5] (op pag 160ev van het PV);

- de verklaring van [verbalisant 2] (op pag 134ev van het PV)

- de verklaring [slachtoffer 1] (op pag 301 van het PV)

- de verklaring van [slachtoffer 2] (op pag 337ev van het PV)

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting

Ten aanzien van feit 6:

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het onder 6 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft aangevoerd dat onduidelijk is wie, wat op welk moment heeft gezegd.

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 6 tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank baseert zich voor het bewijs op de navolgende bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 6] verklaart10 dat op 20 november 2010 verdachte hem dreigde met de woorden: "[slachtoffer 6], ik maak je dood, ik wil voor jou wel zitten". Aangever voelde zich door deze woorden bedreigd.

Verbalisant [verbalisant 1] verklaart11 dat zij samen was met collega [slachtoffer 6] en dat zij hoorde dat verdachte begon te schreeuwen. Zij hoorde dat hij constant riep: "[slachtoffer 6] ik ga je vermoorden, ik heb hier wel 20 jaar voor over, ik vermoord je!"

Verbalisant [verbalisant 3]verklaart12 dat met hij met collega's was. Verdachte schreeuwde doodsbedreigende teksten, zoals: "[slachtoffer 6] ik maak jou kapot, voor jou wil ik wel 20 jaar zitten, [slachtoffer 6], Ik maak jou dood."

Verdachte verklaart13 dat hij tegen de politiemensen heeft gescholden: "ik maak je dood, ik maak je af. Ik pak je wel."

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 subsidiair en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 20 november 2010 te Meppel, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), met kracht met zijn vuist in het gezicht heeft gestompt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 20 november 2010 te Meppel, opzettelijk mishandelend, een persoon (te weten [slachtoffer 2]), met kracht met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 20 november 2010 te Meppel, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]), meermalen, tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.

hij op 20 november 2010 te Meppel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], werkzaam bij de regiopolitie Drenthe, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een geschoeide voet in haar gezicht heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op 20 november 2010 te Meppel, opzettelijk mishandelend, meermalen, een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5], gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, een kopstoot heeft gegeven tegen het hoofd, waardoor voornoemde ambtenaar

letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

6.

hij op 20 november 2010 te Meppel, [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 6], dreigend de woorden toegevoegd :"[slachtoffer 6], ik maak je dood. Voor jou wil ik wel zitten!".

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 subsidiair en 6 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1: mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 3: mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4 primair: poging tot zware mishandeling, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

strafbaar gesteld bij artikel 302 in verbinding met de artikelen 304 en 45 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 5 subsidiair: mishandeling, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

strafbaar gesteld bij artikel 300 in verbinding met artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 6: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht;

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychologisch rapport d.d. 15 februari 2011, opgemaakt door [deskundige], gz psycholoog.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -, dat verdachte voor het tenlastegelegde als licht verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen. De deskundige is hierbij van oordeel dat mogelijk het trauma rond de dood van verdachtes vader, die acht jaar geleden in zijn huis werd neergestoken, een rol heeft gespeeld bij de heftige reactie van verdachte.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare. De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in licht verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen rekening gehouden met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.

Verdachte is in conflict geraakt met de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], nadat zij verdachte, die zich verdacht bij een auto ophield, aanspraken. Verdachte, die onder invloed van alcohol verkeerde, heeft de slachtoffers vervolgens geslagen. Ook verdachte is tijdens het conflict geslagen. Slachtoffer [slachtoffer 3], die ter plaatse kwam, is door verdachte geslagen, terwijl verdachte probeerde [slachtoffer 1] te raken.

Nadat de gealarmeerde politieambtenaren ter plaatse kwamen werd verdachte gewelddadig tegen hen. Hij trapte politieambtenaar[slachtoffer 4] krachtig met zijn voet in het gezicht en gaf politieambtenaar [slachtoffer 5] een kopstoot. Tevens heeft hij politieambtenaar [slachtoffer6] met de dood bedreigd.

De rechtbank rekent verdachte met name het grove fysieke en verbale geweld tegen de politieambtenaren, die gewoon hun werk deden, zwaar aan. De gebeurtenissen hebben grote impact gehad op de betrokken politiemensen en het -korps en hebben ruime aandacht gehad in de (landelijke) media. De rechtbank houdt er tevens rekening met deze media-aandacht voor verdachte erg belastend is (geweest). Verdachte is in verzekering gesteld en heeft enige tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. Zijn voorlopige hechtenis is na enige tijd onder strikte en strenge voorwaarden, waaronder electronisch toezicht door middel van een enkelband, geschorst.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging voorts rekening met eerder vermelde eis van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw van verdachte. De raadsvrouw heeft gepleit voor het opleggen van Jeugdreclasseringstoezicht, hetgeen mede het afronden van de maatregel ITB Harde Kern en een ambulante behandeling zonodig deel van kan uitmaken. Tevens houdt de rechtbank rekening met de aanwezige, verdachte betreffende rapportages, en de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 27 januari 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld en de ter zitting gedane erkenning door de verdachte dat hij zich aan de op de dagvaarding ad-informandum gevoegde feiten onder de nummers 3 en 4 heeft schuldig gemaakt, welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke jeugddetentie -gelijk aan de preventieve hechtenis- en een voorwaardelijke jeugddetentie geboden is. De rechtbank is op basis van de rapportages en adviezen van psycholoog [deskundige] voornoemd, Bureau Jeugdzorg Drenthe en de Raad voor de Kinderbescherming van oordeel dat aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie als bijzondere voorwaarde jeugdreclasseringstoezicht dient te worden verbonden, hetgeen mede het afronden van de ITB Harde Kern en de mogelijkheid van na te noemen ambulante behandeling dient in te houden. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal dan ook niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [slachtoffer 5]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 5 subsidiair bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 27, 36f, 77a, 77h, 77m, 77n, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 5 primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 subsidiair en 6 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 subsidiair en 6 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- een jeugddetentie voor de duur van 102 dagen, waarvan een gedeelte groot 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Bureau Jeugdzorg Drenthe, hetgeen mede inhoudt dat de verdachte het reeds gestarte (in totaal 6 maanden durende) ITB Harde Kern traject afrondt en hetgeen mede kan inhouden dat verdachte zich ambulant laat behandelen op het gebied van krenkingen en frustratie, met opdracht aan eerder vermeld Bureau ingevolge art. 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

- een taakstraf bestaande uit 160 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet ontvankelijk is in haar vordering en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van de som van € 250,00 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], een bedrag van € 250,00 te betalen, en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, tevens plaatsvervangend kinderrechter, en mr. M.J. Oostveen en mr. B.I. Klaassen, rechters in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 15 maart 2011, zijnde mr. Oostveen buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 op pag 299ev van het proces-verbaal van politie Drenthe, registratienr: PL033T 2010081853 (het PV)

2 op pag 336ev van het PV

3 op pag 366ev van het PV

4 op pag 312 van het PV

5 op pag 340 van het PV

6 op pag 307 van het PV

7 op pagina 131ev van het PV

8 op pagina 160ev van het PV

9 op pagina 134ev van het PV

10 op pagina 195ev van het PV

11 op pagina 218 van het PV

12 op pagina 225/226 van het PV

13 op pagina 74ev van het PV

??

??

??

??

Parketnummer: 19.700667-10

Uitspraak d.d.: 15 maart 2011 11

vonnis