Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BP7443

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
11-03-2011
Zaaknummer
85154 / FA RK 11-500
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging voorlopige ondertoezichtstelling voor een periode van drie maanden. Nu niet vaststaat dat alle andere middelen hebben gefaald, wijst de kinderrechter het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot uithuisplaatsing van beide minderjarigen voor de duur van de ondertoezichtstelling af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Civiel

Beschikking d.d. 11 maart 2011

Zaaknummer 85154 / FA RK 11-500

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot (spoed) uithuisplaatsing

van de kinderrechter in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de minde[minderjarige 1]igen:

[minderjarige 1], geboren in de gemeente [[minderjarige 2]rtedatum] en

[minderjarige 2], geboren in de gemeente [geboortedatum]

kinderen van [ouders], beiden wonende te [adres].

Verloop van de procedure

De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 februari 2011 een voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden uitgesproken en een machtiging tot (spoed-) uithuisplaatsing in een voorziening voor crisisopvang gedurende dag en nacht van voornoemde minderjarigen verleend voor een periode van 4 weken. De kinderrechter heeft het verzoek voor het overige aangehouden. Al hetgeen in voornoemde beschikking is overwogen en/of beslist wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

De Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe (SBJD) heeft op 4 maart 2011 een (vervolg-) verklaring van [X] overgelegd.

Mr. L.H. Poortman-de Boer heeft, namens ouders, op 8 maart 2011 diverse processtukken overgelegd.

Op 9 maart 2011 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:

- [medewerkers], beiden namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad);

- [medewerkers], beiden namens de SBJD;

- ouders bijgestaan door hun raadsvrouw mr. L.H. Poortman-de Boer;

- de minderjarige [minderjarige 1].

Tevens is op verzoek van de raadsvrouw van de ouders verschenen [psycholoog]

Gronden van de beslissing

Voorlopige ondertoezichtstelling

Uit de overgelegde bescheiden en de verklaringen van de gehoorde personen, blijkt naar het oordeel van de kinderrechter dat de voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarigen, voornoemd, bekrachtigd dient te worden voor een periode van drie maanden.

Spoed uithuisplaatsing van de minderjarigen

De raadsvrouw van [minderjarige 1] heeft ter zitting aangevoerd dat de machtiging tot (spoed-) uithuisplaatsing van [minderjarige 1] onrechtmatig is afgegeven, nu hij toen geen gelegenheid heeft gekregen om een advcoaat te raadplegen. Daarmee is in strijd met art. 6 EVRM gehandeld, hetgeen de verleende machtiging rechtens van onwaarde maakt.

De kinderrechter overweegt hierover het volgende. Art. 29f lid 2 Wet op de jeugdzorg garandeert de jeugdige ten aanzien van wie verlening van een machtiging tot opname in een gesloten accommodatie wordt verzocht, rechtsbijstand door een raadsman. Nu door de Raad niet verzocht is om opvang van [minderjarige 1] in een gesloten jeugdaccommodatie, maar in een besloten accommodatie, is het niet aan de rechter de minderjarige te voorzien van rechtsbijstand als bedoeld in voornoemde bepaling. Met de raadsvrouw kan worden vastgesteld dat [minderjarige 1] op het moment dat hij dat wenste, geen mogelijkheid heeft gehad om de - gekozen - raadsman te raadplegen. Het moet er voor worden gehouden dat een en ander het gevolg is geweest van een te betreuren misverstand tussen de betreffende raadsman en SBJD, nu ter zitting de gang van zaken rondom de toegang van de raadsman tot [minderjarige 1] onduidelijk is gebleven.

De kinderrechter is van oordeel dat niet tekort is gedaan aan het recht op een eerlijke behandeling te dezen, nu niet gezegd kan worden dat [minderjarige 1] gedurende de gehele periode verstoken is gebleven van rechtsgeleerde bijstand. De kinderrechter verwerpt dan ook de stelling dat de machtiging van de kinderrechter van 23 februari 2011 in strijd met art. 6 EVRM is verleend, nog daargelaten het feit dat van een ‘criminal charge’ in de betekenis van art. 6 lid 3 EVRM in de onderhavige procedure geen sprake is. De machtiging tot (spoed-) uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is in elk geval daardoor niet onrechtmatig verleend.

In de zorgen rond [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zoals uit de overgelegde stukken en uit de verklaringen van de ter zitting gehoorde personen is gebleken, ziet de kinderrechter aanleiding de machtiging tot (spoed-) uithuisplaatsing van beide minderjarigen zoals deze door de kinderrechter bij beschikking van 23 februari 2011 is verleend, te bekrachtigen voor een periode van vier weken.

De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1]

Ten aanzien van het verzoek om, aansluitend aan de spoedmachtiging, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] gedurende dag en nacht te verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, overweegt de kinderrechter als volgt.

Ter zitting hebben de ouders van [minderjarige 1] aangegeven met de Raad in gesprek te willen gaan over de thuissituatie van [minderjarige 1] en over de door de Raad geconstateerde dreiging van de (sociaal-emotionele) ontwikkeling van [minderjarige 1]. De vertegenwoordigster van de Raad heeft ter zitting de toenadering tot de ouders bevestigd. De Raad ziet door de handreiking van de ouders mogelijkheden om de situatie rond [minderjarige 1] bespreekbaar te maken. Op grond daarvan heeft de Raad vastgesteld dat het perspectief van hulpverlening aan [minderjarige 1] en aan de ouders zonder meer aanwezig is. Naar het oordeel van de Raad kan de hulpverlening vooralsnog echter niet zonder de ondertoezichtstelling en de (besloten) uithuisplaatsing van [minderjarige 1].

De kinderechter overweegt hieromtrent dat de toenadering tussen de ouders en de Raad ten aanzien van de problematiek nog niet zonder meer betekent dat de in het rapport van de Raad omschreven ontwikkelingsproblematiek van [minderjarige 1] niet meer aanwezig is. De kinderrechter meent dat die zorg rond [minderjarige 1] terecht door de Raad is uitgesproken.

Met betrekking tot de vraag of [minderjarige 1] uit huis geplaatst moet worden, overweegt de kinderrechter dat de aanleiding daarvoor, de geconstateerde zorg, op zichzelf aanwezig is. Ook neemt de kinderrechter aan dat nader onderzoek van de geestelijke gesteldheid gewenst is. De vraag evenwel is of daartoe de maatregel als bedoeld in art. 1:261 BW noodzakelijk is. Gelet op het feit dat zowel de ouders als de Raad tot de slotsom zijn gekomen dat gezamenlijk overleg over en samenwerking met betrekking tot het toezicht op en hulpverlening aan [minderjarige 1] mogelijk is, is de kinderrechter van oordeel dat vooralsnog niet gezegd kan worden dat alle andere middelen dan de uithuisplaatsing gefaald hebben. De kinderrechter meent derhalve dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] thans niet langer noodzakelijk is. Het verzoek van de Raad tot verlenging van de machtiging van de uithuisplaatsing voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling zal dan ook worden afgewezen.

De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2]

Ten aanzien van het verzoek om, aansluitend aan de spoedmachtiging, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] gedurende dag en nacht te verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, overweegt de kinderrechter als volgt.

De zorg rond [minderjarige 2] is door zowel de Raad als door SBJD terecht uitgesproken. [minderjarige 2] is gedurende geruime tijd niet naar school geweest. Het feit dat [minderjarige 2] blijkbaar gezondheidsproblemen heeft, wordt door de kinderrechter niet ontkend of miskend, maar deze problemen rechtvaardigen geen schoolverzuim als waarvan hier sprake is. Ook acht de kinderrechter het zonder meer zorgwekkend dat de ouders [minderjarige 2] niet eerder hebben aangemeld bij de hulpverlening; integendeel zij hebben tot nu toe beiden de indruk gewekt dat [minderjarige 2] door hen bewust aan de hulpverlening wordt onttrokken. Het spreekt vanzelf dat de kinderrechter dit een uitermate zorgwekkende situatie vindt, hetgeen niet in het belang van [minderjarige 2] is. De kinderrechter tekent daarbij aan dat de ouders [minderjarige 2] hebben onttrokken aan het bepaalde in de beschikking van de kinderrechter van 23 februari 2011 en aan het bepaalde in het vonnis van de Voorzieningenrechter dd 7 maart 2011, door haar na de spoedprocedure niet aan de zorg van de Raad en/of van SBJD toe te vertrouwen. De kinderrechter tilt daar zwaar aan.

Met betrekking tot de verzochte maatregel van uithuisplaatsing van [minderjarige 2], overweegt de kinderrechter als volgt.

Ter zitting is genoegzaam vast komen te staan dat de problemen van [minderjarige 2] zich met name voordoen op het gebied van de schoolgang en van de toegankelijkheid tot [minderjarige 2]. Gelet op het gerapporteerde, kan de kinderrechter bezwaarlijk anders vaststellen dan dat [minderjarige 2] gedurende lange tijd niet, in elk geval zeer onregelmatig, haar school heeft bezocht. Tevens stelt de kinderrechter vast dat zij door de ouders buiten elke hulpverlening dan de door hen gekozen (medische) hulp is gehouden, waardoor elk toezicht op [minderjarige 2] tot nu toe ontbreekt. De vertegenwoordigers van SBJD, maar ook die van de Raad, hebben ter zitting naar het oordeel van de kinderrechter terecht juist die zorgpunten naar voren gebracht.

De kinderrechter is van oordeel dat de schoolgang van en de toegang tot [minderjarige 2] momenteel alle aandacht dienen te krijgen. De kinderrechter is evenwel niet tot de overtuiging gekomen dat deze doelen slechts door middel van de maatregel van de uithuisplaatsing bereikt kunnen worden. Ook ten aanzien van [minderjarige 2] kan vooralsnog niet gezegd worden dat met betrekking tot voornoemde zorgpunten alle overige middelen gefaald hebben. De kinderrechter tekent daarbij aan dat ter zitting beide ouders andermaal hebben aangegeven dat zij bereid zijn de vraagpunten omtrent het fysieke welzijn van [minderjarige 2] over te leggen aan een “onafhankelijke arts”. Wat daar van zij, het is de kinderrechter duidelijk geworden dat ook ten aanzien van [minderjarige 2] de ouders bereid zijn tot nader overleg met derden, waarvan de kinderrechter meent dat in elk geval de Raad en de hieronder te noemen instelling dat overleg dienen te initiëren en te begeleiden. Een en ander kan binnen het kader van de ondertoezichtstelling geschieden.

Op grond van het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de Raad om de maatregel als bedoeld in art. 1:261 BW met betrekking tot [minderjarige 2] toe te passen afwijzen, omdat vooralsnog de noodzaak daartoe ontbreekt.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter acht het raadzaam dat de ouders gedurende de maatregel van ondertoezichtstelling samenwerken met de Raad en met de hieronder te noemen instelling. Mochten de ouders de hulpverlening vanuit de Raad aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegenwerken, dan is ten aanzien van beide minderjarigen toepassing van de verdergaande maatregel van de uithuisplaatsing niet uit te sluiten, een en ander uiteindelijk ter beoordeling van de kinderrechter.

Voorts overweegt de kinderrechter dat hem ter zitting is gebleken dat de verhouding tussen SBJD en beide ouders te wensen over laat. De kinderrechter laat in het midden aan wie een en ander te wijten is, waarbij de kinderrechter aantekent dat niet de indruk is gewekt dat SBJD te dezen te kort is geschoten. Het feit dat de verhouding te wensen over laat, zou kunnen leiden tot een mogelijk averechts effect op de hulp en steun zoals die - op zichzelf vakkundig - door SBJD kan worden verleend, hetgeen uiteraard niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. De kinderrechter geeft de Raad ernstig in overweging de concrete hulp en steun aan [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en aan hun ouders te doen verlenen door een of meer medewerkers van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering.

Beslissing

De kinderrechter:

bekrachtigt de beschikking d.d. 23 februari 2011, waarbij de [minderjarige 1] en [minderjarige 2], voornoemd, voorlopig onder toezicht zijn gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe, met ingang van 23 februari 2011 voor een termijn van drie maanden;

bekrachtigt de beschikking d.d. 23 februari 2011, waarbij machtiging verleend is tot uithuisplaatsing van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2], voornoemd, in een voorziening voor crisisopvang met ingang van

23 februari 2011 voor een termijn van 4 weken, zonder een daartoe strekkend besluit in de zin van artikel 6, lid 1, Wet op de Jeugdzorg;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2011, in tegenwoordigheid van D.A. Slender, griffier, en door de rechter en de griffier ondertekend.-

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden. Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingesteld.