Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BP6305

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
10/447
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 19, vijfde lid, van de ZW is in het leven geroepen om de maatstaf ‘zijn arbeid’ in het geval van arbeidsongeschikten zonder werkgever, te ontdoen van karakteristieke kenmerken die behoorden bij de laatstelijk verrichte arbeid. Werkzaamheden die weliswaar onderdeel uitmaakten van de laatstverrichte arbeid, maar die daar gewoonlijk niet kenmerkend voor zijn, worden buiten beschouwing gelaten. Het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is ingevoerd vanuit de gedachte dat indien de (werkloze) verzekerde louter ongeschikt is voor de feitelijke omstandigheden en taken die tot de laatste functie behoorden, maar die niet inherent zijn aan de functie op zich en waarin hij toch niet meer terugkeert, dit leidt tot een ongewenste inactiviteit van deze zogeheten vangnetters. Derhalve is uitsluitend de geschiktheid voor de werkzaamheden zelf van belang, waarbij het overigens wel de bedoeling is om bij de beoordeling zo dicht mogelijk aan te sluiten bij het laatstverrichte werk.

Gezien de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval is de in artikel 19, vijfde lid van de ZW gelegen maatstaf in casu niet de juiste maatstaf om de geschiktheid voor ‘zijn arbeid’ te beoordelen en dient, hoewel eiser werkloos was, uit te worden gegaan van het werk dat eiser als klusjesman bij zijn voormalige werkgever verrichtte. Indien immers vastgehouden zou worden aan de in artikel 19, vijfde lid, van de ZW neergelegde maatstaf, zou dit een beoordeling betekenen die contrair is aan de achterliggende gedachte bij de totstandkoming van dit artikel.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 10/447 ZW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 1 maart 2011

in het geding tussen

[eiser], wonende te Erica, eiser,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2010 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 26 april 2010 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de beëindiging van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 1 mei 2010.

Namens eiser is bij brief van 2 juli 2010 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 januari 2011, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Abelen.

Voor verweerder is verschenen J.A. Klaver.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiser, geboren op 23 december 1959, was in het verleden werkzaam als voeger. Eiser is sinds 1992 bekend met chronische rugklachten met een statisch degeneratief karakter. Vanaf 28 november 1994 ontvangt eiser een WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

In de periode 28 april 2003 tot 31 december 2005 heeft eiser voor 40 uur per week als klusjesman gewerkt bij voegbedrijf [voegbedrijf]. De inkomsten zijn in mindering gebracht op de WAO-uitkering.

In het kader van een éénmalige herbeoordeling is eiser door verweerders verzekeringsarts Aardappel op 16 maart 2006 op het spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft een rapportage opgesteld, waarin wordt aangegeven dat er bij eiser sprake is van schouder-klachten, lage rugpijnklachten en venueuze insufficiëntie benen. De beperkingen van eiser zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 maart 2006.

De WAO-uitkering is daarna ongewijzigd voortgezet.

Ook vanaf 22 april 2006 tot het faillissement van [voegbedrijf] per 24 augustus 2009 heeft eiser weer op basis van tijdelijke contracten als klusjesman gewerkt. Per 11 augustus 2008 kwam de WAO-uitkering, gelet op de inkomsten, niet meer tot uitbetaling.

Op 30 november 2009 heeft eiser zich vanuit de WW ziek gemeld.

Eiser is op 17 december 2009 op het spreekuur gezien door verweerders verzekeringsarts Klompjan, die concludeerde dat geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de situatie per 16 maart 2006 en dat eiser per 1 januari 2010 geschikt is te achten voor zijn werk als klusjesman bij [voegbedrijf].

Tegen de hersteldverklaring heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. In dat kader is eiser op 19 januari 2010 op het spreekuur gezien door de bezwaarverzekeringsarts Van Zelst.

De bezwaarverzekeringsarts heeft met inachtneming van door de huisarts verstrekte informatie gerapporteerd dat eiser werkzaam was in aangepast werk, waarbij duidelijk rekening werd gehouden met de bestaande klachten. Eiser heeft dit werk langere tijd volgehouden. Ook thans moet eiser in staat worden geacht deze lichte, niet rugbelastende werkzaamheden te kunnen verrichten, daar zijn gezondheidstoestand niet wezenlijk is gewijzigd. Het bezwaar van eiser is ongegrond verklaard.

Op 1 april 2010 heeft eiser zich wederom vanuit de WW ziek gemeld in verband met verergering van de bestaande rugklachten. Op 26 april 2010 is eiser op het spreekuur gezien door verweerders verzekeringsarts Klompjan, die tevens informatie inwon bij de orthopaed Kamstra. De verzekeringsarts concludeerde dat eiser niet toegenomen arbeidsongeschikt is voor de maatgevende arbeid. Eisers toestand is te vergelijken met die op 11 augustus 2008 (bedoeld is: 16 maart 2006) en 1 januari 2010. In de FML zijn voldoende beperkingen voor rugbelastende arbeid opgenomen.

Bij besluit van 26 april 2010 is eiser hersteld verklaard per 1 mei 2010. Tegen dit besluit is namens eiser bezwaar gemaakt. Gesteld is dat uit onderzoek is gebleken dat er een verslechtering is opgetreden in eisers medische situatie. Er is niet inzichtelijk gemotiveerd dat de FML van 16 maart 2006 nog steeds past bij eisers toegenomen beperkingen. Er moeten o.a. ook beperkingen worden aangenomen ten aanzien van klimmen, klauteren, knielen, hurken en gebogen werken.

Voorts is aangevoerd dat het werk dat eiser als klusjesman verrichtte, een gecreëerde functie betrof, wat niet als gangbaar werk kan worden gezien. Er had arbeidskundig onderzoek moeten worden verricht naar de belasting van de functie en om te bezien of wel sprake was van een reguliere functie.

De bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen heeft eiser op 25 mei 2010 op het spreekuur gezien, waarbij tevens verzekeringsarts Volders aanwezig was. Eiser heeft aangegeven dat hij door de orthopaed is verwezen naar de fysiotherapeut; de therapie bestaat uit massage en spierversterkende oefeningen.

Eiser is tevens bevraagd met betrekking tot de door hem verrichte werkzaamheden bij [voegbedrijf].

De bezwaarverzekeringsarts heeft op 26 mei en aanvullend op 9 juni 2010, na kennisname van informatie uit de behandelend sector, gerapporteerd dat bij eiser sprake is van chronische lage rugklachten, waarbij het van belang is dat eiser de rug en rompspieren zo goed mogelijk in conditie houdt en zware belasting vermijdt. Daarnaast dient eiser de rechter schouder niet zwaar te belasten. Met name boven schouderhoogte werken geeft klachten en is met de rechter arm slechts in geringe mate mogelijk.

Het werk van opzichter/klusjesman heeft eiser geruime tijd verricht en daarmee ook een dusdanig substantieel inkomen gehad, dat de WAO-uitkering niet tot uitbetaling kwam. Dit laatstverrichte werk is gangbaar werk. Het is fysiek licht werk en volstrekt niet rug- of schouderbelastend. Er is dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat eiser dit werk op en na 1 mei 2010 niet zou kunnen verrichten.

Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep is gesteld dat het onzorgvuldig is dat er geen arbeidskundig onderzoek is verricht. Het is niet de taak van de verzekeringsarts om de belasting van een functie vast te stellen. Er had bovendien moeten worden gewacht op de informatie van de orthopaed alvorens tot een oordeel te komen.

De bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen heeft in zijn rapport van 7 juli 2010 op deze grieven gereageerd.

Beoordeling

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder bij het bestreden besluit van 11 juni 2010 het recht op ziekengeld met ingang van 1 mei 2010 heeft kunnen beëindigen.

Aan het bestreden besluit liggen de verzekeringsgeneeskundige rapportages van 26 april en 26 mei 2010 ten grondslag. De rechtbank stelt vast dat hierin het werk van opzichter/ klusjesman, zoals eiser dat verrichtte bij zijn voormalige werkgever, als ‘zijn arbeid’ is geduid.

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting gesteld deze maatstaf niet zozeer te bestrijden, als wel van mening te zijn dat de arbeidsdeskundige de werkinhoud had dienen te beoordelen en dat de (bezwaar)verzekeringsarts dat onzorgvuldig heeft geïnventariseerd. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de precieze inhoud van het voorheen verrichte werk niet relevant is, omdat eiser werkloos is en de maatstaf vergelijkbaar werk bij een vergelijkbare werkgever is; werkomstandigheden die specifiek horen bij het laatst verrichte werk, zijn daarbij niet van belang.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals in vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is vastgelegd is bij de beoordeling van de ongeschiktheid tot werken in de zin van artikel 19 van de ZW, de maatstaf arbeid de laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid feitelijk verrichte arbeid. Als hoofdregel geldt dat die ongeschiktheid wordt beoordeeld naar de aard, zwaarte en omvang van de laatstelijk voor de intrede van de ongeschiktheid tot werken feitelijk verrichte arbeid.

Ingevolge artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in het geval van een aanvraag voor een ZW-uitkering vanuit een situatie van werkloosheid verstaan “ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn”.

Bij deze maatstaf heeft verweerder zich ter zitting aangesloten. De rechtbank stelt vast dat dit echter een andere maatstaf is dan die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en ook een andere dan die eiser voorstaat.

De rechtbank overweegt dat artikel 19, vijfde lid, van de ZW in het leven is geroepen om de maatstaf ‘zijn arbeid’ in het geval van arbeidsongeschikten zonder werkgever, te ontdoen van karakteristieke kenmerken die behoorden bij de laatstelijk verrichte arbeid. Werkzaam-heden die weliswaar onderdeel uitmaakten van de laatstverrichte arbeid, maar die daar gewoonlijk niet kenmerkend voor zijn, worden buiten beschouwing gelaten. Het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is ingevoerd vanuit de gedachte dat indien de (werkloze) verzekerde louter ongeschikt is voor de feitelijke omstandigheden en taken die tot de laatste functie behoorden, maar die niet inherent zijn aan de functie op zich en waarin hij toch niet meer terugkeert, dit leidt tot een ongewenste inactiviteit van deze zogeheten vangnetters.

Derhalve is uitsluitend de geschiktheid voor de werkzaamheden zelf van belang, waarbij het overigens wel de bedoeling is om bij de beoordeling zo dicht mogelijk aan te sluiten bij het laatstverrichte werk.

Naar het oordeel van de rechtbank is gezien de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, de in artikel 19, vijfde lid van de ZW gelegen maatstaf in casu niet de juiste maatstaf om de geschiktheid voor ‘zijn arbeid’ te beoordelen en dient, hoewel eiser werkloos was, uit te worden gegaan van het werk dat eiser als klusjesman bij zijn voormalige werkgever [voegbedrijf] verrichtte. Indien immers vastgehouden zou worden aan de in artikel 19, vijfde lid, van de ZW neergelegde maatstaf, zou dit een beoordeling betekenen die contrair is aan de hiervoor geschetste achterliggende gedachte bij de totstandkoming van dit artikel.

Dit betekent dat in het bestreden besluit een juiste maatstaf is gehanteerd. Dat verweerder ter zitting een andere – en volgens de rechtbank voor dit geval een onjuiste – maatstaf heeft bepleit, maakt dat niet anders.

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts met de vereiste zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden en dat de conclusies inzichtelijk zijn gemotiveerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft de informatie van de huisarts en de orthopaed Kamstra in zijn beoordeling betrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aankopingspunten om te veronderstellen dat eisers beperkingen per 1 mei 2010 onjuist zijn ingeschat. Van de zijde van eiser zijn geen medische gegevens in het geding gebracht, waaruit kan worden afgeleid dat zijn gezondheidstoestand per datum in geding slechter was dan ten tijde van de eerdere beoordelingen.

De wijze waarop de (on)geschiktheid voor ‘zijn arbeid’ is beoordeeld, acht de rechtbank een juiste.

De bezwaarverzekeringsarts heeft eiser gevraagd naar de aard en belasting van dit werk. In zijn rapportage van 26 mei 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts hierover geschreven:

“Eiser verrichtte in het geheel geen voegwerkzaamheden; hij was opzichter over een ploegje van ca. 8 man, die de voegwerkzaamheden verrichtte. Hij moest er op toezien dat het werk op de juiste manier werd verricht. Daarnaast moest hij geregeld wat gereedschap of andere spullen ophalen of langsbrengen. Hij hoefde niets zwaar te tillen of te sjouwen. Eiser kon zijn eigen tijd indelen en staan, lopen en zitten afwisselen. De werkzaamheden waren in het geheel niet rugbelastend.”

Desgevraagd heeft eiser ter zitting gezegd dat hij zich in deze beschrijving van de werkzaamheden kan vinden.

De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de bezwaarverzekeringsarts een goed beeld heeft gehad van de inhoud en belasting van eisers werk bij [voegbedrijf]. Uit het dossier blijkt dat eiser in de periode 28 april 2003 tot 24 augustus 2009 op contractbasis in een aangepaste functie als klusjesman werkzaam is geweest. Blijkbaar is eiser ondanks zijn klachten in staat geweest dit werk, dat geheel op zijn mogelijkheden was toegesneden, gedurende zeer geruime tijd te verrichten. Bovendien heeft hij blijkbaar ook, gezien de diverse verlengingen van het arbeidscontract, naar tevredenheid gefunctioneerd.

Tijdens de zitting is door eiser nog een verklaring d.d. 11 januari 2011 ingebracht van zijn ex-werkgever, waarin deze aangeeft dat eiser met name het laatste halfjaar niet meer in staat was zelfs de lichte werkzaamheden, zoals het regelen en het toezicht houden op het werk op de bouwplaats te verrichten en eigenlijk maar wat verloren rondliep.

De rechtbank overweegt dat niet is aangegeven waarom, indien eiser inderdaad totaal niet meer productief was, zoals de werkgever verklaart, de werkgever desondanks van eisers diensten gebruik bleef maken. De rechtbank ziet in deze verklaring dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de belasting van dit werk, zoals door eiser zelf tijdens het spreekuur van 25 mei 2010 nader is toegelicht, onjuist dan wel te licht is vastgesteld.

De rechtbank constateert dat eiser zijn standpunt ten aanzien van de belasting van het eigen werk niet nader aan de hand van concrete gegevens heeft onderbouwd. De rechtbank heeft geen redenen om te veronderstellen dat een nader arbeidskundig onderzoek meerwaarde zou (kunnen) hebben.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder(s bezwaarverzekeringsarts) op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser, met de vastgestelde beperkingen, per 1 mei 2010 in staat was zijn arbeid als opzichter/klusjesman bij [voegbedrijf] te verrichten.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat verweerder het recht op ziekengeld van eiser per laatstgenoemde datum terecht heeft beëindigd. Het beroep slaagt niet.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, rechter, bijgestaan door H.J. Boerma, griffier.

H.J. Boerma mr. K. Wentholt

In het openbaar uitgesproken op 1 maart 2011

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op: