Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BP6246

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
19.830249-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft aan het verkeer deelgenomen terwijl hij van te voren alcoholhoudende drank had genuttigd. Verdachte heeft in die toestand een ongeval veroorzaakt en heeft daarna de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830249-10

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 01 maart 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te Emmen op [geboorte datum] 1948,

wonende [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 15 februari 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Anker, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2010, te Emmen in de gemeente Emmen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto (merk: Range Rover), daarmede rijdende over de weg, de Boermarkeweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, nadat verdachte, terwijl hij alcoholhoudende drank had gebruikt/genuttigd, het door hem bestuurde motorrijtuig voor/ter hoogte van de verkeerslichten op de kruising van de Boermarkeweg en de Van Schaikweg tot stilstand had gebracht, met dat voertuig hard/met verhoogde snelheid achteruit is gereden, waarbij een botsing is ontstaan met een politieauto, die zich achter het motorrijtuig van verdachte had opgesteld, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

inzittende(n) van de politieauto, zwaar lichamelijk letsel, te weten nekletsel/hersenschud-ding, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2010, te Emmen in de gemeente Emmen, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Range Rover), daarmee rijdende op de weg, Boermarkeweg, en nadat verdachte het door hem bestuurde motorrijtuig voor/ter hoogte van de verkeerslichten op de kruising van de Boermarkeweg en de Van Schaikweg tot stilstand had gebracht, met dat voertuig hard/met verhoogde snelheid achteruit is gereden, waarbij een botsing is ontstaan met een politieauto, die zich achter het motorrijtuig van verdachte

had opgesteld, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2. hij op of omstreeks 24 augustus 2010, te Emmen in de gemeente Emmen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto, merk: Range Rover), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 710 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3. hij op of omstreeks 24 augustus 2010, te Emmen in de gemeente Emmen, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Boermarkeweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander letsel en/of schade was toegebracht;

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennis-neming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Louwes acht hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 is tenlaste-gelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 100 uren werkstraf, subsidiair 50 dagen hechtenis;

* één maand gevangenisstraf, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering;

* 24 maanden ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingehouden is geweest.

Bewijsconstructie

Verdachte heeft op de terechtzitting van 15 februari 2011 de feitelijke gang van zaken rond de tenlastegelegde feiten erkend. Verdachte heeft verklaard dat hij op 24 augustus 2010 met zijn personenauto over de Boermarkeweg heeft gereden en dat hij van te voren alcohol had genuttigd. Bij stoplichten met de Van Schaikweg is verdachte gestopt voor het oranje verkeerslicht doch was daarbij de stopstreep al wel gepasseerd. Omdat hij het verkeerslicht niet kon zien is verdachte achteruit gereden en daarbij gebotst tegen de achter hem staande politieauto. Daarin bevonden zich [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Verdachte heeft verklaard dat hij nog wel in de linkerzijspiegel heeft gekeken voordat hij achteruit reed doch heeft daarbij de politieauto niet opgemerkt. Verdachte heeft zich niet op andere wijze vergewist of er zich verkeersdeelnemers achter hem bevonden.

Verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] geven in het proces-verbaal van bevindingen 1 d.d. 24 augustus 2010 aan dat verdachte linksaf de Van Schaikweg wilde oprijden maar eerst moest stoppen voor het rode licht. De verdachte stopte daarbij voorbij de stopstreep. Verbalisanten stopten achter de auto van verdachte, een Range Rover. Verbalisanten zagen dat de achteruitrijdlichten gingen branden en dat het voertuig vrijwel direct achteruit reed. Verbalisanten zagen en voelden dat de auto van verdachte tegen de politieauto aan reed. Nadat verbalisanten waren uitgestapt zagen zij dat verdachte met hoge snelheid wegreed. Verbalisanten stapten weer in de politieauto en reden achter verdachte aan met ingeschakelde optische- en geluidsignalen. Verbalisanten zagen dat verdachte op de rotonde rechtsaf sloeg en dat hij vervolgens zijn auto half op het trottoir parkeerde.

Verbalisant [slachtoffer 2] heeft van verdachte om 01.05 uur gevorderd mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek waarbij verdachte als uitslag een "F" blies. Op het bureau heeft verdachte om 01:38 uur meegewerkt aan de ademanalyse 2 met als resultaat 710 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht 3.

De raadsman heeft onder meer aangevoerd -kort gezegd- dat uit de medische verklaringen van de slachtoffers niet blijkt dat zij zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen dan wel dusdanig letsel hebben gehad dat zij enige tijd niet hebben kunnen werken. Daarmee kan het tenlastegelegde letsel of tijdelijke verhindering van de normale bezigheden niet worden bewezen. De raadsman stelt zich op het standpunt dat vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde moet volgen.

De rechtbank volgt de raadsman in zijn standpunt dat uit de beschikbare medische verklaringen niet kan worden afgeleid dat de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel is toegebracht door de aanrijding. De rechtbank is van oordeel dat daaruit wel kan worden afgeleid dat de slachtoffers enige tijd niet in staat waren hun dagelijkse bezigheden uit te oefenen.

De medische verklaring betreffende het slachtoffer [slachtoffer 2] d.d. 17 oktober 2010 4 houdt in dat de arts op 24 augustus 2010 bij het slachtoffer een beperkte bewegingsfunctie van de nek heeft geconstateerd en pijn bij druk op de spieren in de nek. Voorts was er sprake van misselijkheid. De arts constateert een hersenschudding.

Op 7 september 2010 heeft de arts het slachtoffer [slachtoffer 2] opnieuw gezien en geconstateerd dat zij nog niet hersteld is. De arts heeft het slachtoffer verwezen naar de neuroloog.

Voorts is er een medische verklaring d.d. 17 september 2010 betreffende het slachtoffer [slachtoffer 2] 5 opgemaakt door de neuroloog Jansen. De neuroloog geeft als geschatte duur van de genezing twee weken aan.

De medische verklaring betreffende het slachtoffer [slachtoffer 1] d.d. 30 september

2010 6 houdt in dat de arts op 27 augustus 2010 bij het slachtoffer een vermoeden heeft van niet uitwendig waarneembaar letsel alsmede dat er sprake is van psychische stoornissen. De geschatte duur van de genezing bedraagt twee tot drie maanden.

Op grond van deze medische verklaringen acht de rechtbank bewezen dat de slachtoffers tengevolge van de aanrijding zodanig letsel hebben bekomen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de intentie had om zich aan een aanhouding te onttrekken en daarom de plaats van het ongeval heeft verlaten. Verdachte heeft de kruising willen verlaten om niet ander verkeer in gevaar te brengen. Verdachte is daarom naar een rustiger gelegen weg gereden en daar gestopt. Verdachte heeft ook steeds aangegeven bij de politie dat hij voornoemde intentie niet had.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn standpunt. Het ongeval vond plaats op een tijdstip dat er weinig verkeer op de weg is. Voorts was het botspunt voor het kruisingsvlak en hebben verbalisanten geen melding gemaakt dat het overige verkeer hinder ondervond van de aanrijding.

Het had voor de hand gelegen dat verdachte na de botsing was uitgestapt om te informeren naar toestand van de inzittenden van de politieauto en om te informeren omtrent de verdere afdoening van het ongeval en de toegebrachte schade. Dat verdachte niet de intentie had om zich aan een aanhouding te onttrekken zodat zijn identiteit kon worden vastgesteld en gegevens konden worden uitgewisseld om de schade te kunnen regelen moge zo zijn doch verdachte heeft een verkeerd moment gekozen om dat aan de politie kenbaar te maken.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig bewezen dat verdachte de feiten 1 primair, 2 en 3 heeft begaan hetgeen leidt tot de navolgende bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 augustus 2010, te Emmen in de gemeente Emmen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto (merk: Range Rover), daarmede rijdende over de weg, de Boermarkeweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig, nadat verdachte, terwijl hij alcoholhoudende drank had genuttigd, het door hem bestuurde motorrijtuig voor/ter hoogte van de verkeerslichten op de kruising van de Boermarkeweg en de Van Schaikweg tot stilstand had gebracht, met dat voertuig achteruit is gereden, waarbij een botsing is ontstaan met een politieauto, die zich achter het motorrijtuig van verdachte had opgesteld, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], inzittenden van de politieauto zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2. hij op 24 augustus 2010, te Emmen in de gemeente Emmen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto, merk: Range Rover), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 710 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3. hij op 24 augustus 2010, te Emmen in de gemeente Emmen, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeerson-geval was veroorzaakt op de Boermarkeweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander letsel of schade was toegebracht;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd,

terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid van voornoemde wet,

strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994;

onder 2: overtreding van artikel 8, lid 2 aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994,

strafbaar gesteld bij artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994;

onder 3: overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994,

strafbaar gesteld bij artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan, met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte en met de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 18 januari 2011 waaruit blijkt dat de verdachte in 2006 voor het rijden onder invloed is veroordeeld tot een geldboete en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport dat over verdachte is uitgebracht door de Verslavingszorg Noord Nederland.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft aan het verkeer deelgenomen terwijl hij van te voren alcoholhoudende drank had genuttigd. Op weg naar zijn huis moest verdachte stoppen voor een stoplicht. Omdat hij te ver was doorgereden kon hij nadat hij stilstond de verkeerslichten niet meer zien. Verdachte is vervolgens achteruit gereden om de lichten goed te kunnen zien. Verdachte is vervolgens tegen de achter hem staande politieauto gebotst. Nog voor dat de agenten bij de auto van de verdachte konden komen ging verdachte er met verhoogde snelheid van door zo beschrijven de verbalisanten de actie van verdachte.

Verdachte kan geen goede verklaring voor zijn gedrag geven, waarom hij de plaats van het ongeval op die wijze heeft verlaten. Verdachte kan niet beamen dat daarbij de mate van alcoholgebruik van invloed is geweest. Verdachte heeft aangegeven dat hij mogelijk in paniek heeft gehandeld. Het dossier geeft daarvoor echter geen aanknopingspunten. Verbalisanten maken geen melding dat de bestuurder van de Range Rover in paniek was toen zij hem voor het eerst aanspraken, althans dat verdachte zich dusdanig gedroeg dat daarover gerapporteerd zou moeten worden.

De rechtbank rekent verdachte aan dat hij aan het verkeer heeft deelgenomen zoals dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt.

Anderzijds houdt de rechtbank bij de hoogte van de op te leggen straf rekening met de door verdachte getoonde belangstelling in het ziekteverloop van de slachtoffers.

De wijze waarop verdachte aan het verkeer heeft deelgenomen rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke rijontzegging. Verdachte heeft zich als verkeersdeelnemer zodanig gedragen dat de verkeersveiligheid daardoor in hoge mate in gevaar is gebracht. Bovendien heeft verdachte zijn voertuig bestuurd terwijl het alcoholgehalte van zijn adem zeer hoog was.

Door en namens de verdachte is aangevoerd dat een ontzegging van de rijbevoegdheid verdachte zal treffen omdat hij zijn rijbewijs voor zijn beroepsuitoefening nodig heeft. Verdachte is als directeur van een bouwbedrijf onder andere belast met de acquisitie en is daarvoor veelvuldig onderweg. Openbaar vervoer is in die omstandigheden niet een alternatief. Verdachte wordt ernstig belemmerd in zijn werk indien hij niet over een rijbewijs kan beschikken.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van de verdachte in onvoldoende mate opweegt tegen het belang van de verkeersveiligheid die door de verdachte in hoge mate in gevaar is gebracht. De verdachte zal naar alternatieven moeten omzien om zijn werkzaamheden te kunnen blijven uitoefenen. Door verdachte is niet aannemelijk gemaakt dat geen alternatieven voor handen zijn en de continuïteit van het bedrijf van verdachte in gevaar zou komen door het gemis van het rijbewijs van verdachte.

De rechtbank laat meewegen dat verdachte naar zijn zeggen sinds het ongeval geen alcohol meer heeft genuttigd en dat hij dat ook in de toekomst niet meer zal doen. Om verdachte daarin te steunen zal de rechtbank een deels voorwaardelijk rijontzegging aan hem opleggen.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat een matiging van de geëiste straf op zijn plaatst is.

De rechtbank acht naast een deels voorwaardelijke rijontzegging, een werkstraf op zijn plaats is. De rechtbank ziet af van het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf om het gevaar van herhaling af te wenden om reden dat verdachte voldoende lering lijkt te hebben getrokken uit de gebeurtenissen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

* een taakstraf bestaande uit 100 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen.

* een taakstraf bestaande uit 20 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, met opdracht aan die instelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

* De rechtbank ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijdsduur van 18 maanden waarvan een deel groot 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met de bepaling dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop deze bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van deze bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter en mr. C.P. van Gastel en mr. C. Brouwer, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 01 maart 2011.

1 dossierpagina 7 ev.

2 dossierpagina 9

3 dossierpagina 11

4 dossierpagina 38

5 dossierpagina 39

6 dossierpagina 50

??

??

??

??

Parketnummer: 19.830249-10

Uitspraak d.d.: 01 maart 2011 7

vonnis