Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:BP1522

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
14-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
83833 / KG ZA 10-324
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding inzake recht op omgang grootouders-kleinkind. Grootouders eisen als belanghebbenden te worden beschouwd. Tevens eisen zij dat Bureau Jeugdzorg Drenthe alle beslissingen omtrent kleinkind schriftelijk aan grootouders meedelen. Daarnaast vorderen grootouders dat de beslissing van Bureau Jeugdzorg Drenthe, de omgang tussen kleinkind en grootouders staken, wordt ingetrokken en wordt hersteld. Zij eisen ook een nader onderzoek door een deskundige naar de relatie grootouders en kleinkind. De voorzieningenrechter wijst de eisen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 83833 / KG ZA 10-324

Vonnis in kort geding van 14 januari 2011

in de zaak van

[eisers 1 en 2],

beiden wonende te Emmen,

eisers,

advocaat mr. R. Skála te Haren,

tegen

de stichting

STICHTING BUREAU JEUGDZORG DRENTHE,

gevestigd te Assen,

gedaagde,

Partijen zullen hierna [eisers] en de SBJD genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling op 7 januari 2011, alwaar partijen zijn verschenen.

- de pleitnota van [eisers]

- de pleitnota van de SBJD.

1.1. Ten slotte is vonnis bepaald.

1. De feiten

1.1. [eisers] zijn de ouders van [Y], hierna te noemen [Y]. [Y] heeft een minderjarige dochter [X], hierna te noemen [X], geboren op [geboortedatum].

1.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 december 2007 is [X] is onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn laatstelijk verlengd bij beschikking van 8 december 2010.

1.1. Bij beschikking van 27 augustus 2008 heeft de rechtbank het verzoek van [eisers] tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hen en [X] afgewezen.

1.1. Op 2 juni 2010 heeft de SBJD aan [eisers] mondeling kenbaar gemaakt dat [eisers] geen omgang en geen enkel contact met [X] mogen hebben.

1. Het geschil

1.1. [eisers] vordert - samengevat - de afgifte van de rapportage van de SBJD alsmede de rapportage van het NIFP, het laten uitvoeren van een aanvullend onderzoek door een deskundige, tot erkenning van [eisers] als belanghebbenden, en voorts alle beslissingen betreffende [eisers] schriftelijk te nemen en tot intrekking van de mondelinge beslissingen van 2 juni 2010, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom per overtreding per dag dat de SBJD in gebreke blijft, met veroordeling van de SBJD in de kosten van het geding.

[eisers] stellen onder meer dat zij ingevolge artikel 8 EVRM als belanghebbenden moeten worden gezien aangezien zij een verzorgende rol hebben gespeeld in het leven van [X], waardoor er sprake is van “family life”. Op grond daarvan stellen zij recht te hebben op inzage en afgifte van de door de SBJD opgestelde rapportage en de rapportage van het NIFP, te meer daar naar aanleiding van die rapportage de SBJD heeft besloten dat zij niet langer omgang en contact mogen hebben met [X]. Volgens [eisers] leidt het hebben van geen contact tot ernstige verstoring van de sociale en emotionele ontwikkeling van [X] hetgeen reeds blijkt uit een verslechtering van haar gedrag.

[eisers] vorderen dan ook aanvullend onderzoek door een deskundige naar de relatie [X]-grootouders te laten uitvoeren en de beslissingen van de SBJD in te trekken, zodat de omgang tussen [eisers] en [X] kan worden hervat.

1.1. De SBJD voert gemotiveerd verweer. Onder meer is aangevoerd dat de rapportage niet aan [eisers] mag worden afgegeven omdat [eisers] geen belanghebbenden zijn en dat afgifte van de rapportage van het NIFP niet is toegestaan omdat de rapportage tot de privacy van [X] en haar moeder behoort.

Ten aanzien van het hebben van geen omgang stelt de SBJD dat overeenkomstig de beschikking van de rechtbank wordt gehandeld. Ten overvloede voert de SBJD aan dat haar beslissing om te stoppen met de begeleiding van de omgang tussen [X] en haar grootouders niet uitsluitend is gebaseerd op de NIFP rapportage, maar ook op basis van informatie en observaties. Voorts stelt de SBJD dat zij zich voldoende geïnformeerd achten over de relatie [X]-grootouders om de hulpverlening uit te voeren, zodat nader onderzoek niet nodig is.

1.1. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

1. De beoordeling

1.1. Met betrekking tot het spoedeisend belang van eisers overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Door [eisers] wordt gedurende inmiddels geruime tijd gepoogd reguliere omgang met de minderjarige kleindochter [X] te realiseren. Hoewel door de rechtbank Assen bij beschikking van 27 augustus 2008 een door [eisers] verzochte omgangsregeling is afgewezen omdat de omgang tussen [X] en haar - gezagdragende – moeder toen prioriteit genoot, heeft de rechtbank in haar beschikking overwogen dat de [eisers] “in beginsel recht hebben op een omgangsregeling met [X]”. De rechtbank heeft daarnaast ten overvloede overwogen dat zij het in het belang van [X] acht dat de SBJD onderzoekt of en wanneer er sprake kan zijn van omgang tussen [X] en [eisers] Gedurende de afgelopen periode is door [eisers] diverse malen getracht de omgang tussen hen en [X] te herstellen. Ook heeft de SBJD onderzocht of een dergelijke regeling op een verantwoorde wijze ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Op 2 juni 2010 heeft de SBJD besloten dat tussen [eisers] en [X] geen omgang dient plaats te vinden. Aangezien deze beslissing als een zogeheten hulpverleningsinhoudelijke beslissing is beschouwd, heeft tegen die beslissing geen rechtsmiddel opengestaan. De voorzieningenrechter oordeelt dat [eisers], nu deze geen rechtsmiddel tegen voornoemde beslissing hebben kunnen aanwenden, belang hebben bij een op korte termijn te geven rechterlijke uitspraak inzake het door hen nog steeds gewenste omgangsrecht. De voorzieningenrechter neemt derhalve een spoedeisend belang aan.

1.1. Namens [eisers] heeft de advocaat aan de voorzieningenrechter verzocht eisers als belanghebbenden in de omgangsprocedure aan te merken. De voorzieningenrechter merkt ten aanzien van deze eis op dat, nu daarmee verzocht wordt om de juridische verhouding tussen partijen vast te stellen, hieraan in een procedure als de onderhavige, conform bestendige rechtspraak, niet tegemoet kan worden gekomen. Deze eis wordt dan ook afgewezen.

1.1. Om dezelfde reden zal de voorzieningenrechter de eis van [eisers], dat de SBJD alle beslissingen die, zo de voorzieningenrechter verstaat, omtrent de omgang tussen [X] en [eisers] zal nemen, schriftelijk zal nemen dan wel deze schriftelijk zal bevestigen aan eisers, afwijzen.

1.1. Evenmin kan gevolg worden gegeven aan de eis tot afgifte van de rapportage van het NIFP en van de rapportage van de SBJD zoals deze in april 2010 aan de rechtbank Assen is overgelegd. Immers, ingevolge art. 49 van de Wet op de Jeugdzorg verstrekt SBJD afschrift van bescheiden die zij met betrekking tot de cliënt onder zich hebben, enkel aan de cliënt. In art. 1 sub d Wet op de Jeugdzorg wordt aangegeven wie als ‘cliënt’ in de zin van die Wet wordt beschouwd: ‘een jeugdige, zijn ouders of stiefouders, of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden’. Gesteld noch bewezen is dat eisers tot de genoemde categorieën behoren. De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de gezagdragende moeder alsmede die van [X] staat daarnaast in de weg aan toewijzing van de eis aan [eisers]

1.1. Met betrekking tot de eisen die de door [eisers] gewenste omgang tussen hen en [X] betreffen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Eisers wensen intrekking van de beslissing van de SBJD van 2 juni 2010 waarin – kort gezegd – de omgang tussen [eisers] en [X] wordt ‘verboden’, en wensen vervolgens het herstel van de omgang. De voorzieningenrechter verstaat deze eis zodanig dat verzocht wordt de beslissing van de SBJD van 2 juni 2010 onrechtmatig te verklaren en daarvoor zijn eigen beslissing in de plaats te stellen. Daarnaast wordt verzocht een aanvullend onderzoek te doen verrichten inzake, zo begrijpt de voorzieningenrechter, de mogelijkheden tot omgang tussen [eisers] en [X] door een door de voorzieningenrechter aan te wijzen deskundige. De voorzieningenrechter begrijpt deze eis aldus, dat de door de SBJD - ten behoeve van de behandeling van de rechtbank Assen van het verzoek de machtiging tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [X] te verlengen - verzochte en opgemaakte NIFP-rapportage als onbetrouwbaar dan wel als onvolledig moet worden gekarakteriseerd, waardoor bedoelde rapportage niet aan de rechtbank had mogen worden aangeboden en de verlenging van beide maatregelen reeds op die gronden niet had mogen worden uitgesproken. Gelet op de samenhang tussen beide eisen, lenen zij zich voor gezamenlijke bespreking.

1.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij beschikking van de rechtbank Assen van 27 augustus 2008 de omgang tussen grootouders van moederszijde en [X] is afgewezen. Tegen deze beschikking is door eisers geen rechtsmiddel aangewend. Niet weersproken is de stelling dat de SBJD, daartoe aangespoord door de kinderrechter blijkens zijn beschikking van 27 augustus 2008, ondanks de afwijzing van het verzoek tot omgang, nagegaan heeft wanneer omgang tussen [eisers] en [X] (weer) mogelijk zou zijn. De SBJD heeft in juni 2010 evenwel beslist dat eisers geen contact meer mogen hebben met [X].

1.1. De voorzieningenrechter komt met betrekking tot beide eisen tot de volgende overwegingen. In de eerste plaats heeft het eisers vrij gestaan, een rechtsmiddel aan te wenden tegen de beschikking van de rechtbank Assen van 27 augustus 2008. Nu zij dit achterwege hebben gelaten, is die beschikking in kracht van gewijsde gegaan. De voorzieningenrechter neemt die beschikking dan ook als uitgangspunt, hetgeen impliceert dat [eisers] momenteel geen recht op omgang met [X] hebben. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat eisers zich kunnen beroepen op art. 8 EVRM, in het bijzonder op het recht op een gezinsleven of family life, maar in de uitoefening van dat recht ligt niet zonder meer een recht op omgang met hun kleindochter besloten. Evenwel sluit de voorzieningenrechter niet uit dat de omstandigheden rond [X] en haar familie zich op termijn zodanig ontwikkelen, dat ook omgang tussen haar en haar grootouders van moederszijde, mogelijk zal zijn. Het staat [eisers] vrij om op de voet van art. 1:377a BW de rechter te verzoeken het recht op omgang vast te stellen. Momenteel, zo stelt de voorzieningenrechter vast, is de communicatie tussen [eisers] en de SBJD zodanig dat zonder bemiddeling door derden, elk overleg tussen partijen vruchteloos is. Een eventuele facilitering van het recht op omgang met [X] stuit reeds daarom op onoverkomelijke problemen. Daar komt bij dat, gelet op de in het dossier liggende diverse rapportages over [X] en haar familie-omstandigheden, het de voorzieningenrechter voor komt dat een verzoek als bedoeld, tot nader advies van bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming noopt, zonder welk een rechterlijke beslissing hieromtrent niet valt te nemen. De voorzieningenrechter oordeelt dan ook dat in de huidige situatie er geen aanleiding is om de eis van [eisers] - de mondelinge beslissing van de SBJD van 2 juni 2010 in te trekken dan wel onrechtmatig te oordelen en de omgangsregeling conform de blijkbaar bestaande familietraditie te herstellen - toe te wijzen en dat er momenteel geen aanleiding is, nader - aanvullend - onderzoek te doen verrichten door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige. De voorzieningenrechter acht het geraden, [eisers] te wijzen op de mogelijkheid van een bodemprocedure ter zake, waarin de rechter, ten behoeve dan wel ter ondersteuning van het verzoek tot omgang met [X], wordt verzocht een deskundige aan te wijzen.

1. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van [eisers] af.

Dit vonnis is gewezen door A.L.M.J.A. Janssens, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2011.