Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2011:2255

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
83622 - HA RK 10-151
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

opheffing testamentair bewind; oud en nieuw recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ASSEN

83622 / HA RK 10-15112 oktober 2011

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 83622 / HA RK 10-151

Beschikking van 23 november 2011

in de zaak van

[verzoeker], wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde mr. J.J. Veldkamp, notaris gevestigd in de gemeente Borger-Odoorn,

en

de besloten vennootschap INSINGER DE BEAUFORT FAMILY & CHARITY OFFICE B.V., gevestigd te Amsterdam,

voorheen genaamd Associatie Cassa B.V.,

belanghebbende,

gemachtigde mr. D. Weewer.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift met bijlagen van mr. Weewer d.d. 18 januari 2011,

  • -

    de brief van mr. Weewer met bijlage d.d. 15 april 2011,

  • -

    de brief van mr. Veldkamp d.d. 28 april 2011,

  • -

    de mondelinge behandeling op 24 mei 2011,

  • -

    de brief met bijlagen (conclusie van repliek) van mr. Veldkamp d.d. 01 juli 2011,

  • -

    de brief van mr. Weewer d.d. 12 juli 2011.

De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Gemachtigden zijn namens partijen verschenen.

2 De beoordeling

De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoek dat er toe strekt:

  • -

    een door mevrouw [erflaatster 1] , geboren te [geboorteplaats erflaatster 1] op [geboortedatum erflaatster 1] 1928 en overleden te [plaats van overlijden erflaatster 1] op [datum van overlijden erflaatster 1] 1986, over haar vermogen ingesteld testamentair bewind op te heffen;

  • -

    een door mevrouw [erflaatster 2] , geboren op [geboortedatum erflaatster 2] 1898 en overleden op [datum van overlijden erflaatster 2] 1988, over haar vermogen ingesteld testamentair bewind op te heffen.

Verzoeker voert ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende aan.

[erflaatster 1] , moeder van verzoeker, heeft bij haar van kracht zijnde testament op [datum 1] 1986 over haar nalatenschap beschikt, in die zin dat in gemeld testament belanghebbende tot bewindvoerder is benoemd over haar vermogen dat – in zijn geheel - toekomt aan verzoeker in zijn hoedanigheid van enig kind en erfgenaam.

[erflaatster 2] , oma van verzoeker, heeft bij haar van kracht zijnde testament op [datum 2] 1986 over haar nalatenschap beschikt, in die zin dat in gemeld testament belanghebbende tot bewindvoerder is benoemd over 9/10e gedeelte van haar vermogen dat verzoeker verkrijgt in zijn hoedanigheid van kleinzoon en erfgenaam. [erflaatster 2] heeft haar schoondochter, [schoondochter erflaatster 2] , voor het overige 1/10e gedeelte van haar vermogen als erfgename benoemd.

Volgens verzoeker kan krachtens het bepaalde in artikel 4:178 lid 2 BW na verloop van vijf jaren na het overlijden van de erflater op verzoek van de rechthebbende het bewind worden opgeheven, mits aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Beide erflaters zijn langer dan vijf jaren geleden overleden. Voorts heeft mevrouw Dra [huisarts] , huisarts te [vestigingsplaats huisarts] , gemeente Borger-Odoorn, in een schriftelijke verklaring verklaard dat verzoeker zeer wel in staat is zijn eigen vermogen op verantwoorde wijze te beheren en dat verzoeker zeker in staat is dit op een goede manier te doen en dat er geen sprake is van een geheugen of welke psychische stoornis dan ook. Het testamentair bewind is volgens verzoeker niet ingesteld omdat hij onbekwaam zou zijn, maar uit het feit dat [erflaatster 1] de onroerende zaak in zijn geheel in stand wilde blijven houden. Verzoeker is gehuwd geweest; zijn echtgenote is overleden. Bij een nieuw huwelijk zou de toekomstige echtgenote van verzoeker bij een vooroverlijden van verzoeker in de positie kunnen komen te verkeren dat zij wel over de nalatenschap kan beschikken, waarover hij zelf geen beschikkingsbevoegdheid heeft.

Belanghebbende verzet zich tegen inwilliging van dit verzoek en heeft daartoe gemotiveerd verweer gevoerd. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat opheffing van het bewind niet mogelijk is op basis van artikel 134 Overgangswet (OBW). Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar een bij het verweer gevoegd Memorandum van notaris mr. R.H. Meppelink, als notaris verbonden aan Loyens & Loeff te Amsterdam, gedateerd 26 september 2006.

Belanghebbende stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat het verzoek niet gebaseerd kan worden op artikel 4: 178 BW jo artikel 134 OBW, aangezien op het huidige testamentaire bewind het oude erfrecht van toepassing is. Dit oude erfrecht sluit een opheffing van dat bewind uit. Nu in het testamentaire bewind is bepaald dat het bewind dient te gelden voor de duur van het leven van de rechthebbende (verzoeker) dient het verzoek te worden afgewezen.

Verzoeker heeft het verweer van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of zij bevoegd is van het verzoek kennis te nemen dan wel de rechtbank Amsterdam. In zaken die volgens afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 BW met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, is relatief competent de rechter van de woonplaats van de rechthebbende. De rechthebbende heeft echter een afgeleide woonplaats: voor zaken die de uitoefening van het bewind betreffen, volgt hij de woonplaats van de bewindvoerder. De conclusie luidt dat de rechter van de woonplaats van de bewindvoerder relatief bevoegd is.

Volgens het bepaalde in artikel 268, lid 1, 2e volzin Rv jo art. 1: 12, lid 2, BW is de rechtbank Amsterdam derhalve de bevoegde rechter om van het verzoek kennis te nemen.

Nu belanghebbende evenwel geen beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank Assen heeft gedaan, zal de rechtbank niet ambtshalve overgaan tot een onbevoegdverklaring en een verwijzing naar de rechtbank Amsterdam. Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook uit het oogpunt van proceseconomische redenen geen verwijzing (meer) behoort plaats te vinden, aangezien dit met zich mee zou brengen dat de gehele procedure opnieuw gevoerd dient te worden, terwijl de wederzijdse standpunten van partijen zich niet zullen wijzigen.

Ten aanzien van het verzoek tot opheffing van het bij eerdergenoemde testamenten ingestelde bewind overweegt de rechtbank voorts als volgt.

In het onderhavige geval heeft erflater [erflaatster 1] in haar testament, opgemaakt op [datum 1] 1986, onder andere het volgende bepaald:

“(…)

2. Voor het geval mijn nalatenschap wordt verkregen door mijn zoon […] erfgenaam en/of mijn echtgenoot als vruchtgebruiker tot die nalatenschap gerechtigd wordt, bepaal ik dat mijn totale vermogen onder bewind wordt gesteld.

(…)

Het bewind vangt aan op de dag van mijn overlijden en eindigt bij het overlijden van de langstlevende van mijn echtgenoot en mijn zoon.

(…)

C. Voorts bepaal ik dat hetgeen uit mijn nalatenschap wordt verkregen niet zal vallen in enige huwelijksgoederengemeenschap waarin de verkrijger gerechtigd mocht zijn of worden, en niet in aanmerking mag worden genomen bij de toepassing van enig afrekenbeding, behoudens voor wat betreft een afrekenbeding ten aanzien van onverteerde inkomsten.

D. onder de last van bovenstaande bepalingen benoem ik tot mijn enig erfgenaam mijn zoon [verzoeker] .

(…)”

Erflater [erflaatster 2] heeft in haar testament, eveneens opgemaakt op [datum 2] 1986, onder andere het volgende bepaald:

“(…)

C. Ik stel al hetgeen [verzoeker] voornoemd, uit mijn nalatenschap verkrijgt, onder bewind en bepaal ten aanzien van het bewind het navolgende:

(…)

1. Het bewind vangt aan op de dag van mijn overlijden en eindigt bij het overlijden van [verzoeker] , voornoemd.

(…)”

Erflaatster [erflaatster 1] is overleden op [datum van overlijden erflaatster 1] 1986. Erflaatster [erflaatster 2] is overleden op [datum van overlijden erflaatster 2] 1988. De heer [echtgenoot erflaatster 1] , echtgenoot van erflaatster [erflaatster 1] tevens vader van verzoeker, is overleden op [datum van overlijden echtgenoot erflaatster 1] 2008.

Oud erfrecht

Door de negentiende-eeuwse ontwerpers van het oude Burgerlijk Wetboek (BW) was verzuimd aan het testamentaire bewind een behoorlijke invulling te geven. Aangaande het testamentair bewind was het oude erfrecht daardoor verre van volledig. De doctrine en de jurisprudentie hebben bepaald wat rechtens over het testamentair bewind heeft te gelden. Op basis van de oude wettekst konden de volgende vormen van testamentair bewind onderscheiden worden:

  • -

    artikel 4:1066: het ‘zelfstandige’ beschermingsbewind over aan erfgenamen of legatarissen nagelaten goederen;

  • -

    artikel 4:1025: het ‘afhankelijke’ bewind over onder fidei-commissair verband gebrachte goederen gedurende de tijd van het bezwaar;

  • -

    artikel 3:204: het ‘afhankelijke’ bewind over goederen waarop een gelegateerd vruchtgebruik rust.

Bij het inwerking treden van het nieuwe erfrecht per 1 januari 2003 is artikel 4:1066 (oud) BW komen te vervallen. Het artikel 4:1066 (oud) BW-bewind werd ingesteld met het oog op de persoon van in casu de vruchtgebruiker, in verband met diens onervarenheid of ondeskundigdheid. Het artikel 4:1066 (oud) BW-bewind is dus veelal een bewind in het belang van de vruchtgebruiker. In de terminologie van de huidige wetgeving wordt dit bewind gekwalificeerd als een bewind in het belang van de rechthebbende. Bij een dergelijk bewind acht de insteller de rechthebbende dus niet voldoende in staat zijn goederen te beheren.

Op grond van artikel 3:204 BW kan bij uiterste wil een bewind worden ingesteld over ‘een daarbij gelegateerd vruchtgebruik of over de goederen waarop het rust.’ Het artikel 3:204 BW-bewind diende ter bescherming van de vruchtgebruiker en de rechthebbende ten opzichte van elkaar. Het artikel 3:204 BW-bewind was een bewind in zowel het belang van de vruchtgebruiker als in het belang van de bloot-eigenaar.

Vanwege de onvolledigheid van het oude erfrecht nam de erflater vaak zelf de nodige bepalingen omtrent het bewind in zijn uiterste wil op.

Nieuw erfrecht

Voor het nieuwe erfrecht heeft de wetgever de testamentaire bewindregeling vanaf het fundament moeten opbouwen. Oorspronkelijk wilde men in het NBW aan de onvolledigheid en het naast elkaar bestaan van de diverse bewindregelingen een eind maken door de invoering van een titel “Bewind” in het algemeen gedeelte van het vermogensrecht: titel 3.6 NBW. Deze titel is bij de invoering van het nieuwe BW ‘losgekoppeld’ vanwege de complexiteit van de regeling.

Tijdens de parlementaire behandeling van titel 3.6 NBW is gediscussieerd over de vraag hoe lang een erflater aan de erfgenaam de vrije beschikking over het geërfde behoort te kunnen onthouden. Een bewind dat voortduurt na de dood van de erfgenaam of legataris werd in ieder geval als maatschappelijk ongewenst beschouwd.

In de oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel stond het volgende bepaald:

artikel 3.6.2.2. 1. De rechtbank van de woonplaats van de bewindvoerder kan de regels krachtens welke een bij rechtshandeling ingesteld bewind moet worden gevoerd, op verzoek van de bewindvoerder of de rechthebbende aanvullen.

2. Zij kan ook de bij de instelling gegevens regels van bewind wijzigen of zelfs het bewind geheel of ten dele opheffen, doch een en ander slechts op grond van bijzondere omstandigheden die bij de instelling van het bewind niet te voorzien zijn geweest.”

In de Toelichting van Memorie staat vervolgens vermeld dat een bevoegdheid die aan de rechter ook ten aanzien van overeenkomsten van lange duur is gegeven, hem zeker niet ten aanzien van een instelling van bewind dient te worden onthouden. De rechter kan volgens dit artikel zelfs zover gaan, dat hij het bewind geheel of ten dele opheft. Deze bevoegdheid is vooral op haar plaats ten aanzien van het door de rechthebbende zelf ingestelde bewind over goederen die hem blijven toebehoren. De redenen die de rechthebbende tot instelling van een zodanig bewind hebben kunnen brengen zijn vele, maar volgens de tekst van de Toelichting van Memorie verliezen deze allicht in de loop der tijden hun grond; ook al is het bewind voor een bepaalde tijd of voor het leven van de rechthebbende ingesteld, niettemin dient de rechter wijziging te kunnen brengen. Deze bevoegdheid komt de rechter niet alleen toe bij het bewind ingesteld over goederen die aan de insteller blijven toebehoren, maar ook in geval bij testament of schenking een bewind is ingesteld. Hier dient de rechter volgens de Toelichting van Memorie met meer voorzichtigheid te werk te gaan, omdat de wil van hem die het heeft ingesteld voor de gehele duur van het bewind op de voorgrond moet staan. Is deze persoon in leven, dan dient slechts in hoge uitzondering tegens diens wil het bewind te worden opgeheven; is hij overleden, dan zal evenmin tegen de klaarblijkelijke bedoeling van de insteller dienen te worden ingegaan (Parl. Gesch., boek 3, p. 541).

De toelichting van prof. Meijers (blz.247 (a)) gaat ervan uit, dat de rechter een wijzigingsbevoegdheid behoort te bezitten ten opzichte van overeenkomsten van lange duur. Omdat er ook voor bewind geen algemene grens is gesteld en reeds om die reden mag de kans niet worden verwaarloosd dat in onvoorziene situaties de toepassing van de aanvankelijk voor het bewind vastgestelde regels tot onredelijke resultaten zou leiden (Parl. Gesch., boek 3, p. 542).

Door een tweetal kamerleden werd sterk aangedrongen op introductie van een wettelijke mogelijkheid voor de rechter het bewind na bepaalde tijd op te heffen, als objectief gezien aan het bewind geen behoefte meer zou bestaan. Zo merkt de heer Geurtsen (VVD) op dat de rechter op grond van artikel 3.6.2.2 slechts kan wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden. Volgens de heer Geurtsen dient de rechter meer vrijheid te krijgen om een einde te maken aan een bewind en hij dient dan niet gebonden te worden aan de enige grond van onvoorziene omstandigheden. Volgens de heer Geurtsen zal er een aparte voorziening getroffen moeten worden voor met name het testamentair bewind, omdat zich daar het meest voordoet en zal voordoen dat de rechthebbende tot de conclusie komt dat het ingestelde bewind een toestand veroorzaakt die onverdraaglijk aan het worden is. Regeringscommissaris Snijders zegde toe, na aanvankelijk tegen het voorstel bezwaar te hebben gemaakt, het voorstel in het kader van de invoering van het erfrecht “op te pakken.” Hij merkt op dat het eigenlijk gaat om de vraag in hoeverre de erflater na zijn dood zijn invloed nog kan blijven uitoefenen op de, mogelijk langdurige, verhouding van het bewind.

De heer Snijders ziet dat liever niet als een probleem van het algemene artikel 3.6.2.2, maar hij zou het opnieuw willen aansnijden bij behandeling van de invoeringswet van Boek 4 in het kader van het erfrecht, waar het ingepast kan worden in de andere bepalingen betreffende het erfrecht (Parl. Gesch., boek 3, p. 543-546).

In 1991 presenteerde de minister een volledig gereviseerde afdeling 4.4.7, gewijd aan het testamentair bewind, ter vervanging van de oorspronkelijke regeling die slechts een viertal artikelen telde. Volgens de toelichting week het resultaat inhoudelijk niet af van de gereserveerde titel 3.6, zodat de parlementaire stukken dienaangaande hun belang zouden behouden.

Een testamentair bewind treedt, tenzij anders is bepaald, in werking op het tijdstip van overlijden en eindigt door het verstrijken van de termijn waarvoor het is ingesteld (artikelen 4.4.7.1 en 4.4.7.1w). Heeft de erflater geen duur vastgesteld, dan eindigt een bewind dat uitsluitend in het belang van de rechthebbende is ingesteld door overlijden van de rechthebbende (artikel 4.4.7.2 lid 1) of door opheffing door de rechtbank. Voor de duur van een bewind ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende, geldt niet zonder meer dat het bij overlijden van de rechthebbende eindigt. Een zodanig bewind eindigt van rechtswege indien het belang is vervallen (artikel 4.4.7.3 lid 1).

Artikel 4.4.7.2 lid 2 geeft een nieuwe beëindigingsmogelijkheid voor een bewind dat uitsluitend in het belang van de rechthebbende is ingesteld, namelijk opheffing door de rechtbank. De hier geboden mogelijkheid om een bewind door de rechter op te laten heffen vindt haar oorsprong in de parlementaire discussies over titel 3.6, toen kamerleden – zoals hiervoor reeds overwogen – aandrongen op de invoering van een wettelijke beëindigingsmogelijkheid door de rechter (TK 17 141, nr. 4, p. 29; ibid. nr. 3, p. 65-66, en Tweede NvW, nr. 9, p. 21, verwijzend naar Parl. Gesch. Boek 3, p. 543-546).

In artikel 4.4.7.3 van de Invoeringswet (17 141, nr. 4, p. 29) werd vervolgens ter uitvoering van de suggestie van voornoemde kamerleden onder meer bepaald, dat een bewind – dat in het belang van de rechthebbende is ingesteld – op verzoek van de bewindvoerder door de rechter kan worden opgeheven, indien aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Na verloop van vijf jaren na het overlijden van de erflater kan de rechter het bewind ook op verzoek van de rechthebbende opheffen, indien aannemelijk is dat hij de goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. In de Memorie van Toelichting op dat artikel wordt als motivering gegeven, dat het gerechtvaardigd is het bewind te beëindigen indien aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen (Invoeringswet 17 141, nr. 3, p. 65-66).

In de toelichting bij de tweede Nota van Wijziging wordt aan het in dit onderdeel gememoreerde gerefereerd, en opgemerkt dat getracht is een weg tot opheffing van het bewind te vinden indien dat geen goede zin meer heeft of zelfs als vexatoir moet worden beschouwd (17 141, nr. 9, p. 21). Dient een bewind geen redelijk doel meer, dan is de voortduring ervan niet langer vanzelfsprekend.

Per 1 januari 2003 is het nieuwe erfrecht uiteindelijk in werking getreden. In Boek 4 (nieuw) BW is een algemene regeling van het bewind opgenomen die op alle vormen van testamentair bewind van toepassing is.

De nieuwe regeling in Boek 4 is derhalve gebaseerd op de voorgestelde regeling in titel 3.6 en op titel 1.19 (het zogenoemde meerderjarigen- of beschermingsbewind). De bewindregeling volgens nieuw recht is grotendeels regelend recht. De erflater kan nog steeds op vele punten aan het bewind een eigen inhoud geven.

Artikel 4:153 (nieuw) BW bepaalt in het eerste lid dat een erflater bij uiterste wilsbeschikking bewind kan instellen over een of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen. Uit lid 2 volgt dat het bewind in werking treedt op het tijdstip van zijn overlijden, tenzij de erflater anders heeft bepaald.

Artikel 4:155 (nieuw) BW geeft vier rechtsvermoedens waarom een bewind kan zijn ingesteld. Uitgangspunt is dat het bewind wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang van de rechthebbende (eerste lid), tenzij een van de andere drie leden van dit artikel van toepassing is.

Artikel 4:177 (nieuw) BW bepaalt voorts in het algemeen dat het bewind van rechtswege eindigt door het verstrijken van de termijn waarvoor het werd ingesteld. Blijkens de eerder aangehaalde parlementaire geschiedenis mag een erflater immers niet de macht hebben om langer dan een mensenleven goederen aan het verkeer te onttrekken.

Artikel 4:178, lid 1, (nieuw) BW bepaalt voorts ten aanzien van een natuurlijk persoon dat het bewind eindigt (van rechtswege) door het overlijden van de rechthebbende indien het uitsluitend in diens belang was ingesteld. Volgens het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank een zodanig bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder op grond van onvoorziene omstandigheden en voorts indien aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Na verloop van vijf jaren na het overlijden van de erflater kan het bewind op deze laatste grond ook worden opgeheven op verzoek van de rechthebbende.

Artikel 4:178 (nieuw) BW is uitsluitend van toepassing op bewind dat is ingesteld in het belang van de rechthebbende (artikel 4:155, lid 1, (nieuw) BW).

Overgangsrecht

Het overgangsrecht begeleidt de introductie van nieuwe wetgeving en geeft (verkeers)regels om botsingen tussen (mogelijk) toepasselijk oud en (mogelijk) toepasselijk nieuw recht te vermijden. Uitgangspunt bij de overgangsbepalingen van oud erfrecht naar nieuw erfrecht is de onmiddellijke werking van het nieuwe recht (artikel 68a OBW). De belangrijkste algemene bepaling die een uitzondering maakt op het beginsel van de onmiddellijke werking is te vinden in artikel 69 OBW: zij strekt ertoe onder het oude recht verkregen rechten te eerbiedigen. Dit betekent dat het nieuwe recht vermogensrechten eerbiedigt die zijn ontstaan onder het oude recht, maar tevens dat die eerbiediging zich niet verder uitstrekt dan tot het geldig voortbestaan daarvan en van de concrete aanspraken die reeds onder het ouder recht daaruit waren ontstaan. Als het past binnen de bandbreedte van het oude beding, dient de nieuwe wet de dienst uit te maken.

De artikelen 125-138 OBW bevatten voorts regels voor bijzondere gevallen.

Artikel 134 OBW bepaalt dat op een testamentair bewind ingesteld bij uiterste wilsbeschikking, opgemaakt voor het tijdstip van inwerking treden van de nieuwe wet, vanaf dat tijdstip afdeling 5.7 van Boek 4 BW van toepassing is, behoudens voor zover de bepalingen in de uiterste wil daarvan afwijken. Waar het testament zwijgt en de interpretatie ophoudt, vult afdeling 4.5.7 dus aan.

In de oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de Memorie van Toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State stond een andere formulering opgenomen: “Ingevolge artikel 134 is op een testamentair bewind, ingesteld bij een uiterste wil die is opgemaakt voor het tijdstip van het in werking treden van de wet, vanaf dat tijdstip of, indien het bewind nadien van kracht wordt, vanaf dit latere tijdstip, afdeling 4.4.7 van toepassing, voorzover de uiterste wil terzake niets bepaalt.”

In de toelichting op dit artikel is vermeld dat in zoverre het testament niet zwijgt, het voor de hand ligt dit te respecteren. Indien de inhoud van de regeling in de uiterste wil echter in overeenstemming is met het nieuwe recht zou het wenselijk zijn het nieuwe recht – in aanvulling op de uiterste wil – van toepassing te laten zijn.

In het advies van de Raad van State en het nader rapport (TK 1999-2000, 26 822, B) wordt aanbevolen de tekst van artikel 134 OBW aldus aan te passen dat afdeling 4.4.7 van toepassing is, behoudens voorzover dit niet aansluit op hetgeen in de uiterste wil is neergelegd.

De strekking van artikel 134 is volgens de Raad van State, dat, indien de uiterste wil omtrent het daarbij ingestelde bewind nadere bepalingen bevat, deze van kracht zullen zijn óók indien zij regelingen of voorzieningen betreffen die afwijken van afdeling 4.4.7. De regeling omtrent het testamentair bewind van artikel 4.4.7 zal in zo’n situatie slechts aanvullend werken. Hetzelfde is beoogd tot uitdrukking te brengen indien de inhoud van de uiterste wil nog aangelegenheden ongeregeld heeft gelaten. Teneinde deze bedoeling beter te doen uitkomen is, in lijn met het advies van de Raad van State, het slotgedeelte van de bepaling opnieuw geredigeerd, en de Memorie van Toelichting overeenkomstig aangepast.

Volgens het thans geldende artikel 134 OBW is op een testamentair bewind, ingesteld bij een uiterste wil die is opgemaakt voor het tijdstip van het in werking treden van de wet, vanaf dat tijdstip of, indien het bewind nadien van kracht wordt, vanaf dit latere tijdstip afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 BW van toepassing, behoudens voor zover bepalingen in de uiterste wil daarvan afwijken. Dit artikel ziet in het bijzonder op het testamentair bewind ingesteld bij een uiterste wil die is opgemaakt voor 1 januari 2003 en verklaart afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 BW op een dergelijk (‘lopend’) bewind van toepassing vanaf 1 januari 2003. Rechtvaardiging van deze onmiddellijke werking is de hiervoor reeds genoemde uiterst onvolledige regeling van het bewind in het oude recht tenzij bepalingen in de uiterste wil ervan afwijken.

Opheffen bewind

De onderhavige nalatenschap wordt geregeerd door twee testamenten waarin een bewindregeling is opgenomen volgens het vóór 1 januari 2003 geldende erfrecht.

Uit het grondbeginsel van de testeervrijheid volgt dat de erflater ten allen tijde vrij was – en nog steeds is – over de nagelaten goederen een bewind in te stellen.

In het onderhavige geval hebben beide erflaters gebruik van deze testeervrijheid gemaakt door het instellen van bewind ten laste van verzoeker. [erflaatster 2] heeft het bewind ingesteld voor de duur van het leven van verzoeker. [erflaatster 1] heeft het bewind ingesteld voor de duur van het leven van verzoeker, maar heeft daarbij tevens bepaald dat het bewind tevens wordt ingesteld indien de echtgenoot van [erflaatster 1] als vruchtgebruiker tot die nalatenschap gerechtigd wordt. De vader van verzoeker is in 2008 reeds overleden, zodat het door [erflaatster 1] ingestelde bewind volgens het testament naar het oordeel van de rechtbank thans enkel nog eindigt bij het overlijden van verzoeker.

De bepalingen in de testamenten ten aanzien van de duur van het ingestelde bewind zijn derhalve in overeenstemming met het destijds geldende erfrecht ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 134 OBW is het ingestelde bewind voor de duur van het leven van verzoeker derhalve ook gedurende het nieuwe erfrecht van toepassing.

De erflater hoefde volgens oud recht bij het instellen van een bewind niet noodzakelijkerwijs aan te geven in wiens belang hij het bewind instelde. Bij het instellen van een bewind naar nieuw erfrecht dient de erflater echter wel te bepalen welke strekking het bewind heeft. De strekking van het bewind is volgens het nieuwe recht immers bepalend voor de rechtsgevolgen die aan het bewind worden toegekend.

In het nieuwe erfrecht is namelijk – naar aanleiding van de hiervoor weergegeven parlementair gevoerde discussies – door de wetgever een mogelijkheid gecreëerd op basis waarvan het bij testament in het belang van de rechthebbende, zijnde een natuurlijk persoon, ingestelde bewind door de rechter kan worden opgeheven. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is deze mogelijkheid juist in het leven geroepen om een volgens het oude erfrecht ingesteld bewind te doen eindigen, ook al gaat deze beëindiging in tegen de wil van de erflater zoals vastgelegd in het testament. Door de nieuwe beëindigingsmogelijkheid te verbinden aan een aantal voorwaarden waaraan moet zijn voldaan alvorens het bewind door de rechter kan worden opgeheven, heeft de wetgever uitvoering gegeven aan de vraag in hoeverre de erflater na zijn dood nog zijn invloed kan blijven uitoefenen op de, mogelijk langdurige, verhouding van het bewind, waardoor een toestand wordt veroorzaakt die onverdraaglijk, althans het bewind geen goede zin (meer) heeft of zelfs als vexatoir moet worden beschouwd. De wetgever heeft daartoe in artikel 4:178, lid 2, (nieuw) BW bepaald dat de rechthebbende de rechter eerst na vijf jaar kan verzoeken om opheffing van het bewind. Bovendien kan het bewind enkel worden opgeheven indien aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen.

Waar onder het oude recht een bewind mogelijk was tot het overlijden van de rechthebbende, kan de rechter nu – op grond van een dwingendrechtelijke bepaling – op verzoek van de rechthebbende het bewind opheffen ‘indien aannemelijk is dat de rechthebbende … de goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen.” Naar het oordeel van de rechter staat artikel 134 OBW een opheffing op grond van artikel 4:178, lid 2, (nieuw) BW dan ook niet in de weg, indien is voldaan aan de in artikel 4:178, lid 2, (nieuw) BW genoemde voorwaarden.

Artikel 4:178 (nieuw) BW is uitsluitend van toepassing op een bewind dat is ingesteld in het belang van de rechthebbende (artikel 4:155, lid 1, (nieuw) BW).

Uit de bewoordingen van het testament dient afgeleid te worden in wiens belang het bewind is ingesteld (NvW, Kamerstukken II 991/92, 17 141, nr. 9. Parl. Gesch. Invoeringswet, p. 2078). Is niet duidelijk met welke bedoeling de erflater het bewind is ingesteld, dan zal het bewind de zwaarste gevolgen hebben, dus de rechthebbende het meest beschermend.

Uit de bewoordingen van de testamenten blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet in welk belang het bewind is ingesteld. De door verzoeker aangevoerde reden voor het ingestelde bewind, namelijk het in standhouden van de onroerende zaak in zijn geheel, blijkt naar het oordeel van de rechtbank evenmin uit de bewoordingen van de testamenten.

Ingeval een nadere motivering ontbreekt, vult de wet zelf de strekking aan, en wel door aan te geven in wiens het belang wordt vermoed te zijn ingesteld. Zoals hiervoor reeds is overwogen geeft artikel 4:155 (nieuw) BW vier wettelijke vermoedens over de strekking van het bewind. De hoofdregel is dat een bewind wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang van de rechthebbende, om de rechthebbende te beschermen tegen zichzelf, zijn onkunde of zijn onvermogen om de goederen zelf te beheren. De overige vormen van bewind worden als uitzondering hierop gezien.

Naar het oordeel van de rechter is gesteld noch gebleken dat er bewind is ingesteld over een voorwaardelijke making, over goederen of aandelen in goederen die gemeenschappelijk beheerd dienen te worden of over een vruchtgebruik of recht van gebruik en bewoning. Voor zover er reeds ten aanzien van het bewind dat door erflater [erflaatster 1] is ingesteld een vermoeden zou zijn dat het bewind is ingesteld over een vruchtgebruik, is dit belang inmiddels vervallen, nu de vader van verzoeker, in wiens belang door [erflaatster 1] het recht van vruchtgebruik en het recht van gebruik en bewoning zijn vastgelegd, in 2008 is overleden. Daarmee acht de rechtbank het bewind te zijn ingesteld in het belang van de rechthebbende, zijnde verzoeker.

Blijkens het tweede lid van artikel 4:178 (nieuw) BW kan de rechter het bewind op verzoek van de rechthebbende opheffen na verloop van vijf jaar en indien aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Nadere criteria omtrent het opheffen geeft de wet niet.

Erflaters zijn in 1986 respectievelijk 1988 overleden; het ingestelde bewind is inmiddels vijfentwintig respectievelijk drieëntwintig jaar van kracht. De in de wet genoemde termijn van vijf jaar is daarmee ruimschoots verstreken. De in de parlementiaire geschiedenis voorgestelde termijn van tien jaar is overigens eveneens ruimschoots verstreken (Parl. Gesch., boek 3, p. 545).

Verzoeker is thans 47 jaar. Hij heeft bij het verzoekschrift een schriftelijk verklaring van mevrouw Dra [huisarts] , huisarts te [vestigingsplaats huisarts] , gemeente Borger-Odoorn, overgelegd, waarin zij heeft verklaard dat verzoeker zeer wel in staat is zijn eigen vermogen op verantwoorde wijze te beheren en dat verzoeker zeker in staat is dit op een goede manier te doen en dat er geen sprake is van een geheugen of welke psychische stoornis dan ook. Belanghebbende heeft niet betwist dat aannemelijk is dat verzoeker de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. De rechtbank is ook anderszins niet gebleken dat verzoeker niet in staat zou zijn de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze te kunnen besturen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het door beide erflaters ingestelde testamentair bewind opheffen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- heft het bij testament van [datum 1] 1986 ingestelde testamentaire bewind over het vermogen van [erflaatster 1] , geboren op [geboortedatum erflaatster 1] 1928 te [geboorteplaats erflaatster 1] , laatstelijk gewoond hebbende te [laatste woonplaats 1] , [laatste adres 1] , en overleden in de gemeente Borger op [datum van overlijden erflaatster 1] 1986, op;

- heft het bij testament van [datum 2] 1986 ingestelde testamentaire bewind over het vermogen van [erflaatster 2] , geboren op [geboortedatum erflaatster 2] 1898, laatstelijk gewoond hebbende te [laatste woonplaats 2] , [laatste adres 2] , en overleden op [datum van overlijden erflaatster 2] 1988, op.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011, in tegenwoordigheid van H. Takens, griffier.(H.T.