Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BP1654

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
81894 / FA RK 10-2533
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De oorspronkelijke niet met het ouderlijk gezag belaste vader en de grootmoeder worden, op de voet van art. 1:253g BW resp. art. 1:253t BW, na het overlijden van met het eenhoofdig gezag belaste moeder met het gezamenlijk gezag over het minderjarige kind belast, ondanks de niet-ontvankelijkheid van de Raad voor de Kinderbescherming in zijn verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Civiel

Beschikking d.d. 3 november 2010

Zaaknummer 81894 / FA RK 10-2533

Beschikking van de tweede enkelvoudige kamer in de zaak van:

Raad voor de Kinderbescherming

Locatie Groningen,

Postadres: 9700 AH Groningen, Postbus 328,

verzoekster, hierna te noemen de Raad,

-- en --

de man,

wonende te [adres],

gerekwestreerde, hierna te noemen de vader,

toegevoegd advocaat mr. K.B. Spoelstra.

Verloop van de procedure

De Raad heeft bij brief d.d. 8 september 2010 kennis gegeven van het overlijden van moeder, op 21 augustus 2010. Moeder was eenhoofdig belast met het ouderlijk gezag over het minderjarige kind [X], hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 21 april 2010 waarbij de minderjarige onder toezicht is gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe en waarbij machtiging is verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige. Beide maatregelen zijn met ingang van

22 april 2010 voor een jaar verleend.

De Raad heeft op verzoek van de rechtbank ten aanzien van het gezag een onderzoek ingesteld en op 30 september 2010 daaromtrent gerapporteerd en verzocht:

Primair: de vader van de minderjarige samen met grootmoeder, moederszijde, te belasten met het gezag over de minderjarige;

Subsidiair: vader te belasten met het gezag over de minderjarige.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de bereidverklaringen van de vader van de minderjarige, en van de grootmoeder moederszijde, van de minderjarige, beiden ondertekend op 24 september 2010, waarin zij zich bereid verklaren om gezamenlijk het ouderlijk gezag van de minderjarige op zich te nemen. De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van de akkoord verklaring daarop van Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe, bij wie de minderjarige onder toezicht staat.

De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van de brief van mr. K.B. Spoelstra d.d.

4 oktober 2010.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 27 november 2010, alwaar zijn verschenen, mevrouw B. van der Laan, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad), vader, bijgestaan door mr. K.B. Spoelstra, grootmoeder moederszijde, grootvader moederszijde, en mevrouw J.R. Staal, namens Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe (hierna te noemen: de SBJD).

Gronden van de beslissing

De moeder van de minderjarige, die eenhoofdig met het ouderlijk gezag was belast is op 21 augustus 2010 overleden. De vader van de minderjarige heeft de minderjarige bij akte d.d. 19 januari 2005 erkend. Door het overlijden van de moeder is ten aanzien van de minderjarige een gezagsvacuüm ontstaan.

De minderjarige is bij beschikking van de kinderrechter te Assen d.d. 21 april 2010, met ingang van 22 april 2010 onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe, voor de termijn van één jaar. Tevens is in genoemde beschikking machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor dag en nacht, met ingang van 22 april 2010 voor een termijn van een jaar. Op grond van de machtiging uithuisplaatsing is de minderjarige geplaatst bij haar grootouders, moederszijde.

Vader van de minderjarige, heeft bij brief van mr. K.B. Spoelstra, d.d. 4 oktober 2010, meegedeeld zich te kunnen vinden in het verzoek van de Raad en zich niet wenst te verzetten tegen het primaire en subsidiaire verzoek van de Raad.

Beoordeling

Met betrekking tot de vraag of de rechtbank het door de Raad voor de Kinderbescherming verzochte geheel of gedeeltelijk kan toewijzen, overweegt zij als volgt:

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van en na het beëindigen van de relatie tussen de vader en de moeder van de minderjarige, alleen de moeder belast was met het gezag over de minderjarige. Door het overlijden van de moeder in augustus 2010 is er een gezagsvacuüm ontstaan.

Op de voet van art. 1:253g BW kan de rechtbank, op verzoek van de Raad, bepalen dat de overlevende ouder met het gezag over de minderjarige zal worden belast. De rechtbank zal, alvorens zich over het primaire verzoek van de Raad te buigen, aan de hand van het in art. 1:253g lid 3 BW nagaan of het als subsidiair geformuleerde verzoek kan worden toegewezen.

De rechtbank kan uit het dossier en uit het verhandelde ter zitting niet afleiden dat er een gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van dat verzoek, de belangen van de minderjarige zullen worden verwaarloosd. Dit leidt de rechtbank niet alleen af uit de rapportage van de Raad over de positieve houding van de man tegenover de minderjarige, maar ook uit datgene wat ter zitting hierover door de vertegenwoordigster van de Raad, de verzorgende grootouders en door en namens de vader is aangevoerd. Niet is gebleken van enige aanwijzing dat de vader van de minderjarige niet in staat is de plicht tot verzorging en opvoeding van zijn dochter op zich te nemen (vgl. art. 1:247 BW). Daarnaast hecht de rechtbank gewicht aan de omstandigheid dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarige bij beschikking van de rechtbank Assen d.d. 21 april 2010 gegrond is op het toen aanwezige onvermogen van de moeder om de opvoeding en de verzorging van Renee ter hand te nemen.

De rechtbank meent derhalve dat het als subsidiair geformuleerde verzoek kan worden toegewezen en bepaalt dat de vader als overlevende ouder met het gezag over zijn minderjarige dochter wordt belast.

Met betrekking tot het verzoek van de Raad om op de voet van art. 1:253t BW, naast de vader, de grootmoeder van moederszijde van de minderjarige met het gezag te belasten overweegt de rechtbank als volgt:

Een verzoek als bedoeld in art. 1:253t BW kan slechts worden gedaan door de met gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat.

De rechtbank is er, op grond van het dossier en de mondelinge behandeling ter zitting, van overtuigd dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking van grootmoeder, moederszijde, tot de minderjarige.

De rechtbank stelt evenwel vast dat het verzoek is gedaan door de Raad. Deze kan een verzoek als bedoel in art. 1:253t BW niet doen. Dit is slechts voorbehouden aan de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder. In zoverre is de Raad voor de Kinderbescherming niet ontvankelijk in zijn verzoek.

De rechtbank leidt uit het dossier en uit het ter zitting verhandelde af dat er bij zowel de vader als bij de grootmoeder, moederszijde, een onmiskenbare en uit diepe gevoelens van onderlinge verbondenheid voortspruitende wens bestaat om gezamenlijk het gezag over de minderjarige uit te oefenen. Ter zitting heeft de vertegenwoordigster van de Raad ten overstaan van de rechtbank desgevraagd bevestigd dat – gelet op de voorgeschiedenis van deze casus – het zonder meer in het belang van de minderjarige is dat beiden het gezag uitoefenen en dat het verzoek van de Raad strookt met de wensen van de vader en van de grootmoeder, moederszijde. In dat licht zal de rechtbank dan ook verstaan dat het onderhavige verzoek als bedoeld in art. 1:253t BW is gedaan door de met gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige. Verwezen zij naar het hiervoor overwogene, waarin de rechtbank tot uitdrukking heeft gebracht dat de vader met het ouderlijk gezag zal worden belast.

Nu de minderjarige niet tevens in een familierechtelijke betrekking tot een andere ouder staat, staat niet ter discussie of de termijnen als genoemd onder art. 1:253t lid 2 BW zijn nageleefd. De overige in art. 1:253t BW genoemde beletselen voor ene gezamenlijk gezag als bedoeld in deze bepaling, doen zich in het onderliggende geval niet voor. Slechts ter discussie staat of het belang van de minderjarige met inwilliging van dit verzoek zal worden verwaarloosd. De rechtbank meent op grond van het dossier en op grond van het verhandelde

ter zitting dat zulks niet het geval is. Integendeel, haar belangen zullen zijn gediend doordat zowel de vader als de grootmoeder, moederszijde, over haar verzorging en opvoeding de daarvoor noodzakelijke beslissingen kunnen nemen.

De rechtbank zal dan ook de vader van genoemde minderjarige en haar grootmoeder, moederszijde, gezamenlijk belasten met het gezag over voornoemde minderjarige.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat vader, geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats], en grootmoeder moederszijde, geboren [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats], zijn belast met het gezag over de minderjarige geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats].

Deze beschikking is gegeven door mr. A.L.J.M.A. Janssens, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2010 in tegenwoordigheid van M.J. Botter, griffier.