Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BP0034

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
81158
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BOPZ - verlening voortgezet verblijf

Namens betrokkene is aangevoerd dat het verzoek machtging voortgezet verblijf door de OvJ te laat is ingediend. Met de advocaat is de rechtbank van mening dat het verzoek door de OvJ niet tijdig, dat wil zeggen: niet conform het bepaalde in art. 17 lid 1 Wet Bopz is gedaan. De rechtbank meent dat de overschrijding van de termijn ex art. 17 lid 1 Wet Bopz niet dusdanig aan de OvJ de wijten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Civiel

Zaaknummer 81158

Beschikking d.d. 05 augustus 2010

Verlenging voortgezet verblijf

Beschikking van de tweede enkelvoudige kamer

Ontstaan en loop van het geding

Op 22 juli 2010 is ter griffie van de rechtbank ingekomen een verzoekschrift van de officier van justitie te Assen, dat betrekking heeft op:

[betrokkene],

geboren op [datum].

Betrokkene verblijft gedwongen in het psychiatrisch ziekenhuis GGZ Drenthe te [plaats], op grondslag van de door de rechtbank Amsterdam op 23 juli 2009 afgegeven machtiging voortgezet verblijf ingevolge de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).

De officier van justitie verzoekt de rechtbank te beslissen dat een machtiging tot voortzetting van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis wordt verleend voor de duur van een jaar.

Bij het verzoek is gevoegd:

- een geneeskundige verklaring die is opgemaakt door de geneesheer-directeur mw. W. van der Plas op 21 juli 2010;

- een afschrift van de aantekeningen als bedoeld in artikel 37a Wet Bopz;

- een afschrift van het behandelplan als bedoeld in artikel 38 van de Wet Bopz.

De rechtbank heeft last gegeven tot toevoeging van een advocaat aan betrokkene. Het verzoekschrift en de bijlagen zijn in afschrift aan die persoon gezonden.

De rechtbank heeft betrokkene en diens advocaat dhr. mr. M.F.P.M. van Dijk ter terechtzitting van 5 augustus 2010, gehouden in het psychiatrisch ziekenhuis, gehoord over het verzoek.

Betrokkene heeft onder meer aangegeven dat, zakelijk weergegeven, hij zich niet kan vinden in de verlenging van de rechterlijke machtiging. Hij heeft zich niet bereid verklaard tot voortzetting van het verblijf op vrijwillige basis.

De rechtbank heeft zich, alvorens te beslissen op het verzoek, nog doen voorlichten door dhr. W.G. Mulder, psychiater.

Van het horen door en de voorlichting aan de rechtbank is proces-verbaal opgemaakt door de griffier.

Overwegingen

Namens betrokkene is ter zitting aangevoerd dat het verzoek machtiging voortgezet verblijf door de Officier van Justitie te laat is ingediend. Volgens het bepaalde in art. 17 lid 1 Wet Bopz had dit moeten worden ingediend tijdens de weken 23 of 24 (medio juni) 2010. Het gevolg van deze termijnoverschrijding is, zo stelt de advocaat, de niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie dan wel ontslag uit de instelling, te verlenen door de geneesheer-directeur op de voet van art. 48 lid 1, onder b Wet Bopz.

De Rechtbank overweegt hierover het volgende:

Met de advocaat is de Rechtbank van mening dat het verzoek door de Officier van Justitie niet tijdig, dat wil zeggen: niet conform het bepaalde in art. 17 lid 1 Wet Bopz is gedaan. Opgemerkt dient evenwel te worden dat de aanvraag voor het verzoek blijkens het schrijven van de GGZ-[locatie] dateert van 20 juli 2010, terwijl de daaraan gekoppelde geneeskundige verklaring op 21 juli 2010 is ondertekend. Zowel het verzoek als de geneeskundige verklaring zijn ter griffie van de Rechtbank ingekomen op 22 juli 2010. De Rechtbank meent dat de overschrijding van de termijn ex art. 17 lid 1 Wet Bopz niet dusdanig aan de Officier van Justitie te wijten is, dat het reeds daarom in zijn verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nog daargelaten dat termijnoverschrijding blijkens bestendige rechtspraak niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie leidt (zie onder meer HR 1 juli 1994, NJ 1994, 719).

Met betrekking tot het door de advocaat gestelde subsidiaire gevolg van de termijnoverschrijding, te weten: het ontslag van betrokkene uit de instelling, merkt de Rechtbank op dat in art. 48 lid 1 onder b Wet Bopz wordt bepaald dat de geneesheer-directeur geen ontslag verleent wanneer de geldigheidsduur van de lopende machtiging is verstreken, indien er voor het einde van de termijn een verzoek is ingediend tot het verlenen van een aansluitende machtiging. De Rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval aan die voorwaarde is voldaan. Blijkens de door de Rechtbank Amsterdam op 23 juli 2009 gegeven beschikking, liep de door haar gegeven machtiging tot voortgezet verblijf af op 23 juli 2010. Het verzoek van de Officier van Justitie is op 22 juli 2010 aan de Rechtbank gedaan. Dat betekent dat het verzoek voor het einde van evenbedoelde termijn is gedaan. De geneesheer-directeur hoefde derhalve om die reden betrokkene niet uit de instelling te ontslaan.

De Rechtbank verwerpt derhalve het verweer in zijn beide onderdelen.

Met betrekking tot het verzoek overweegt de Rechtbank het volgende:

Het gedwongen verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis berust op toepassing van de artikelen 15, 16 en 17 van de Wet Bopz.

Artikel 18 van de Wet Bopz bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de officier van justitie telkens een nieuwe machtiging tot voortzetting van het gedwongen verblijf kan verlenen. In dat hier aan de orde zijnde geval moet de rechtbank op het verzoek de bepalingen van de artikelen 15, 16 en 17 van de Wet Bopz toepassen.

Artikel 15, eerste lid, van de Wet Bopz bepaalt -voor zover hier van belang en toegepast op de onderhavige rechtsfiguur- dat de rechter op verzoek van de officier van justitie met betrekking tot een persoon, die ingevolge een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, aansluitend een nieuwe machtiging tot voortgezet verblijf kan verlenen als er naar het oordeel van de rechter sprake van is dat:

a. de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens die betrokkene gevaar doet veroorzaken ook na verloop van de geldigheidsduur van de vigerende machtiging aanwezig zal zijn, en

b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, en

c. de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot voortzetting van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op vrijwillige basis.

Hierbij wordt onder gevaar verstaan:

1°. gevaar voor betrokkene zelf, onder meer:

a. dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat; of

b. dat betrokkene zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen; of

c. dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen.

2°. gevaar voor een of meer anderen, onder meer dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen.

3°. gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

De rechtbank heeft op grond van de overgelegde stukken en gehoord de standpunten en mededelingen ter zitting geen reden om de inhoud van de geneeskundige verklaring onjuist te achten of daaraan te twijfelen.

Uit die inhoud leidt de rechtbank af dat er sedert de verstrekking van de vigerende machtiging voortgezet verblijf geen sprake is van een wezenlijke wijziging in de gezondheidstoestand en situatie van betrokkene. Bij het einde van de geldigheidsduur van die machtiging, is er nog steeds sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens van betrokkene die betrokkene gevaar doet veroorzaken voor betrokkene zelf, voor een of meer anderen en voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Betrokkene kent een lange voorgeschiedenis van 20 jaren met opnames in verband met psychoses, waarbij vaak sprake was van agressie. Betrokkene is gediagnosticeerd met Schizofrenie van het paranoïde type en is bekend met middelenmisbruik en de persoonlijkheidsstoornis NAO. In het verleden kwam betrokkene regelmatig met justitie in aanraking vanwege agressief of grensoverschrijdend gedrag. Hij was lange tijd dakloos en was slecht in zorg te krijgen. Uit voornoemde stoornis vloeit een gevaar voort van maatschappelijke teloorgang en ernstige verwaarlozing. Daarnaast bestaat het gevaar dat betrokkene een ander ernstig letsel zal toebrengen en door zijn hinderlijke gedrag agressie van anderen tegen zichzelf oproept. Er is lange tijd geprobeerd betrokkene ambulant te begeleiden of vanuit een pension, maar steeds volgde heropname en contacten met justitie.

Hoewel een recente medicatiewijziging voor enige verbetering in de situatie heeft gezorgd, is betrokkene nog volop psychotisch. De stoornis verloopt chronisch. Daarnaast is het middelenmisbruik nog actueel. Als betrokkene nu met verlof zou gaan is het risico groot dat hij vervalt in oud gedrag en als gevolg daarvan voornoemd gevaar zal doen veroorzaken.

Dit gevaar kan (vooralsnog) niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend. Anders dan de advocaat van betrokkene, is de Rechtbank dan ook van mening dat diens verblijf niet strijdt met de beginselen van de proportionaliteit en de subsidiariteit, in aanmerking genomen dat de stoornis en het daaruit voortvloeiende gevaar nog niet verminderd is.

Ter zitting is gebleken dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op vrijwillige basis.

Tezamen leidt het voorgaande er toe dat het verzoek wordt toegewezen en dat een machtiging wordt verstrekt voor de duur van een jaar.

Daarbij geldt dat die geldigheidsduur wordt verlengd ingevolge en naar de duur die artikel 48 Wet Bopz toestaat, indien de officier van justitie voor de afloop van voornoemd jaar bij de rechtbank een verzoek indient tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek toe, met dien verstande dat de machtiging tot voortzetting van het gedwongen verblijf van betrokkene heden ingaat en voortduurt tot en met 4 augustus 2011.

Gegeven op 5 augustus 2010.

de griffier, de rechter,

D.L. Boer mr. A.L.J.M.A. Janssens

Tegen deze beschikking staat beroep in cassatie open met inachtneming en volgens de regels van de artikelen 426, 426a en 426b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Verzonden op:

Afschrift aan:

(x) betrokkene

(x) advocaat

(x) inspectie

(x) officier van justitie