Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BP0021

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
81201
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BOPZ

Beslissing verlenen voorlopige machtging aangehouden teneinde de OvJ in de gelegengeid te stellen zich te beraden op de vraag of er een gewijzigd verzoek moet worden ingediend, nu de rechtbank zich afvraagt of de wet Popz in de onderhavige zaak niet een voorwaardelijke machtiging voorschrijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Civiel

Zaaknummer 81201

Beschikking d.d. 29 juli 2010

Ombuiging verzoek

Beschikking van de tweede enkelvoudige kamer

Ontstaan en loop van het geding

Op 26 juli 2010 is ter griffie van de rechtbank ingekomen een verzoekschrift van de officier van justitie te Assen dat betrekking heeft op:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum],

vrijwillig verblijvend in het Accare Kinder- en Jeugdpsychiatrisch ziekenhuis locatie

[plaats].

De officier van justitie verzoekt de rechtbank te beslissen dat ten aanzien van betrokkene een voorlopige machtiging wordt verleend.

Bij het verzoek is gevoegd een geneeskundige verklaring van een niet bij de behandeling betrokken psychiater, die is opgemaakt door dhr. P. Dijkshoorn op 22 juli 2010.

De rechtbank heeft last gegeven tot toevoeging van een advocaat aan betrokkene.

Het verzoekschrift en de bijlagen zijn in afschrift gezonden aan de advocaat van betrokkene.

De rechtbank heeft betrokkene en diens advocaat mw. mr. D.C. v.d. Kwaak-Wamelink ter terechtzitting van 29 juli 2010 gehoord over dit verzoek.

Betrokkene heeft onder meer verteld dat hij niet inziet hoe een rechterlijke machtiging hem zou kunnen helpen. Hij heeft het naar zijn zin op de behandelafdeling en is bereid vrijwillig te blijven. Hij zit er al zeven maanden en ziet niet in waarom dat nu onder dwang zou moeten. Hij ziet geen relatie tussen autisme en gevaar; er is eerder sprake van een verstoorde ouder-kind-relatie. Daar zou aan gewerkt moeten worden vanuit de kliniek.

De rechtbank heeft zich, alvorens te beslissen op het verzoek, nog doen voorlichten door mw. L.A.J. van Iersel, kinder- en jeugdpsychiater en de ouders van betrokkene.

De psychiater heeft verklaard dat het verblijf van betrokkene in de instelling geen problemen oplevert. Het probleem is dat de situatie thuis, tijdens het weekendverlof van betrokkene, uit de hand loopt waardoor onmiddellijk ingrijpen nodig is.

De ouders van betrokkene hebben verklaard dat er niet alleen sprake is van ouder-kind-problematiek. Betrokkene accepteert geen enkel gezag, is zelfbepalend en houdt zich niet aan afspraken. Hij heeft de macht in elke situatie, zowel verbaal als fysiek. Wanneer hij doorschiet in zijn emoties is hij niet meer aanspreekbaar en uit hij zich verbaal en fysiek agressief. Regelmatig heeft moeder het huis moeten ontvluchten en/of de politie moeten inschakelen. De ouders denken dat met een rechterlijke machtiging een duidelijke structuur gecreëerd kan worden waardoor middels vooraf ingrijpen escalatie thuis kan worden afgewend.

Van het horen door en de voorlichting aan de rechtbank is proces-verbaal opgemaakt door de griffier.

Overwegingen

Op grond van het door de Rechtbank ingestelde onderzoek ter zitting, is zij er in het onderhavige geval vooralsnog niet van overtuigd dat de door het OM verzochte voorlopige machtiging in de zin van art. 2 Wet BOPZ een passende maatregel is. De Rechtbank overweegt hierbij niet alleen dat de betrokkene slechts 14 jaren oud is, maar ook dat beide ouders, ter zitting blijk gevend van een – begrijpelijke – behoefte aan rust, daarbij hebben aangegeven dat naast de mogelijkheid van een gesloten opname, ook een voorwaardelijke machtiging in de zin van art. 14a Wet BOPZ, als zogenaamde ‘stok achter de deur’ in een geval van vrijwillig, al dan niet ambulant verblijf in de instelling, zou kunnen volstaan.

De Rechtbank is, met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, derhalve van mening dat nader onderzoek is gewenst naar de mogelijkheid van het afwenden van het – op grond van de vastgestelde stoornis bij betrokkene – aanwezige gevaar door middel van het stellen en het naleven van voorwaarden. De Rechtbank is zich er van bewust dat een soortgelijk onderzoek reeds eerder heeft plaatsgevonden en tevens dat zulks toen heeft geleid tot de vaststelling dat voorwaarden in de betekenis van art. 14a Wet BOPZ niet konden worden geformuleerd, doet niet af aan de wenselijkheid van een nieuw onderzoek hiernaar. Niet uitgesloten immers is dat de inmiddels nadien ondergane behandeling van betrokkene zodanig effect heeft gesorteerd, dat hij nu wel in staat geacht moet worden (andere) voorwaarden na te leven en zich daar naar te gedragen.

Bedoeld onderzoek dient in elk geval te zijn gericht op de vraag, welke voorwaarden voor betrokkene passend zijn, en tevens op de vraag of betrokkene in staat zal zijn, deze voorwaarden na te leven.

Gelet op het bovenstaande komt het de rechtbank aangewezen voor dat

de beslissing op het verzoek korte tijd, maar niet langer dan twee weken na heden, wordt aangehouden, teneinde de officier in de gelegenheid te stellen zich te beraden op de vraag of een gewijzigd verzoek moet worden ingediend, nu de rechtbank zich afvraagt of de wet Bopz in de onderhavige zaak niet een voorwaardelijke machtiging voorschrijft en nu, los daarvan, de rechtbank zich afvraagt of een dergelijke machtiging niet meer passend is dan de verzochte machtiging.

De advocaat van betrokkene zal in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op het bericht van de officier, waarna de rechtbank zal beslissen over de voortzetting van de procedure.

Beslissing

De rechtbank:

1. stelt de stukken in handen van de officier van justitie teneinde de rechtbank te berichten of het voorliggende verzoek wordt gewijzigd, en zo ja, in welke zin;

2. bepaalt dat de officier van justitie dit bericht binnen twee weken na heden aan de rechtbank doet toekomen, met gelijktijdig afschrift aan de raadsman van betrokkene;

3. houdt de beslissing op het verzoek aan tot na het nader bericht van de officier van justitie als omschreven onder 2.

Gegeven op 29 juli 2010.

de griffier, de rechter,

I.J. Kemkers mr. A.L.J.M.A. Janssens

Verzonden op:

Afschrift aan:

(X) betrokkene

(X) advocaat

(X) officier van justitie