Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO9101

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
28-12-2010
Zaaknummer
290375 CV EXPL 10-3435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt dat de arbeidsovereenkomst niet op 1 juni 2009 met wederzijds goedvinden is geëindigd en vordert achterstallig salaris, vakantiegeld over de periode van 1 juni 2009 tot 1 november 2009 en niet genoten vakantie-uren. Eiseres heeft samen met haar echtgenoot de onderneming van gedaagden overgenomen per 25 september 2009, na daarover al begin 2009 overeenstemming te hebben bereikt. Afgezien van de vraag of de arbeidsovereenkomst wel of niet op 1 juni 2009 met wederzijds goedvinden is geëindigd, wordt de vordering inzake achterstallig salaris en vakantiegeld over genoemde periode afgewezen omdat er ingevolge artikel 7:127 BW geen loon is verschuldigd, nu eiseres geen werkzaamheden heeft verricht en de oorzaak daarvan niet voor rekening van gedaagden behoort te komen. Overigens is niet voldaan aan de stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-1036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector kanton

Locatie Emmen

Zaaknummer 290375 CV EXPL 10-3435

uitspraak van 24 november 2010

in de zaak van

[Eiseres],

wonende te [adres],

eisende partij

gemachtigde: mr. F. Hoff

tegen

[Gedaagden]

wonende te [adres],

gedaagde partijen

gemachtigde: mr. P.D. Labee

Partijen worden hierna eiseres en gedaagden genoemd.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

1.2 de dagvaarding van 1 juni 2010 met producties;

1.3 de conclusie van antwoord van 21 juli 2010 met producties;

1.4 de conclusie van repliek van 1 september 2010;

1.5 de conclusie van dupliek van 27 oktober 2010.

2. De vaststaande feiten

2.1 De kantonrechter stelt als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.

2.2 Gedaagden hebben tot en met 30 december 2009 samen de vennootschap onder firma [X] gedreven. Op voormelde datum is de vennootschap onder firma ontbonden.

2.3 Eiseres is blijkens de op 30 oktober 2008 opgemaakte en door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 1 november 2008 in dienst getreden bij voornoemde vennootschap voor de duur van 1 jaar, met als functie algemeen medewerker voor 26 (flexibele) werk uren per week tegen een bruto uurloon van € 10,- exclusief vakantiedagen en exclusief 8% vakantietoeslag.

2.4 Samen met haar echtgenoot heeft eiseres op 8 juni 2009 de vennootschap onder firma [Y] opgericht. Tussen partijen was overeenstemming bereikt over de verkoop van de sauna aan eiseres en haar echtgenoot. Op 10 juli 2009 zou de overdracht plaatsvinden, maar één uur voor de afgesproken tijd werd de afspraak bij de notaris door eiseres afgezegd. De financiering bleek niet rond te zijn. Vervolgens hebben gedaagden bij brief van 30 juli 2009 het volgende aan eiseres medegedeeld: “Zoals bekend hebben jullie van ons gekocht, kort gezegd, de sauna met toebehoren en bedrijfsgebouw met woonhuis c.a.. Een en ander is vastgelegd in een door notaris [Z] opgemaakte akte. De koopsom bedraagt in totaal € 1.300.000,00. Overeengekomen is dat uiterlijk 1 augustus de overdracht zal plaatsvinden. Aanvankelijk, en ook dat is bij jullie bekend, zou er op 10 juli j.l. worden overgedragen, dat is echter door jullie afgezegd. Wij gaan er uiteraard van uit dat nu uiterlijk 1 augustus a.s. de overname plaatsvindt en er vanzelfsprekend betaald wordt. Wij wijzen jullie er nadrukkelijk op, dat wanneer op die datum de overdracht niet plaatsvindt, wij ons alle rechten voorbehouden om nakoming en/of schadevergoeding te vorderen. Vanaf 1 augustus zijn jullie in verzuim.

2.5 Ook op 1 augustus 2009 heeft de overdracht niet plaatsgevonden. Eiseres heeft in haar brief van 31 juli 2009 aan gedaagden te kennen gegeven dat zij graag voor 1 augustus 2009 het bedrijf had willen kopen, maar dat dit door toedoen van de Rabobank onmogelijk was gemaakt. Voorts heeft zij in die brief een tweetal alternatieve voorstellen gedaan. Bij e-mail van 4 augustus 2009 heeft eiseres het volgende aan gedaagden bericht: Langs deze weg nogmaals onze excuses voor het dramatische verloop van de verkoop. Nog steeds zijn wij van mening dat de Rabobank verantwoordelijk is voor de ontstane situatie. Wij zijn inmiddels ook druk doende om hen hiervoor aansprakelijk te stellen. Als jullie van onze eerder gedane voorstellen verder afzien, wil ik graag weten hoe we nu verder gaan. Hopelijk kunnen we als volwassen mensen nog een goed gesprek aangaan. Ik ben zeker bereidt om mijn werk wat ik tot nu toe heb gedaan bij jullie te vervolgen. Ik hoor dan ook graag wanneer ik weer wordt ingeroosterd. In afwachting op jullie reactie, verblijf ik,

2.6 Bij brief van 7 augustus 2009 is door gedaagden als volgt gereageerd op voormelde e-mail: “Dat de Rabobank zich heeft teruggetrokken in een omstandigheid waarmee wij niets van doen hebben. Het is ons dan ook niet bekend waarom deze bank zich heeft teruggetrokken, maar zoals gezegd is dit niet ons probleem. Het is jullie inmiddels duidelijk dat wij niet akkoord gaan met de genoemde opties. Het is jullie ook bekend dat v.a. 1 augustus jl. jullie in verzuim zijn en jullie afzien van de verkoop. Voor zover nodig ontbinden wij hierbij de overeenkomst. Wij wensen uiteraard de geleden schade vergoed te krijgen en wij hebben geen enkel probleem om hierover met jullie in overleg te gaan, mits op voorhand duidelijk is dat jullie bereid zijn een substantiële schadevergoeding te betalen. Wij zien jullie voorstel daarover graag binnen 1 week na heden tegemoet. Krijgen wij geen of een niet acceptabele reactie, dan rest ons niets anders dan een procedure tot schadevergoeding te starten. Wat betreft het weer inroosteren van [eiseres]: Wij gaan ervanuit dat de arbeidsovereenkomst met [eiseres] per 1 juni 2009 met wederzijds goedvinden is beëindigd. Zoals bekend is er om die reden ook geen loon meer betaald of werk verricht”.

2.7 Uiteindelijk heeft de levering van de onderneming plaatsgevonden op 25 september 2009.

3. De vordering en het verweer

3.1 Eiseres vordert op de in de dagvaarding vermelde gronden om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gedaagden hoofdelijk – des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten – te veroordelen om tegen deugdelijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen: A. het over de periode 1 juni 2009 tot 1 november 2009 door gedaagden aan eiseres verschuldigde achterstallige salaris, zijnde een bedrag van € 5600,- bruto, althans het netto equivalent daarvan, vermeerderd met de wettelijke verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW ad € 2300,-, dan wel een andere door de kantonrechter in goede justitie te bepalen wettelijke verhoging; B. het over de periode 1 juni 2009 tot 1 november 2009 door gedaagden aan eiseres verschuldigde achterstallige vakantiegeld, zijnde een bedrag van € 448,- bruto, althans het netto equivalent daarvan, vermeerderd met de wettelijke verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW ad € 224,-, dan wel een andere door de kantonrechter in goede justitie te bepalen wettelijke verhoging; C. het over de periode 1 november 2008 tot en met 1 november 2009 door gedaagden aan eiseres verschuldigde niet genoten vakantie-uren, zijnde een bedrag van € 1256,50 bruto, althans het netto equivalent daarvan, vermeerderd met de wettelijke verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW ad € 628,25, dan wel een andere door de kantonrechter in goede justitie te bepalen wettelijke verhoging; D. de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening; E. de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 450,-; F. de kosten van de onderhavige procedure, vermeerderd met een door de kantonrechter vast te stellen bedrag voor salaris en noodzakelijke verschotten van gemachtigde van eiseres.

3.2 Gedaagden betwisten de vordering, zakelijk samengevat stellende dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 juni 2009 met wederzijds goedvinden is beëindigd, dat er na die datum ook niet meer is gewerkt door eiseres en dat eiseres, behoudens een zeer summiere mededeling op 4 augustus 2009, nooit heeft aangegeven zich nog in dienst te achten van gedaagden.

4. De beoordeling

4.1 Aan de hand van de beschikbare gedingstukken stelt de kantonrechter al meteen vast dat, waar eiseres zich op het standpunt stelt dat gedaagden niet geheel aan hun verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst hebben voldaan, zij tot in dit stadium van de procedure niet ten minste aannemelijk heeft gemaakt dat die verplichtingen nog bestonden in de hier van belang zijnde periode van 1 juni 2009 tot 1 november 2009. Dat geldt namelijk sowieso al voor de periode van 25 september 2009 tot 1 november 2009, in welke periode eiseres (samen met haar echtgenoot) zelf eigenaar van de onderneming was en niet valt in te zien dat en waarom gedaagden in die periode verplichtingen uit arbeidsovereenkomst jegens eiseres hadden. En waar vaststaat dat partijen begin 2009 al overeenstemming hebben bereikt over de koop van de onderneming door eiseres (en haar echtgenoot) zonder dat daarbij voorwaarden zijn gesteld en eiseres op 8 juni 2009 (samen met haar echtgenoot) de vennootschap onder firma [Y] heeft opgericht, is gesteld noch gebleken dat eiseres gedurende de periode 1 juni 2009 tot 4 augustus 2009 (datum e-mail van eiseres) de bedongen arbeid heeft verricht en/of na die datum tot 25 september 2009 respectievelijk 1 november 2009 heeft willen verrichten op grond van een nog bestaande arbeidsovereenkomst.

4.2 Uit bedoelde e-mail van eiseres valt niet met een begin van aannemelijkheid op te maken dat eiseres een beroep heeft gedaan op het nog bestaan van een arbeidsovereenkomst, terwijl zij dat evenmin heeft gedaan naar aanleiding van de brief van gedaagden van 7 augustus 2009, waarin uitdrukkelijk is gesteld dat de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2009 met wederzijds goedvinden is beëindigd en er om die reden ook geen loon meer is betaald of werk is verricht. Dat eiseres niet op die brief heeft gereageerd acht de kantonrechter in dit verband van bepalende betekenis. Indien immers voor waar moet worden gehouden dat geen sprake is geweest van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per1 juni 2009 met wederzijds goedvinden, had in de gegeven omstandigheden zonder meer mogen worden verwacht dat eiseres zich, zo al niet in haar e-mail van 4 augustus 2009 dan toch zeker onmiddellijk na de ontvangst van de brief van 7 augustus 2009, met zoveel woorden had beroepen op haar vermeende aanspraken vanaf 1 juni 2009 uit hoofde van de volgens haar nog bestaande arbeidsovereenkomst. Pas bij brief van 29 december 2009, dat wil zeggen ruim 4 maanden na de brief van 7 augustus 2009 en bijna 2 maanden nadat de arbeidsovereenkomst in ieder geval van rechtswege zou zijn geëindigd, heeft de gemachtigde van eiseres aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon en vakantiegeld vanaf 1 juni 2009 tot 1 november 2009.

4.3 Vaststaat dat eiseres in de periode 1 juni 2009 tot haar e-mail van 4 augustus 2009 geen werkzaamheden heeft verricht, terwijl niet is gebleken dat zij zich in die periode beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van de bedongen arbeid en ook niet is gebleken dat de oorzaak van het niet verrichten van de bedongen arbeid voor rekening van gedaagden behoort te komen. Daaruit volgt dat, zelfs nog afgezien van de vraag of de arbeidsovereenkomst nu wel of niet op 1 juni 2009 met wederzijds goedvinden is geëindigd, gedaagden ingevolge artikel 7:627 BW over genoemde periode geen loon verschuldigd zijn aan eiseres. Waar eiseres (en haar echtgenoot) in de hier van belang zijnde periode kennelijk steeds in gesprek met gedaagden zijn gebleven over de overname van de onderneming van gedaagden die uiteindelijk op 25 september 2009 is gerealiseerd, wordt opgemerkt dat in de brief van eiseres (en haar echtgenoot) van 31 juli 2009 met geen woord is gerept over een tussen gedaagden en eiseres nog bestaande arbeidsovereenkomst. Evenmin is dat het geval in de e-mail van eiseres van 4 augustus 2009. In die e-mail vermag de kantonrechter overigens ook niet een beschikbaarstelling van eiseres voor het verrichten van haar werkzaamheden te zien, die uitgaande van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dat klemt nog eens te meer waar eiseres vervolgens geen enkele kenbare juridisch adequate actie jegens gedaagden heeft ondernomen, zelfs niet naar aanleiding van de brief van gedaagden van 7 augustus 2009. Dat betekent dat het er voor moet worden gehouden dat gedaagden ook in de periode 4 augustus 2009 tot 25 september 2009 ingevolge artikel 7:627 BW geen loon verschuldigd zijn aan eiseres, ook weer afgezien van de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet op 1 juni 2009 met wederzijds goedvinden is geëindigd.

4.4 Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen van eiseres met betrekking tot achterstallig salaris over de periode 1 juni tot 1 november 2009 en achterstallig vakantiegeld over de periode 1 juni 2009 tot 1 november 2009 zonder meer moeten worden afgewezen. Dat geldt ten slotte ook voor de vordering van eiseres met betrekking tot de beweerdelijk niet genoten vakantie-uren. Vastgesteld wordt dat waar gedaagden gemotiveerd hebben betwist dat eiseres nog aanspraak kan maken op betaling van niet genoten vakantie-uren, eiseres haar vordering in zoverre niet nader heeft onderbouwd met concrete en controleerbare gegevens. Daarom zal ook die vordering moeten worden afgewezen. Eiseres zal als de in het ongelijk te stellen partij moeten worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van begroot op € 600,- (2 punten) aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.M.H. Pauw en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2010.

typ/conc. 54hp

coll: