Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO6536

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
10/705
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Na bestudering van het dossier zijn bij de voorzieningenrechter diverse vragen gerezen die ter zitting niet beantwoord zijn. Door de verhandelingen ter zitting is de situatie voor de voorzieningenrechter zelfs nog onduidelijker geworden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan betwijfeld worden of het besluit van verweerder in de bodemprocedure in stand zal kunnen blijven. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat gebleken is dat verweerder bij zijn besluitvorming enkel is afgegaan op een mededeling van de provincie Groningen en geen eigen afweging lijkt te hebben gemaakt alvorens tot besluitvorming over te gaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat ter zitting gebleken is dat de provincie Groningen niet onverdeeld gelukkig is met het door verweerder genomen handhavingsbesluit. Of verweerder, zoals verzoekster betoogt, inderdaad een onjuiste uitleg aan artikel 5 van het Bbk heeft gegeven en in verband daarmee ten onrechte tot handhavend optreden is overgegaan, vergt daarnaast een nadere beoordeling waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent. Het verzoek van verzoekster zal, het vorenstaande in aanmerking nemende, dan ook aan de hand van een belangenafweging worden beoordeeld. Na belangenafweging toewijzing van het verzoek.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2010-12-17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 10/705 WRO

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 2 november 2010

in het geding tussen:

[verzoekster]., gevestigd te [plaats], verzoekster,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Grootegast, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens het uitvoeren van een project zonder omgevingsvergunning.

Namens verzoekster is bij brief van 26 oktober 2010 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij afzonderlijke brief van 26 oktober 2010 is tevens namens verzoekster aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb.

Verweerder heeft bij brief van 27 oktober 2010 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 29 oktober 2010, alwaar namens verzoekster zijn verschenen [verzoekster], bijgestaan door mr. R. Snel.

Voor verweerder zijn verschenen J. Zijlstra, M. Boonsma, C. Meinders en T.E.J. Postma. Namens de provincie Groningen zijn verschenen mr. R. Caderius Van Veen en J.T. Bok.

II. Beoordeling

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Verzoekster exploiteert een bedrijf ten behoeve van zandwinning, opslag en transport. Daartoe behoort onder meer het overpompen van een zand/watermengsel van winlocatie van het zand in [plaats] naar het tot de inrichting van verzoekster behorende waterlichaam plas [plas]. De thans in geding zijnde activiteit betreft de tijdelijke opslag van het zand/watermengsel in de plas [plas].

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verzoekster voorgenomen opslag van zand een uitbreiding van de inrichting van verzoekster is die vergunningplichtig is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Nu verzoekster niet beschikt over een dergelijke omgevingsvergunning is sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo en heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Deze last houdt onder meer in dat verzoekster de activiteiten die in strijd zijn met artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo dient te beëindigen en beëindigd te houden.

Verzoekster heeft betwist dat voor de opslag van zand boven water een vergunning op grond van de Wabo is vereist en heeft gesteld dat voor voormelde activiteit een melding op grond van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) voldoende is. Voorts heeft verzoekster gesteld dat in het kader van het Bbk niet verweerder, maar het Waterschap het bevoegde bestuursorgaan is. Nu geen sprake is van een vergunningplicht en derhalve niet van een overtreding van een wettelijk voorschrift was verweerder naar de mening van verzoekster niet bevoegd handhavend op te treden.

Uit de gedingstukken is bij verweerder en ook bij de voorzieningenrechter het beeld naar voren gekomen dat de opslag van zand zoals verzoekster voor ogen staat, zal leiden tot ophopingen van zand die tot ongeveer 10 meter boven het waterpeil uit zullen stijgen. Op de zitting van 29 oktober 2010 is door verzoekster aangevoerd dat dit beeld niet conform de werkelijkheid is en dat het zand slechts tot hoogte van de oever zal worden aangebracht, waardoor de oever verbreed zal worden. Voor verweerder is de bijstelling van het beeld geen reden gebleken het bestreden besluit te herzien.

Na bestudering van het dossier zijn bij de voorzieningenrechter diverse vragen gerezen die ter zitting niet beantwoord zijn. Door de verhandelingen ter zitting is de situatie voor de voorzieningenrechter zelfs nog onduidelijker geworden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan betwijfeld worden of het besluit van verweerder in de bodemprocedure in stand zal kunnen blijven. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat gebleken is dat verweerder bij zijn besluitvorming enkel is afgegaan op een mededeling van de provincie Groningen en geen eigen afweging lijkt te hebben gemaakt alvorens tot besluitvorming over te gaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat ter zitting gebleken is dat de provincie Groningen niet onverdeeld gelukkig is met het door verweerder genomen handhavingsbesluit.

Of verweerder, zoals verzoekster betoogt, inderdaad een onjuiste uitleg aan artikel 5 van het Bbk heeft gegeven en in verband daarmee ten onrechte tot handhavend optreden is overgegaan, vergt daarnaast een nadere beoordeling waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent. Het verzoek van verzoekster zal, het vorenstaande in aanmerking nemende, dan ook aan de hand van een belangenafweging worden beoordeeld.

In het kader van voormelde belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verzoekster heeft een groot, financieel belang bij het kunnen blijven uitoefenen van de onderhavige activiteit, bestaande uit de opslag van zand in de plas [plas]. Op grond van de handelwijze van verweerder is het niet geheel onlogisch dat verzoekster er vanuit is gegaan dat verweerder niet onwelwillend stond tegenover deze (manier van) opslag. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat in 1994 aan verzoekster een vergunning op grond van de Wet milieubeheer is verleend met betrekking tot de opslag van 100.000 kubieke meter zand op de locatie en in de plas [plas]. Voorts is gebleken dat de huidige opslag van zand boven water weliswaar in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat verweerder zijn medewerking heeft toegezegd met betrekking tot de procedure ten aanzien van de ontheffing van het bestemmingsplan. Daarnaast heeft verweerder in eerste instantie de door verzoekster gedane melding in het kader van het Bbk met betrekking tot de opslag van 300.000 kubieke meter zand boven water geaccepteerd. Bovendien is ter zitting gebleken dat de opslag van zand niet zal leiden tot metershoge bulten die boven het water zullen uitstijgen. Verder is ter zitting gebleken dat de huidige wijze van storten de instemming van alle betrokken partijen heeft.

Dat verweerder een groter belang bij handhavend optreden heeft dan het belang van verzoekster bij voortzetting van de activiteit is de voorzieningenrechter niet gebleken. De voorzieningenrechter zal het belang van verzoekster dan ook laten prevaleren en beslissen tot inwilliging van het verzoek van verzoekster om het bestreden handhavingsbesluit te schorsen.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb juncto artikel 8:84, vierde lid, van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bestaan deze proceskosten uit een bedrag van € 874,- aan verleende rechtsbijstand.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 21 oktober 2010 tot zes weken nadat verweerder op het bezwaarschrift van verzoekster heeft beslist;

- bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 298,-vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 874,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P. Claus, rechter, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier.

mr. P.T.M. van der Lelie mr. W.P. Claus

In het openbaar uitgesproken op 2 november 2010.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden/verstrekt op: