Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO5411

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
19.820002-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, door het slachtoffer meermalen met een mes in het lichaam te steken. De rechtbank ontslaat verdachte echter van alle rechtsvervolging, omdat sprake is van noodweer-exces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.820002-10

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 30 november 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

thans verblijvende in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 23 november 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 09 augustus 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (in een been en/of het lichaam) heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 09 augustus 2010 te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (in een been en/of het lichaam) heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 09 augustus 2010 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), heeft geslagen, en/of met die [slachtoffer 2] in gevecht/worsteling is gegaan/geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. S.M. von Bartheld, vordert dat de rechtbank verdachte ter zake van de feiten 1 primair en 2 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

Bewijsconstructie

Ten aanzien van feit 1 primair

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] niet bewust met het mes heeft gestoken. Volgens verdachte vielen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hem aan in de slaapkamer die zij met z'n drieën deelden. Deze kamer was ongeveer 4 x 4 meter groot. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kwamen op verdachte af en schopten en sloegen hem. Tijdens deze aanval heeft verdachte een mes van de tafel gepakt in de hoop dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hierdoor zouden schrikken en hun aanval zouden staken. Zij bleven verdachte echter schoppen en slaan en dreven verdachte in een hoek van de kamer. Verdachte hield zijn armen beschermend voor zijn gezicht en heeft het mes daarbij bovenhands, met de punt naar voren, vastgehouden. Ook heeft hij met het mes gezwaaid. De aanval hield pas op toen [slachtoffer 1] merkte dat hij bloedde. Achteraf is gebleken dat [slachtoffer 1] toen al viermaal met het mes was geraakt: tweemaal aan de zijkant van zijn borstkas, eenmaal aan de zijkant van zijn linkerbovenbeen en eenmaal aan de voorzijde van zijn rechterbovenbeen. Verdachte kan niet verklaren hoe deze wonden zijn ontstaan. Hij denkt dat [slachtoffer 1] zijn lichaam zelf tegen het mes aan heeft bewogen. Verdachte heeft niet gemerkt dat het mes dat hij vasthield het lichaam van [slachtoffer 1] raakte.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven door die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in het lichaam te steken. Volgens de officier van justitie blijkt uit het letselrapport van forensisch arts S.P.H. Letmaath dat de wonden aan de zijkant van de borstkas van [slachtoffer 1] met kracht toegebrachte diepe steekwonden betreffen. Dit sluit uit dat [slachtoffer 1] per ongeluk tegen het mes aan is gelopen. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte het mes tweemaal met kracht in het bovenlichaam van [slachtoffer 1] heeft gestoken. Aldus heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] om het leven zou komen. Dat verdachte pas achteraf ten volle besefte wat hij had gedaan, sluit niet uit dat verdachte zich op het moment van het toebrengen van de steekwonden daarvan bewust is geweest en de mogelijk fatale gevolgen daarvan bewust heeft aanvaard. Daar komt bij dat het op deze wijze hanteren van een mes ook naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een geijkt middel is om iemand van het leven te beroven.

Standpunt van de raadsman

Volgens de raadsman is er, gelet op de verklaring van verdachte, geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. Het door verdachte beschreven handelen was er naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet op gericht om [slachtoffer 1] te doden. Als verdachte vier steekbewegingen zou hebben gemaakt, dan zouden [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dat hebben gezien, hetgeen niet het geval is. Ook zouden de wonden in dat geval niet op vier verschillende plaatsen op het lichaam hebben gezeten en zou verdachte zelf niet van top tot teen onder het bloed hebben gezeten. Deze omstandigheden wijzen erop dat [slachtoffer 1] gewond is geraakt in het gewoel van het gevecht. De wonden die door Letmaath worden beschreven sluiten dit niet uit. Als verdachte kwaad had gewild, dan waren de wonden volgens de raadsman wel dieper geweest.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, door die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in het lichaam te steken. De rechtbank baseert zich voor het bewijs van dit feit op de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 9 augustus 2010 vindt er in een kamer in [plaats] een vechtpartij plaats tussen verdachte enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds. Verdachte wordt geschopt en geslagen en probeert dit af te weren.1 Op enig moment tijdens het gevecht pakt verdachte een mes van de tafel.2 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben dit niet door.3 Het mes betreft een slagersmes, dat geen punt meer heeft, maar wel scherp is. Verdachte wordt in een hoek van de kamer gedrongen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijven hem schoppen en slaan. Verdachte houdt zijn armen verdedigend voor zijn gezicht en houdt het mes daarbij bovenhands en met de punt naar voren vast. Verdachte zwaait ook met het mes.4 [slachtoffer 2] ziet op een gegeven moment dat de kleding van [slachtoffer 1] rood kleurt van het bloed.5 [slachtoffer 1] voelt iets warms en gaat op een bed zitten. Pas dan ziet hij het mes in de hand van verdachte.6

Forensisch arts S.P.H. Letmaath constateert op 11 augustus 2010 bij [slachtoffer 1] (onder meer) de volgende verwondingen:

- een steekverwonding aan de zijkant van de borst links, 40 mm onder de oksel;

- een steekverwonding aan de zijkant van de borst links, 70 mm onder de oksel;

- een steekverwonding aan de zijkant van het bovenbeen links;

- een steekverwonding aan de voorzijde van het bovenbeen rechts.

Letmaath stelt vast dat de steekverwondingen aan de zijkant van de borst in dit geval geen ernstige gevolgen hebben gehad, maar dat de grens tussen een 'onschuldig' steekletsel op de borst en levensbedreigend tot dodelijk letsel maar heel klein is. Afhankelijk van de richting van de steekverwondingen had ook de borstholte gepenetreerd kunnen zijn geweest met als gevolg een levensbedreigend of dodelijk longletsel en/of letsels van grote vaten of het hart.7

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door een slagersmes, waarvan hij wist dat dit scherp was, met de punt naar voren vast te houden en daarmee te zwaaien terwijl [slachtoffer 1] hem aanviel, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 1] dodelijk zou raken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte het mes ter hoogte van zijn gezicht vasthield, hetgeen betekent dat de punt van het mes op zeer kwetsbare delen van het lichaam van [slachtoffer 1] was gericht. Dit blijkt ook wel uit het feit dat [slachtoffer 1] twee steekwonden aan de zijkant van zijn borstkas had.

Ten aanzien van feit 2

Nu verdachte hetgeen de rechtbank onder 2 bewezen zal verklaren heeft bekend en hij noch zijn raadsman vrijspraak hebben bepleit zal de rechtbank ten aanzien van dit feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

De rechtbank hanteert voor het bewijs van feit 2 de navolgende bewijsmiddelen:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 november 2010.

2. het dossier van de politie Drenthe, Unit Recherche Noord, met nummer 2010049294, d.d. 14 september 2010, voor zover inhoudende:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, nummer PL031S 2010049294-6, d.d. 10 augustus 2010, houdende de verklaring van [slachtoffer 2] (pagina's 260 t/m 263).

3. het letselrapport betreffende [slachtoffer 2] d.d. 23 augustus 2010, opgemaakt door forensisch arts S.P.H. Letmaath.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het hem onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 09 augustus 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 09 augustus 2010 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), heeft geslagen, en met die [slachtoffer 2] in gevecht/worsteling is gegaan/geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De verdachte zal van het onder 1 primair en 2 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

Poging tot doodslag;

strafbaar gesteld bij artikel 287, juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Eenvoudige mishandeling;

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

Ten aanzien van feit 1 primair

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. Hij heeft het mes gepakt omdat hij voelde dat hij zich niet lang meer kon verweren tegen de schoppen en klappen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Hij werd door de beide mannen in een hoek gedrongen en stond letterlijk met zijn rug tegen de muur. Het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel is gelet op deze omstandigheden niet disproportioneel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Uit de gegevens in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet duidelijk geworden wie de vechtpartij in [plaats] is begonnen. Uit het dossier blijkt echter wel dat verdachte na afloop van de vechtpartij op een agressieve wijze achter [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan is gegaan, hetgeen een contra-indicatie is voor de stelling dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank zijn op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

Verdachte en zijn twee kamergenoten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op 9 augustus 2010 na het werk wijn gaan drinken bij een riviertje in [plaats 2]. Zij hadden ieder een fles wijn. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij de hele fles heeft leeggedronken en dat hij toen dronken was. Ook [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij ongeveer een fles wijn heeft leeggedronken. Hij was toen naar eigen zeggen heel erg dronken. Verdachte heeft verklaard ongeveer de helft van zijn fles te hebben leeggedronken en niet dronken te zijn geweest. Vervolgens zijn zij op de fiets naar een woning aan [adres] in [plaats 2] gegaan, waar meerdere - onder meer Poolse - collega's van verdachte en [slachtoffer 2] wonen. Daar aangekomen hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ruzie gezocht met één van de bewoners van deze woning. Zij hebben deze man geslagen. Verdachte wilde hier niet aan meedoen en heeft de kamer van de man verlaten.

Toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit de kamer van de man kwamen, zijn zij in dezelfde woning naar de kamer van twee bevriende vrouwen gegaan. Verdachte is daar eveneens naartoe gegaan. Er ontstond een woordenwisseling tussen verdachte enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds. Laatstgenoemden waren boos dat verdachte niet had meegeholpen met vechten. Zij scholden verdachte uit. [slachtoffer 2] wilde het daar in de kamer uitvechten. Verdachte zei dat hij dat niet wilde, maar als het dan moest, konden ze dit beter in de woonkamer doen. Vervolgens hebben verdachte en [slachtoffer 2] in de woonkamer met elkaar gevochten. Verdachte heeft [slachtoffer 2] daarbij op zijn oog gestompt. [slachtoffer 2] heeft verdachte in een wurggreep genomen. Ook [slachtoffer 1] heeft verdachte geslagen.

Op een gegeven moment is verdachte naar de door hem, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bewoonde kamer in [plaats] gegaan en is hij in bed gaan liggen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben eerst nog een poosje bij de twee vrouwen in [plaats 2] gezeten en zijn toen eveneens naar huis gegaan. Eén van de vrouwen heeft [slachtoffer 2] horen zeggen dat hij niet meer met verdachte in één kamer wilde wonen. Toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] thuiskwamen, begonnen zij verdachte direct weer uit te schelden. Zij wilden dat verdachte zou vertrekken. Verdachte heeft geprobeerd met hen te praten, maar zij luisterden niet. Ze waren erg dronken en agressief en waren niet voor rede vatbaar. Een halve minuut nadat zij thuis waren gekomen, vielen zij verdachte aan. Zij sloegen en schopten verdachte.

Verdachte heeft geprobeerd de klappen en trappen af te weren, maar voelde dat hij dit niet lang vol kon houden. Verdachte kon niet weg, want [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] stonden tussen hem en de deur in. Verdachte heeft toen een mes gepakt dat vlakbij hem op de tafel lag. De aanval ging gewoon door. Blijkens de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zij niet gezien dat verdachte een mes had. Verdachte werd door zijn twee aanvallers in een hoek van de kamer gedrongen. Hij stond letterlijk met zijn rug tegen de muur. Verdachte heeft naar eigen zeggen zijn armen afwerend voor zijn gezicht gehouden, terwijl hij het mes bovenhands, met de punt naar voren, vasthield. Ook heeft hij zwaaiende bewegingen gemaakt met het mes. Ten gevolge hiervan is [slachtoffer 1] gewond geraakt. Hij heeft vier steekwonden opgelopen, waarvan twee aan de zijkant van zijn borstkas.

Noodweer

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, waartegen verdediging noodzakelijk was. Verdachte kon geen kant op en moest zich dus op de één of andere manier verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De wijze waarop verdachte het gekozen verdedigingsmiddel - het mes - heeft gehanteerd, staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet in verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte heeft de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Noodweer-exces

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij heeft gehandeld zoals hij heeft gehandeld, omdat hij - mede door de gebeurtenissen eerder die dag - erg in paniek was. Hij dacht dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hem dood dan wel invalide zouden slaan. Zij waren dronken en agressief en niet voor rede vatbaar. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte aannemelijk. Gelet hierop gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden vanwege een hevige gemoedsbeweging die was ontstaan door de aanranding. In dit verband is van belang dat de rechtbank er vanuit gaat dat het mes toevallig op de tafel voorhanden was en dat verdachte dit mes niet bewust heeft klaargelegd om zich te verdedigen. De rechtbank zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging omdat sprake is van noodweer-exces.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

Bij de keuze van de in deze zaak passende strafrechtelijke afdoening heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 9 augustus 2010 schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] heeft hier een blauw oog aan overgehouden. Aldus heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2].

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat [slachtoffer 2] boos was op verdachte omdat deze niet mee had geholpen bij een eerdere vechtpartij. [slachtoffer 2] wilde het uitvechten. Verdachte is hiermee akkoord gegaan omdat hij geen manier zag om er onderuit te komen. Vervolgens is er een vechtpartij ontstaan, waarbij verdachte [slachtoffer 2] op zijn oog heeft gestompt.

[slachtoffer 2] heeft van dit feit geen aangifte gedaan. Hij is gehoord door de politie in verband met het onder 1 tenlastegelegde feit, waarbij de mishandeling ook ter sprake is gekomen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij dronken was, dat er een amokstemming heerste en dat er geen schuldige aan de ruzie kan worden aangewezen.

De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het onder 2 tenlastegelegde feit nooit bij politie en justitie terecht zou zijn gekomen als het onder 1 tenlastegelegde feit niet was gepleegd.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van feit 2 kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan en stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ter zake van dit feit van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verklaart verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde strafbaar.

De rechtbank bepaalt dat verdachte ter zake van feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd.

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden en bepaalt dat verdachte onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. C.P. van Gastel en mr. E.C.M. Wolfert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra, griffier, en - bij vervroeging - uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 30 november 2010.

1 Zie de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, nummer PL037A 2010049294-1, d.d. 11 augustus 2010,

(p. 170 t/m 184 van een dossier van de politie Drenthe met nummer 2010049294), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]: "[verdachte] en [slachtoffer 2] waren aan het worstelen. Ik heb [verdachte] geslagen. Hij weerde zich daarbij af."

2 Zie de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring.

3 Zie het onder 1 genoemde proces-verbaal van aangifte, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]: "Ik heb het mes niet gezien. Ik heb het gezien toen het gevecht voorbij was." Zie voorts het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, nummer PL037A 2010049294-39, d.d. 20 augustus 2010 (p. 265 t/m 284 van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]: "Op een gegeven moment zag ik dat [slachtoffer 1] gewond was. Ik hoorde toen dat [slachtoffer 1] zei: "Hij heeft een mes."

4 Zie de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring.

5 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, nummer PL031S 20100 49294-6, d.d. 10 augustus 2010, houdende de verklaring van [slachtoffer 2] (p. 260 t/m 263 van het onder 1 genoemde dossier).

6 Zie het onder 1 genoemde proces-verbaal van aangifte.

7 Zie het letselrapport betreffende [slachtoffer 1] d.d. 23 augustus 2010.