Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO5155

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
80848 / FA RK 10-1932
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervallen verklaren aanwijzing Jeugdzorg

Vader maakt bezwaar tegen de aanwijzing van Jeugdzorg met betrekking tot omgang met zijn dochter en verzoekt een omgangsregeling vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Civiel

Beschikking d.d. 25 augustus 2010

Zaaknummer 80848 / FA RK 10-1932

Vervallen verklaring aanwijzing

van de kinderrechter in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren in de gemeente [plaats] op [geboortedatum],

kind van [vader] (vader tevens verzoeker), wonende te [adres] en [moeder] (moeder), p/a Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe, Postbus 263, 9400 AG Assen.

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe, Postbus 263, 9400 AG Assen (hierna: verweerster of SBJD).

Verloop van de procedure

Blijkens beschikking van de kinderrechter te Assen staat de minderjarige, voornoemd, tot 1 januari 2011 onder toezicht van de SBJD. Tevens heeft de kinderrechter te Assen bij beschikking d.d. 19 mei 2010 de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht verlengd tot en met 31 december 2010.

Op 9 juli 2010 heeft mr. T.H. Dijkstra, namens vader, verzocht de aanwijzing van verweerster d.d. 24 juni 2010 vervallen te verklaren en een omgangsregeling vast te stellen van één keer in de vier weken van twee uren. Daarbij is de schriftelijke aanwijzing van verweerster d.d. 24 juni 2010 overgelegd.

De moeder heeft bij schrijven d.d. 22 juli 2010 aangegeven zich te verzetten tegen het verzoek van de vader en heeft daarbij verzocht een uitgebreidere omgangsregeling tussen haar en de minderjarige, voornoemd, vast te stellen. De kinderrechter ziet evenwel het verzoek van moeder tot uitbreiding van de omgangsregeling niet als een verzoek tot vervallen verklaring van een aanwijzing ex art. 1:259, lid 1, BW noch als een verzoek ex art. 1:253a BW.

Op 25 augustus 2010 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. T.H. Dijkstra, en

mevr. [E], namens verweerster.

Alhoewel behoorlijk opgeroepen is de moeder niet verschenen.

Ontvankelijkheid verzoeker

De beslissing van SBJD, zoals deze d.d. 24 juni 2010 op verzoek van verzoeker op schrift is gesteld, kan gezien worden als een aanwijzing in de zin van art. 1:263a lid 2 BW. De met het gezag belaste ouder kan aan de kinderrechter verzoeken de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren (art. 1:259 BW). De vader, zo blijkt uit het uittreksel van het gezagregister, is mede met het gezag belast. De vader is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

Gronden van de beslissing

In de aanwijzing van verweerster d.d. 24 juni 2010 heeft verweerster aan de vader voor de periode van juli tot en met december 2010 een omgangsregeling onder begeleiding van verweerster vastgesteld van één keer per zes weken, telkens van 10:30 uur tot 11:15 uur. De betreffende dagen zijn in de beslissing genoemd. Verweerster heeft daartoe beslist omdat volgens verweerster het perspectief van [de minderjarige] in het pleeggezin ligt en het gezien haar leeftijd van belang is om een zo rustig mogelijke opvoedomgeving te creëren. [De minderjarige] woont het overgrote deel van haar jonge leven al in het pleeggezin en de hechting aan pleegouders is zich volop aan het ontwikkelen. Verweerster heeft zich gedurende de ondertoezichtstelling - met behulp van onder meer Signs en Safety, het maken van een veiligheidsplan, intake bij de GGZ in [plaat] - ingespannen om een terugplaatsing naar (één van) de ouders te onderzoeken en mogelijk te maken. Volgens verweerster is uiteindelijk gebleken dat de veiligheid van [de minderjarige], in geval van een eventuele terugplaatsing bij vader of bij moeder onvoldoende gewaarborgd kan worden.

[De minderjarige] zit op dit moment in een belangrijke hechtingsfase en het is niet in haar belang om weer blootgesteld te worden aan niet alleen een breuk met een hechtingsfiguur, maar ook aan de sfeer van agressie en angst tussen beide ouders.

De vader maakt bezwaar tegen de aanwijzing, omdat hij van mening is dat de band tussen hem en zijn dochter zo min mogelijk moet worden doorbroken. De vader wil graag meewerken aan het scheppen van een veilige omgeving voor zijn dochter. De vader is van mening dat verweerster te weinig naar de mogelijkheid van een eventuele terugplaatsing heeft gedaan. De vader acht het dan ook in het belang van [de minderjarige], in afwachting van meer en definitieve duidelijkheid omtrent de terugplaatsing, dat hij [de minderjarige] vaker ziet.

De moeder verzet zich tegen het verzoek van de vader. Volgens moeder is vader emotioneel onstabiel en erg agressief. Moeder ziet liever niet dat vader bij [de minderjarige] in de buurt komt en is van mening dat een omgangsregeling ten behoeve van de vader van één keer per zes weken nog te veel is. Sinds moeder bij vader is weggegaan is moeder stabiel en is haar situatie erg verbeterd. Moeder heeft daarom verzocht een uitgebreidere omgangsregeling tussen haar en [de minderjarige] vast te stellen. Volgens moeder is zij emotioneel en lichamelijk capabel om [de minderjarige] liefde en veiligheid te bieden. In het geding is echter het verzoek van vader tot vervallen verklaring van de aanwijzing welke tot vader is gericht.

De kinderrechter overweegt het volgende:

Niet ontkend kan worden dat in het door art. 8 lid 1 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) tot uitdrukking gebrachte recht op ‘family-life’ – een grondrecht – besloten ligt dat de biologische vader en zijn kind niet verstoken mogen blijven van omgang met elkaar. Ter zitting is overigens niet gebleken dat de BJZD dit recht heeft miskend.

Het bepaalde in art. 8 lid 1 EVRM noopt dan ook tot de vaststelling dat de vader van [de minderjarige] op regelmatige basis moeten kunnen bezoeken en enige tijd met haar moet kunnen doorbrengen. Het is immers niet in het belang van [de minderjarige] geen enkele band meer met haar biologische vader te hebben. Op de voet van art 8 lid 2 EVRM zijn evenwel beperkingen toegestaan op dit grondrecht in het belang van onder meer de bescherming van de gezondheid van anderen.

Vastgesteld kan worden dat [de minderjarige] een zeer jong en kwetsbaar kind is. Bij beschikking van 27 april 2010 is door het Gerechtshof Leeuwarden de beschikking van de Rechtbank Assen d.d. 5 februari 2010 waarin zij een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] heeft verleend, bekrachtigd. Een van de gronden van deze beslissingen is de zorgwekkende situatie waarin [de minderjarige] in de gezinssituatie opgroeit, waarin sprake is van huiselijk geweld. [De minderjarige] maakte toen de indruk, getraumatiseerd te zijn. Ook is vastgesteld dat toen de hulpverlening ten behoeve van de minderjarige onvoldoende van de grond is gekomen.

De thans in het geding zijnde aanwijzing zoals deze door de SBJD is gegeven, beoogt de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] gedurende de looptijd van bovenbedoelde aanwijzing nader vorm te geven en daarbij rekening te houden met de voor [de minderjarige] bedreigende situatie waarin zij eerder is aangetroffen. Niet kan gezegd worden dat de SBJD met die situatie bij de vaststelling van bedoelde aanwijzing geen rekening hoeft te houden. Het belang van [de minderjarige] vereist een dergelijke bemoeienis ook. Verwezen zij naar art. 19 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waarin – kort gezegd – de Staat wordt verplicht de benodigde maatregelen te nemen op sociaal en opvoedkundig gebied teneinde het kind te beschermen tegen alle vormen van geweld. Bedoelde maatregelen omvatten onder meer procedures met betrekking tot sociale programma’s teneinde te voorzien in de nodige ondersteuning van het kind en onder meer in de voorkoming van kindermishandeling.

Alles afwegende, overweegt de kinderrechter met betrekking tot het verzoek van de vader dat het, gelet op de precaire veiligheidssituatie van [de minderjarige], momenteel te vroeg is om de huidige omgangsregeling zoals deze vervat is in de aanwijzing, te wijzigen. De aanwijzing wordt geheel noch gedeeltelijk vervallen verklaard.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot vervallen verklaring van de aanwijzing van de Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe.

Aldus gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2010, in tegenwoordigheid van D.A. Slender, griffier, en door de rechter en de griffier ondertekend.-

N.B. De griffier deelt mede dat u tegen deze beschikking in cassatie kunt gaan bij de Hoge Raad te ’s Gravenhage. U kunt cassatie instellen binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld. Het cassatieberoep moet namens u worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.