Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO4654

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
80196 / FA RK 10-1547
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Behoefte van een jongmeerderjarige met een Wajong-uitkering

Bij echtscheiding is 18 jaar geleden kinderalimentatie vastgesteld. De man heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot wijziging van vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de inmiddels jongmeerderjarige, in die zin dat de alimentatie wordt vastgesteld op nihil. De rechtbank bepaalt de door de man aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op nihil. De rechtbank overweegt daartoe dat de jongmeerderjarige in staat moet worden geacht met de Wajong-uitkering in haar eigen behoefte te voorzien en dat, hoewel de man op grond van de wettelijke bepalingen als onderhoudsplichtige moet worden aangemerkt, in redelijkheid van de man niet meer verwacht kan worden dat hij bijdraagt in de (te) hoge kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Civiel

Beschikking d.d. 17 november 2010

Zaaknummer 80196 / FA RK 10-1547

Beschikking van de tweede enkelvoudige kamer in de zaak van:

[de vader],

wonende te [adres],

verzoeker hierna te noemen de man,

toegevoegd advocaat mr. M. Verschoor,

-- en --

[de jongmeerderjarige],

wonende te [adres],

gerekwestreerde hierna te noemen de jongmeerderjarige,

toegevoegd advocaat mr. J. Dam-de Haan.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De man heeft op 4 juni 2010 een verzoekschrift ingediend strekkende tot wijziging van de bij beschikking van de rechtbank Haarlem d.d. 8 december 1992 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de inmiddels jongmeerderjarige, in die zin dat primair met ingang van 3 oktober 2009, subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de alimentatie wordt vastgesteld op nihil.

De jongmeerderjarige heeft een verweerschrift ingediend en verzocht het verzoek van de man af te wijzen.

Er zijn stukken overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van 25 oktober 2010, alwaar partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun raadslieden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Vaststaande feiten

De man is de vader van de jongmeerderjarige. Bij beschikking van 8 december 1992 heeft de rechtbank Haarlem de kinderalimentatie op f. 350,- per kind per maand vastgesteld. Tevens is bepaalt dat de wettelijke indexering niet eerder zal worden toegepast dan met ingang van 1994. Vanwege de indexering bedraagt de alimentatie inmiddels € 238,38 per maand.

Standpunten van partijen

De man heeft verzocht de door hem aan de jongmeerderjarige te betalen alimentatie op nihil te stellen omdat hij van mening is dat de bij beschikking van de rechtbank Haarlem d.d. 8 december 1992 vastgestelde bijdrage primair niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Hij stelt daartoe dat de jongmeerderjarige geen behoefte heeft. Zij woont inmiddels samen, heeft een Wajong-uitkering, gaat niet naar school en wenst niet te werken. Subsidiair is de man van mening dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Zijn draagkracht is dermate gewijzigd dat hij geen alimentatie meer kan betalen.

De jongmeerderjarige heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de man af te wijzen. Op zich klopt het dat zij samenwoont en dat zij een Wajong-uitkering geniet, maar het is niet juist dat zij niet wenst te werken. Zij is, gelet op haar beperkingen, niet in staat om te werken. Ter zitting heeft de jongmeerderjarige verklaard dat zij vanaf haar veertiende jaar niet meer thuis woont.

Aanvankelijk woonde de jongmeerderjarige, evenals haar huidige partner, in een RIBW-instelling. Zij en haar partner hebben, nadat de thans jongmeerderjarige 18 jaar geworden is, besloten om te gaan samenwonen in hun huidige vierkamer- appartement. Dit appartement hebben de jongmeerderjarige en haar partner nodig, omdat zij, evenals haar partner, ADHD en PDD-NOS heeft. Tengevolge van deze beperkingen hebben beiden extra ruimte nodig. Binnen de RIBW-instelling bestond

ook de mogelijkheid van samenwoning. Tevens was er de mogelijkheid om buiten de RIBW-instelling samen te wonen in een éénkamerappartement. De jongmeerderjarige heeft verklaard beide mogelijkheden te hebben afgewezen. Voorts is er sprake van schulden. Het standpunt van de jongmeerderjarige is dat zij dan ook nog steeds behoefte heeft aan een bijdrage terzake alimentatie, met name vanwege de huidige huurlasten. Tot slot is de jongmeerderjarige van mening dat de man voldoende draagkracht heeft om de alimentatie te blijven betalen.

Beoordeling

Behoefte van de jongmeerderjarige

De rechtbank zal in eerste instantie beoordelen of, gelet op het inkomen van de jongmeerderjarige, er sprake is van behoefte aan de zijde van de jongmeerderjarige aan een bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud en studie.

Tot haar achttiende jaar betaalde de man maandelijks een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Vanaf haar achttiende jaar is deze bijdrage geconverteerd in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.

Vanaf haar achttiende jaar geniet de jongmeerderjarige een Wajong uitkering. Daarnaast ontvangt zij de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.

Niet gesteld noch gebleken is dat deze Wajong-uitkering, die de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie overstijgt, niet voldoende was om haar verblijf in een RIBW-instelling te waarborgen.

De rechtbank overweegt dat de Wajong-uitkering, nu niet anders gesteld noch gebleken is, voorziet in de behoefte van de jongmeerderjarige ten aanzien van de woonsituatie in de RIBW-instelling, al dan niet met samenwoning.

De jongmeerderjarige heeft om haar moverende redenen gekozen voor samenwoning in een vierkamerappartement daar waar het ook mogelijk was om te kiezen voor samenwoning (of niet) in de RIBW-instelling, dan wel in een éénkamerappartement buiten de RIBW-instelling.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gevolgen van de gedane keuze dan ook voor rekening van de jongmeerderjarige te komen.

De stelling van de jongmeerderjarige dat zij met haar partner tengevolge van hun ziektebeeld extra ruimte nodig hebben heeft zij onvoldoende onderbouwd zodat de rechtbank hieraan voorbij zal gaan. Daarbij overweegt de rechtbank voorts dat de jongmeerderjarige ook reeds voor haar achttiende jaar ten tijde van haar verblijf in de RIBW-instelling deze ziektebeelden had.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de schulden van de jongmeerderjarige haar behoefte niet beïnvloeden, maar veeleer ziet op haar leefstijl.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de jongmeerderjarige in staat moet worden geacht in haar eigen behoefte te voorzien en dat, hoewel de man op grond van de wettelijke bepalingen als onderhoudsplichtige moet worden aangemerkt, in redelijkheid van de man niet meer verwacht kan worden dat hij bijdraagt in de (te) hoge kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige. De rechtbank zal derhalve de door de man aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op nihil vaststellen.

Ingangsdatum van de nihilstelling

Op grond van de wet is de rechter vrij voor wat betreft de ingangsdatum van de wijziging. Het beginsel van rechtszekerheid kan zich er echter tegen verzetten dat een wijziging in de alimentatieverplichting met terugwerkende kracht wordt vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in het algemeen in de rede dat een onderhoudsbijdrage niet eerder wordt gewijzigd dan met ingang van de dag waarop het verzoekschrift tot wijziging ter griffie van de rechtbank is ingediend. In deze zaak is het verzoekschrift ter griffie ingekomen op 4 juni 2010. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding kunnen geven om de wijziging van de bijdrage op een eerdere datum te laten ingaan.

BESLISSING

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Haarlem d.d. 8 december 1992 als volgt:

bepaalt de door de man aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 4 juni 2010 op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H. Hulshof-Eleveld, rechter, bijgestaan door B.M. Göbel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.