Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO4265

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/2868
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Als parkeerbelasting is voldaan, is een naheffingsaanslag in strijd met artikel 20 AWR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 09/2868

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hoogeveen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres op 3 juni 2009 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 51,20 (€ 50 kosten naheffingsaanslag en € 1,20 parkeertarief). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 november 2009 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 3 december 2009, ontvangen bij de rechtbank op 4 december 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2010 te Assen.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [echtgenoot]. Verweerder is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiseres' auto met kenteken [kenteken] stond op 3 juni 2009 om 13:26 uur geparkeerd op het [plein] te [plaats]. Op deze locatie is parkeerbelasting verschuldigd.

1.2 Aan eiseres is een naheffingsaanslag opgelegd omdat de controleur om 13:26 uur geen geldig parkeerbewijs in de auto heeft aangetroffen.

1.3 Tot de stukken van het geding behoort een parkeerkaartje voor het [plein] te [plaats] met als datum woensdag 3 juni 2009, aankomsttijd 11:49 uur en eindtijd 13:49 uur.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

2.2 Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

2.3 Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij een parkeerbewijs heeft gekocht en dit zichtbaar achter de voorruit van haar auto heeft neergelegd.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat wanneer achteraf, nadat een naheffingsaanslag is opgelegd, het parkeerbewijs wordt getoond, dit niet wil zeggen dat de parkeerbelasting is voldaan. De Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2009 (hierna: Verordening Parkeerbelastingen 2009) bepaalt dat pas voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden wanneer het parkeerbewijs duidelijk zichtbaar achter de voorruit is geplaatst. Verweerder heeft aangegeven dat, indien de controleur geen parkeerbewijs aantreft in een auto, hij zich ervan vergewist dat in de gehele auto zich geen parkeerbewijs bevindt.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de op artikel 225 van de Gemeentewet berustende Verordening Parkeerbelastingen 2009, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Besluit van 27 november 2008, wordt onder de naam 'parkeerbelastingen' een belasting geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze. Niet in geschil is dat op het [plein] te [plaats] betaald parkeren van toepassing is.

3.2 In artikel 3 lid 5 van de Verordening Parkeerbelastingen 2009 staat vermeld dat de voldoening van de belasting niet eerder heeft plaatsgevonden dan dat het parkeerbewijs onomstotelijk duidelijk zichtbaar voor derden achter de voorruit in het geparkeerde voertuig is geplaatst en zichtbaar is tijdens het parkeren van het voertuig.

3.3 In het arrest van 11 januari 2008, nr. 41 262, BNB 2008/72, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het van belang is of de verschuldigde belasting is betaald, en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Indien achteraf blijkt dat betaling van de verschuldigde belasting heeft plaatsgevonden, is voor het opleggen van een naheffingsaanslag ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) geen plaats. In gelijke zin heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld in zijn arrest van 8 januari 1997, nr. 31 657, BNB 1997/68.

3.4 Nu eiseres in haar beroepschrift en ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zij het bij haar beroepschrift overgelegde parkeerkaartje heeft gekocht, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de belasting is voldaan, zodat het, gelet op het voorgaande, in strijd met artikel 20 AWR is om een naheffingsaanslag op te leggen.

3.5 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de belastingaanslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M. van den Bosch, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2010.

w.g. H.J. Haanstra

w.g. M. van den Bosch

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.