Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO2771

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
19.830092-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de omstandigheid dat verdachte oprecht spijt heeft betuigd van zijn handelen en hij bereid is behandeling te ondergaan zal de rechtbank aan verdachte een kortere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie geëist en wel een gevangenisstraf van 2 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan een gedeelte groot 1 jaar voorwaardelijk. De rechtbank zal de aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf te verbinden proeftijd bepalen op 3 jaren.

Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal verder de bijzondere voorwaarde worden gekoppeld, inhoudende dat verdachte zich zal houden aan de voorschriften en/of aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland, hetgeen mede zal inhouden een 4 daagse dagbehandeling bij "De Tender" te Deventer, dan wel een klinische behandeling bij de F.P.K. Assen of soortgelijke inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830092-10

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 12 oktober 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

Verdachte,

geboren te O op datum in 1971,

adres,

verblijvende in P.I. Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen,

Caissonweg 2 te Almere.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 28 september 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 23 april 2010 te Meppel, met slachtoffer 1, geboren op 14 april 2005 en/of slachtoffer 2, geboren op 22 augustus 2005 die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had(den) bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2, hebbende verdachte

- bij die slachtoffer 1 een of meer vinger(s) en/of zijn tong in haar vagina geduwd/gebracht en/of met zijn vinger(s) en/of hand en/of tong over haar vagina gestreken, althans haar vagina betast en/of

- bij die slachtoffer 2 een of meer van zijn vinger(s) in haar vagina geduwd/gebracht en/of met zijn vinger(s) en/of hand over de vagina van die gestreken, althans haar vagina betast;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 23 april 2010 te Meppel met slachtoffer 1, geboren op 14 april 2005 en/of slachtoffer 2, geboren op 22 augustus 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(d)en bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig met (een van) zijn vinger(s) en/of hand en/of tong over de vagina van die slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2 te strelen en/of te betasten;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. S.M. von Bartheld, acht hetgeen primair aan de verdachte is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

Hij vordert voor dit feit een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan een gedeelte groot 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 10 jaren en met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, hetgeen mede zal inhouden een 4 daagse dagbehandeling bij "De Tender" te Deventer, dan wel een klinische behandeling bij de F.P.K. Assen of soortgelijke inrichting.

Verder vordert hij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij slachtoffer 2 bij wege van voorschot tot een bedrag van € 750,-- en het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De officier van justitie vordert tenslotte nog de opheffing van de voorlopige hechtenis voor zo ver het betreft feit 2 op het bevel tot bewaring (het feit betreffende de kinderpornografie).

Bewijsmiddelen

Nu verdachte, hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren, heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank ten aanzien van dit feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

De rechtbank hanteert voor het bewijs de navolgende bewijsmiddelen:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 september 2010.

2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie Drenthe, district Noord, Unit Recherche Noord, registratienummer PL033E 2010025044-1, met bijlagen, d.d. 20 mei 2010, onder meer inhoudende:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van politie Drenthe, district Zuidwest, Unit Recherche Zuidwest, proces-verbaalnummer PL033E 2010025044-1 d.d. 26 april 2010, houdende de aangifte van aangever 1, wonende te Meppel (pagina's 41 t/m 48, betreffende het seksueel misbruik van slachtoffer 1);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van politie Drenthe, district Zuidwest, Unit Recherche Zuidwest, proces-verbaalnummer PL033E 2010027261-1 d.d. 5 mei 2010, houdende de aangifte van aangeefster 2, wonende te Meppel (pagina's 81 t/m 86, betreffende het seksueel misbruik van slachtoffer 2);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van politie Drenthe, district Zuidwest, Unit Recherche Zuidwest, proces-verbaalnummer PL033E 2010025044-13 d.d. 4 mei 2010, houdende de verklaring van de verdachte (pagina's 114 t/m 122, betreffende het seksueel misbruik van slachtoffer 1).

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van politie Drenthe, district Zuidwest, Unit Recherche Zuidwest, proces-verbaalnummer PL033E 2010025044-27 d.d. 4 mei 2010, houdende de verklaring van de verdachte (pagina's 123 t/m 128, betreffende het seksueel misbruik van slachtoffer 2).

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat verdachte van het hem primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken omdat de handelingen van de verdachte niet hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van slachtoffer 1 en slachtoffer 2. Het betroffen naar het oordeel telkens uitwendige aanrakingen.

De rechtbank volgt het betoog van de raadsman niet. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen nu de verdachte ten overstaan van de politie en ter terechtzitting heeft verklaard dat hij met zijn vinger en zijn tong tussen de schaamlippen van slachtoffer 1 is geweest en dat hij met zijn vinger tussen de schaamlippen van slachtoffer 2 is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan telkens sprake van inwendige aanrakingen en derhalve van het seksueel binnendringen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het hem primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 maart 2010 tot en met 23 april 2010 te Meppel, met slachtoffer 1, geboren op 14 april 2005 en slachtoffer 2, geboren op 22 augustus 2005 die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet hadden bereikt, telkens handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die slachtoffer 1 en slachtoffer 2, hebbende verdachte

- bij die slachtoffer 1 een vinger en zijn tong in haar vagina gebracht en met zijn vingers en tong over haar vagina gestreken en

- bij die slachtoffer 2 een vinger in haar vagina gebracht en met zijn vingers over de vagina van die slachtoffer 2 gestreken, althans haar vagina betast.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen, die mede

bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychologisch rapport d.d. 18 september 2010, opgemaakt door drs. M. van Heteren, GZ-psycholoog en vast gerechtelijk deskundige.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie:

Bij verdachte is zowel sprake van twee ziekelijke stoornissen als een gebrekkige ontwikkeling. Verdachte lijdt aan ADHD, gecombineerde type. Daarnaast vond er een scheefgroei plaats in de seksuele ontwikkeling. Verdachte lijdt aan pedofilie, aangetrokken tot jonge meisjes, niet exclusieve type. Het al of niet exclusief zijn van deze pedofilie is een "vooralsnog" diagnose, gezien het huwelijk van betrokkene. De definitieve diagnose zal wat betreft de psychologe vooral afhankelijk zijn van het aangetroffen beeldmateriaal dat bij uitbrengen van dit rapport nog niet beschikbaar was. De scheefgroei in de seksuele ontwikkeling is vooral ontstaan door problemen met de mannelijke identificatie en een kinderlijke, onrijpe en naïeve persoonlijkheidsontwikkeling ten gevolge hiervan. Verdachte volgde zijn moeders voorbeeld in de omgang met zijn autoritaire vader in de vorm van niet klagen maar dragen en bidden om kracht. Verdachte ontwikkelde een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis.

Dit was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde, indien bewezen. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes c.q. gedragingen, ten tijde van het tenlastegelegde.

Verdachte onderhield een huwelijk met zijn eerste vriendinnetje wat hem weinig tot geen seksuele satisfactie bood. Hij leidde de laatste tien jaar een anoniem seksueel leven op internet met drangmatige masturbatie en steeds extremere plaatjes. Over de hoeveelheid kinderporno hieronder en de startdatum hiervan kon helaas tijdens dit onderzoek nog geen duidelijkheid verkregen worden. Het zou kunnen dat een overzicht van de internet-gedragingen verschil maakt bij de aard van de gediagnosteerde pedofilie. Verdachte heeft met een vijfjarig vriendinnetje van zijn jongste zoon een intieme situatie gecreëerd door haar op schoot te nemen achter de computer. Vanuit die situatie aaide en streelde hij en geeft vrij gedetailleerd aan wanneer hij weerstand bij het meisje ervoer. Het aanbod om even te plassen op de wc en later "ga je mee naar boven" luiden dan verdergaande seksuele handelingen in. Verdachte betast vagina en likt ook waarbij hij ontkent naar binnen te zijn geweest terwijl slachtoffer 1 dit wel zegt. Het meisje slachtoffer 2 wordt op dezelfde manier benaderd maar belandt al wat sneller op de slaapkamer zo lijkt. Verdachte zegt haar niet te hebben gelikt omdat het de eerste keer was. Verdachte is in handelwijze duidelijk een pedofiele dader met script, zonder geweld, weinig gericht op coïtus, meerdere meisjes, en overwegingen omtrent de pakkans en de weerstand.

Een en ander vond in bovengemiddelde mate plaats. Verdachte is een impulsieve, infantiele en onrijpe man.

Er wordt geadviseerd verdachte voor het thans tenlastegelegde, indien bewezen, verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Hij was vanuit de ADHD en de pedofilie onvoldoende in staat de drang tot downloaden en vervolgens uitvoering geven aan seksuele grensoverschrijdingen in vrije wil te weerstaan waarbij de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis hem verhinderde adequate hulp in te roepen.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie van de psycholoog en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten; de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsman van de verdachte; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 10 september 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan een gedeelte groot 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 10 jaren en met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, hetgeen mede zal inhouden een 4 daagse dagbehandeling bij "De Tender" te Deventer, dan wel een klinische behandeling bij de F.P.K. Assen of soortgelijke inrichting.

De raadsman heeft onder meer gepleit voor een lagere en deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, met oplegging van de bijzondere voorwaarden als door de officier van justitie gevorderd. De raadsman stelde verder dat het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf ongeveer gelijk zou moeten zijn aan de tijd die reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daarnaast zou aan verdachte, die first-offender is, een taakstraf van aanzienlijke duur kunnen worden opgelegd. De raadsman stelt dat verdachte meer gebaat is bij zo spoedig mogelijke en effectieve behandeling dan bij het ondergaan van een langdurige vrijheidstraf als door de officier van justitie gevorderd. De raadsman heeft verder gesteld dat de aan het voorwaardelijk gedeelte van gevangenisstraf te verbinden proeftijd van 10 jaar te punitief is en een proeftijd van 3 jaar meer in de rede ligt.

De raadsman heeft verder verzocht het feit 2 op het bevel bewaring (het feit betreffende de kinderpornografie) als ad informandum gevoegd in de beoordeling van de onderhavige zaak mee te nemen. Een verdere vervolging zal een behandeling van de verdachte frustreren.

De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat het onderzoek in de kinderpornozaak tegen de verdachte nog niet is afgerond en dat hij bezwaar maakt tegen een ad informandum afdoening van die zaak, nu de omvang van de aangetroffen kinderporno nog niet vast staat en van belang is voor een eventueel nader oordeel van de psychologe die de verdachte psychologisch heeft onderzocht. Bij een eventuele verdere vervolging van de verdachte in die zaak zal aanvullende rapportage van de psychologe worden gevraagd.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het voor de hand en in de rede had gelegen om de zaak betreffende de kinderpornografie gelijktijdig met het onderhavig tenlastegelegde aan te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank was een ad informandum afdoening, te meer nu de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd over het bezit daarvan gedurende een periode van een half jaar, wenselijk geweest, gelet op de door psychologe geschetste problematiek bij de verdachte en dat hij bereid is behandeling te ondergaan. Een nadere vervolging voor het feit betreffende de kinderpornografie zou een ingezette of in te zetten behandeling kunnen vertragen. Nu de officier van justitie deze zaak niet ad informandum heeft gevoegd en daartegen ook bezwaar heeft gemaakt, acht de rechtbank zich echter niet bevoegd deze zaak ad informandum af te doen. De rechtbank merkt hierbij op dat bij een mogelijke nadere vervolging in verband met de aangetroffen kinderporno (bij het opleggen van een straf) met voormelde aspecten rekening gehouden zal kunnen worden.

De rechtbank zal de vordering van de officier tot opheffing van de voorlopige hechtenis voor wat betreft het kinderpornofeit naast zich neerleggen, nu de raadkamer van de rechtbank al bij haar beslissing van 12 mei 2010 heeft geoordeeld dat er ten aanzien van feit 2 op het bevel bewaring (het feit betreffende de kinderpornografie) onvoldoende ernstige bezwaren zijn, en derhalve de voorlopige hechtenis voor dit feit al niet meer gold.

De rechtbank overweegt verder het volgende.

De door de verdachte gepleegde feiten zijn ernstige delicten. Het bewezene levert in de regel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van lange duur.

Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van een tweetal 4 à 5-jarige meisjes, waarbij de geldende sociaal-ethische normen, voortvloeiende uit het bepaalde in artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht, ruimschoots zijn overschreden. De rechtbank rekent dat de verdachte zwaar aan.

Verdachte, die geen strafblad heeft, bekent de ontuchtige handelingen en zegt daar spijt van te hebben en zich voor de feiten te schamen. Hij wil niet dat dit ooit weer zal gebeuren en zegt alle noodzakelijk geachte behandelingen en therapieën te willen ondergaan.

De psychologe drs. M. van Heteren heeft in haar rapport van 18 september 2010 aangegeven dat verdachte gebaat is bij een intensieve behandeling die gericht is op cognitieve controle en terugvalpreventie, ADHD, hyperseksualiteit en zijn ontwijkende kanten. Zij stelt verder dat het onvermijdbaar zal zijn dat dit medicamenteus moet worden ondersteund.

De psychologe acht een deels voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt een vierdaagse dagbehandeling bij de Tender te Deventer dan wel een klinische behandeling bij de F.P.K. Assen, met een zeer langdurige proeftijd aangewezen.

De rechtbank zal bij de bepaling van de strafmaat verder rekening houden met de omstandigheden van de verdachte zoals omschreven in het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, Adviesunit Lelystad, d.d. 25 juni 2010.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte oprecht spijt heeft betuigd van zijn handelen en hij bereid is behandeling te ondergaan zal de rechtbank aan verdachte een kortere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie geëist en wel een gevangenisstraf van 2 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan een gedeelte groot 1 jaar voorwaardelijk. De rechtbank zal de aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf te verbinden proeftijd bepalen op 3 jaren.

Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal verder de bijzondere voorwaarde worden gekoppeld, inhoudende dat verdachte zich zal houden aan de voorschriften en/of aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland, hetgeen mede zal inhouden een 4 daagse dagbehandeling bij "De Tender" te Deventer, dan wel een klinische behandeling bij de F.P.K. Assen of soortgelijke inrichting.

Benadeelde partij slachtoffer 2

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het ter terechtzitting gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is, als niet door de verdachte weersproken, dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2010, voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank verstaat dat het gevorderde bedrag strekt tot vergoeding van de thans gestelde schade door de benadeelde partij geleden en acht dit deel voldoende onderbouwd.

De benadeelde partij zal voor het meer of anders gevorderde niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel slachtoffer 2

Met betrekking tot het bewezen verklaarde acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door dat strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren waarvan een gedeelte groot 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Assen, met opdracht aan de reclasseringsinstelling ingevolge artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht, hetgeen mede zal inhouden dat verdachte een 4 daagse dagbehandeling zal ondergaan bij "De Tender" te Deventer, dan wel dat verdachte een klinische behandeling zal ondergaan bij de F.P.K. Assen of soortgelijke inrichting.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, slachtoffer 2 te Meppel, van een bedrag aan gedeeltelijk geleden (im)materiële schade van € 750,00, te vermeerden met de wettelijke rente vanaf 23 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor wat betreft het meer of anders gevorderde deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen voor dat deel van de vordering de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van slachtoffer 2, voornoemd, een bedrag van € 750,00 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. C.P. van Gastel en mr. E.C.M. Wolfert, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 12 oktober 2010.