Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO2635

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
19/830133-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gedragskundige die verdachte heeft onderzocht, concludeert dat het tenlastegelegde aan verdachte op grond van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kan worden toegerekend.

In dit verband overweegt de rechtbank dat deze gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken.

Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak geen sprake geweest.

In de praktijk wordt al spoedig enig besef of enig benul aangenomen. Op grond van verdachtes activiteit, die een zeker niveau van coördinatie van geestelijke en lichamelijke functies vergde, ligt het aannemen van een minimaal besef dan ook zeker voor de hand.

De rechtbank acht dan ook wettig bewezen dat verdachte, ondanks dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar is te achten, opzettelijk [benadeelde partij] van het leven heeft willen beroven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830133-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 oktober 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [adres],

thans verblijvende in [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 12 oktober 2010.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. H.A. Koning, advocaat te Meppel.

De officier van justitie mr. C.C. Westerling-Diderich acht hetgeen primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: terbeschikkingstelling met dwangverpleging en integrale toewijzing van de civiele vordering van [benadeelde partij], tevens in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel met een vervangende hechtenis van 22 dagen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 17 juni 2010 te Bosschoord, gemeente Westerveld, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde partij] in een verwurgingsgreep heeft genomen en/of (daarbij) haar keel heeft dichtgeknepen en/of meermalen met een bloempot, althans met een hard en/of zwaar voorwerp op haar hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 17 juni 2010 te Bosschoord, gemeente Westerveld, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij] in een verwurgingsgreep heeft genomen en/of (daarbij) haar keel heeft dichtgeknepen en/of meermalen met een bloempot, althans met een hard en/of zwaar voorwerp met kracht op haar hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 17 juni 2010 te Bosschoord, gemeente Westerveld, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij]), in een verwurgingsgreep heeft genomen en/of (daarbij) haar keel heeft dichtgeknepen en/of meermalen met een bloempot, althans met een zwaar voorwerp op haar hoofd, althans lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 17 juni 2010 te Bosschoord, gemeente Westerveld, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde partij] in een verwurgingsgreep heeft genomen en meermalen met een bloempot op haar hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de bewijsmotivering genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Bewijsmotivering

[benadeelde partij], hierna te noemen aangeefster, doet op 23 juni 2010 aangifte van poging tot doodslag.

Het feit werd gepleegd op donderdag 17 juni 2010 op de [adres] binnen de gemeente Westerveld.

Aangeefster is als groepleidster werkzaam bij [instantie], gevestigd in [adres]. In die hoedanigheid begeleidt zij mensen die op de afdeling [afdeling] zijn geplaatst. Eén van hen is [verdachte], hierna te noemen verdachte. Op donderdag 17 juni 2010 ging aangeefster met verdachte naar buiten voor een wandeling. Hij had nieuwe schoenen en sprak iedereen die hij tegenkwam aan om dat te vertellen. Omstreeks 13:00 uur gingen zij weer naar binnen. Op de afdeling hebben zij de etenskar gepakt om deze naar de keuken te brengen. In de keuken begon verdachte weer over zijn nieuwe schoenen. Aangeefster sprak hem hierover aan maar hij reageerde daar niet echt op. Teruglopend naar de afdeling zei aangeefster tegen verdachte dat hij niet meer zomaar mensen moest aanspreken. Dat is een leerdoel en staat ook zo beschreven in zijn behandelplan.

Verdachte reageerde geïrriteerd in de richting van aangeefster. Hij werd dreigend in haar richting, pakte een bloempot en kwam daarmee op aangeefster aflopen. Verdachte pakte aangeefster met een arm heel strak om haar hals beet. Hij drukte haar keel dicht in een soort verwurgingsgreep. Verdachte was ongeveer 120 kilogram en aangeefster was ongeveer 62 kilogram dus ze had niet zoveel in te brengen tegen hem. Terwijl verdachte aangeefster vast hield sloeg hij met de bloempot diverse keren met kracht op het hoofd van aangeefster. Verdachte sloeg zeker vijf keer en aangeefster voelde pijn aan haar hoofd.

Verdachte had inmiddels zijn hand in de boord van aangeefsters trui gewikkeld en hield aangeefster zodanig vast dat zij geen adem meer kon krijgen. Ze kreeg het steeds benauwder. Op een gegeven moment hoorde aangeefster dat haar trui scheurde. Hierdoor kreeg zij wat ruimte en kon zij zich loswrikken door haar trui uit te trekken. Een mannelijke collega pakte verdachte vast en drukte hem op de grond. Hij en Ingrid, een andere collega, gingen op verdachte zitten. Als deze collega's niet hadden ingegrepen had aangeefster het volgens haar niet overleefd. Doordat deze collega's ingrepen kreeg aangeefster de kans zichzelf te bevrijden waardoor zij weer kon ademen.

[getuige 1], hierna te noemen getuige, is als sociotherapeut werkzaam in [instantie].

Op donderdag 17 juni 2010 bevond zij zich op afdeling [afdeling]. Ze was op het afdelings-kantoor bezig met werkzaamheden. Ze zag haar collega [benadeelde partij] met cliënt [verdachte] binnen komen. Ze is achter hen aangelopen richting centrale woonkamer. Getuige zag dat verdachte een bloempot van tafel pakte, naar aangeefster toeliep en haar beetpakte. Verdachte ging achter aangeefster staan en pakte haar bij haar keel. Verdachte hield aangeefster in een verwurgingsgreep met zijn arm om haar keel.

Getuige zag dat aangeefster geen adem meer kon halen en dat verdachte aangeefster diverse keren met kracht op haar hoofd sloeg. Getuige is aan de arm van verdachte gaan hangen om te voorkomen dat hij aangeefster nog vaker met de vaas tegen het hoofd zou slaan.

Direct hierop kwam er nog een collega bij die verdachte ook vast greep. Hierdoor lukte het aangeefster om los te komen uit de greep van verdachte. Zij deed dit door uit haar trui te glippen. Getuige viel samen met haar collega en verdachte op de grond. Er kwamen meer collega's bij zodat ze verdachte onder controle konden krijgen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 17 juni 2010 te [plaats] [benadeelde partij] in een verwurgingsgreep heeft genomen en haar meermalen met kracht met een bloempot op het hoofd heeft geslagen.

Kwalificatie

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 9 september 2010, opgemaakt door S. de Jong, psychiater.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven - dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens; diagnostisch te beschrijven als een lage begaafdheid, een persoonlijkheidsstoornis NAO en een autismespectrumstoornis bij een gehospitaliseerde man. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde.

De Jong acht verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde ontoerekeningsvatbaar.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van het feit en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend.

Overwegingen met betrekking tot het tenlastegelegde opzet

De gedragskundige die verdachte heeft onderzocht, concludeert dat het tenlastegelegde aan verdachte op grond van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kan worden toegerekend.

In dit verband overweegt de rechtbank dat deze gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken.

Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak geen sprake geweest.

In de praktijk wordt al spoedig enig besef of enig benul aangenomen. Op grond van verdachtes activiteit, die een zeker niveau van coördinatie van geestelijke en lichamelijke functies vergde, ligt het aannemen van een minimaal besef dan ook zeker voor de hand.

De rechtbank acht dan ook wettig bewezen dat verdachte, ondanks dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar is te achten, opzettelijk [benadeelde partij] van het leven heeft willen beroven.

Motivering van de maatregel van terbeschikkingstelling

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikking-stelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

Het door verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Door de gedragskundigen S. de Jong, psychiater, en drs. J. de Hoop, psycholoog te Groningen, die de verdachte beiden hebben onderzocht, is elk afzonderlijk een met reden omkleed, gedagtekend en ondertekend advies uitgebracht.

De conclusies in het advies van De Jong d.d. 9 september 2010 luiden dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens; diagnostisch te beschrijven als een lage begaafdheid, een persoonlijkheidsstoornis NAO en een autismespectrumstoornis bij een gehospitaliseerde man. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde.

De Jong adviseert de rechtbank verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Verdachte is, aldus De Jong, blijvend aangewezen op een verblijf in en begeleiding van een intensief gestructureerde en voldoende beveiligde klinische setting om de kans op recidive te verkleinen. Op grond van de psychiatrisch ingeschatte hoge kans op recidive adviseert hij de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan verdachte op te leggen.

De conclusies in het advies van De Hoop luiden dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Hiervan was ook sprake ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

Ook De Hoop adviseert verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Bij een voldoende rustige, voorspelbare en veilige omgeving zal verdachte, aldus De Hoop, relatief goed functioneren maar nog steeds gevaarlijk zijn. Om een dergelijke omgeving te creëren is het nodig om een begeleiding te bieden die zich in de eerste plaats richt op een optimaal veilig begeleidingsklimaat. Dit is alleen te realiseren binnen het kader van een TBS met dwangverpleging.

De Jong adviseert daarom een terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan verdachte op te leggen.

Op grond van die conclusies en de adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezen geachte feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond.

Op grond van het bovenstaande en mede gelet op de ernst van het begane feit is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid voor personen en goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De rechtbank overweegt daarbij dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

De rechtbank acht het op grond van de rapporten van de gedragskundigen De Jong en De Hoop voorts noodzakelijk dat aan verdachte dwangverpleging wordt opgelegd.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank passeert hierbij het verzoek van de verdachte de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren op de grond dat de vordering niet eenvoudig van aard zou zijn, waardoor deze zich niet zou lenen voor behandeling in het strafgeding. Ingevolge artikel 6:165 van het Burgerlijk Wetboek vormt de omstandigheid dat een handeling, zoals in casu het ten laste gelegde feit, is verricht onder invloed van een geestelijke tekortkoming, geen beletsel de handeling aan de pleger, in dit geval verdachte, in civielrechtelijke zin toe te rekenen. Strafrechtelijke ontoerekeningsvatbaarheid staat daarmee niet in de weg aan het ontstaan van civielrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte en maakt de vraag of die aansprakelijkheid in een bepaald geval daadwerkelijk bestaat ook niet moeilijker te beoordelen.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op de persoonlijkheid van de verdachte acht de rechtbank het opleggen van de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet aangewezen. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan en stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld.

De rechtbank verklaart de verdachte deswege niet strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank beveelt dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank stelt vast dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van vier jaar te boven mag gaan.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van de som van € 1.103,26 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank wijst de vordering tot het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Klaassens, voorzitter, en mr. H. de Wit en mr. E.C.M. Wolfert, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op dinsdag 26 oktober 2010.